Advertentie
Manchester City

Worden voetballers ooit duurder dan kunstwerken?

Een economische analyse van een gewetensvraag.

door Yoran Custers
03 januari 2016, 8:00am

Nafea faa ipoipo,’ Paul Gauguin, 1892 via Wikimedia Commons. Gareth Bale, 2013 via Wikimedia Commons.

Wat de centen betreft was 2015 een uitstekend kunstjaar. In februari werd het duurste kunstwerk aller tijden verkocht – het impressionistische werk Nafea faa ipoipo (‘Wanneer ga je trouwen?’) van Paul Gauguin verruilde voor 300 miljoen dollar (264 miljoen euro) van eigenaar. Een paar maanden later werd ook Les femmes d’Algers van Pablo Picasso van de hand gedaan voor een astronomisch geldbedrag, waarmee het schilderij in één klap het derde duurste kunstwerk ter wereld werd.

De kunstwereld wint het daarmee voorlopig nog ruim van de voetbalwereld, waar ook al jaren sommen worden neergelegd waar een hoop Balkenendenormpjes in passen. De duurste speler ter wereld, de Welshe vleugelspeler Gareth Bale, werd in 2013 voor honderd miljoen naar Real Madrid gehaald. Voor dit jaar was de duurste speler de Belg Kevin de Bruyne, die voor 75 miljoen naar Manchester City vertrok – omgerekend goed voor een kwart van het schilderij van Gauguin.

Vooralsnog doet de voetbaltransfermarkt dus nog onder voor de kunsthandel. Maar voor hoe lang nog? De voetbalwereld lijkt de afgelopen twee decennia compleet op hol geslagen wanneer op geld aankomt, en clubs zijn steeds vaker in staat om een gezamelijk kapitaal aan spelerswaarde op te stellen waar geen Picasso tegen op kan (Manchester City stelde onlangs een team op met een waarde van 400 miljoen euro). Dankzij een mix van corrupte voetbalbazen, een gebrek aan controle en suikeroompjes uit de Arabische Emiraten (en ook uit Rusland trouwens, en Amerika) lijken de transferbedragen de afgelopen jaren exponentieel te stijgen. En dat terwijl Bale’s waarde lang niet zo tijdloos is als die van een Picasso of een Van Gogh.

Wie de hoogste transferbedragen van de afgelopen twintig jaar in een grafiekje zet, kan zien dat er daadwerkelijk sprake is van een exponentiële groei. Kijk maar hieronder. Als je de trend van transfersommen doortrekt, dan zal de duurste voetballer in 2025 ergens rond de €150 miljoen kosten.

Van links naar rechts: Denilson (1998, 30,9 miljoen), Vieri (1999, 43 miljoen), Figo (2000, 62 miljoen), Zidane (2001, 75 miljoen), Ferdinand (2002, 44,8 miljoen), Beckham (2003, 35,9 miljoen), Rooney (2004, 39,4 miljoen), Wright-Phillips (2005, 30,5 miljoen), Shevshenko (2006, 43,8 miljoen), Robben (2007, 36 miljoen), Robinho (2008, 42,5 miljoen), Cristiano Ronaldo (2009, 94 miljoen), Villa (2010, 40 miljoen), Torres (2011, 58 miljoen), Thiago Silva (2012, 44,4 miljoen), Bale (2013, 100 miljoen), Suarez (2014, 93,7 miljoen) en De Bruyne (2015, 75 miljoen)

In de kunsthandel wordt al langer met geld gesmeten, al zijn de rijke handelaren de laatste jaren wel extra goed in vorm. Naast de twee eerder genoemde schilderijen, waren ook De Kaartspelers (Paul Cézanne, 2011) en Drie Studies van Lucien Freud (Francis Bacon, 2013) de laatste jaren al goed voor de nodige records. Om maar te zwijgen over La Rêve, een andere Picasso die Steve Wynn in 2006 wilde verkopen voor 139 miljoen dollar, hetgeen een klein beetje bemoeilijkt werd door het feit dat hij het doek per ongeluk zelf beschadigde. Een vleugje scorebordjournalistiek leert dat ook de bedragen die voor kunst worden neergeteld in de afgelopen jaren expontentieel zijn gestegen:

Van links naar rechts: Zelfportret zonder baard (Vincent van Gogh, 1998, 82 miljoen), Stilleven met gordijn, kruik en fruitschaal (Paul Cézanne, 1999, 56,3 miljoen), Vrouw met gekruiste armen (Pablo Picasso, 2000, 64,4 miljoen), Kindermoord van Bethlehem (Peter Paul Rubens, 2002, 76,7 miljoen), Portret van Alfonso d’Avalos (Titiaan, 2003, 59,8 miljoen), Jongen met pijp (Pablo Picasso, 2004, 85 miljoen), No. 5 (Jackson Pollock, 2006, 147 miljoen), White center (Mark Rothko, 2007, 54 miljoen), Tryptich (Francis Bacon, 2008, 66 miljoen), Diana en Actaeon (Titiaan, 2009, 39,4 miljoen), Naakt, groene bladeren en buste (Pablo Picasso, 2010, 81,4 miljoen), De kaartspelers (Paul Cézanne, 2011, 245 miljoen), De schreeuw (Edvard Munch, 2012, 91 miljoen), La reve (Pablo Picasso, 2013, 142 miljoen), No. 6 (Mark Rothko, 2014, 166 miljoen) en Nafea faa ipoipo (Paul Gauguin, 2015, 264 miljoen)

Met vier recordbedragen en een opgetelde waarde van 372,8 miljoen kun je Pablo Picasso met recht het paradepaardje van de kunsthandel noemen, zoals Ángel di María dat is voor de voetbalmarkt. Met een opgetelde transfersom van 188,7 miljoen is Di María immers cumulatief gezien de duurste speler aller tijden (hij komt niet voor op het lijstje van afzonderlijke transferbedragen, maar verhuisde de afgelopen jaren vier keer van club).

Op het eerste gezicht lijkt de stijging in prijzen op de kunstmarkt nog exponentieler te verlopen dan in de voetballerij. Dat zou betekenen dat de prijzen die voor schilderijen worden betaald en de transfersommen die voor voetballers worden neergeld de komende jaren alleen maar verder uit elkaar zullen komen te liggen. Toch? Even naast elkaar zetten:

Wat blijkt: kunst is duurder dan voetballers, en dat blijft het nog wel even. Na de eeuwwisseling leek het er even op dat de twee elkaar misschien zouden kruizen, maar inmidels in dat niet langer aan de orde. Sterker nog: als we er nu vanuit gaan dat de huidige trend zich blijft doorzetten, dan is het überhaupt de vraag of voetballers ooit nog in de buurt komen van schilderijen. Voorlopig is het alsof je Bayern München een voorsprong laat verdedigen tegen het derde elftal van vv Stompwijk. Natuurlijk bieden resultaten uit het verleden geen enkele garantie voor de toekomst, maar de patronen zijn zichtbaar: kunst blijft voetbal nog wel even de baas.