Identiteit

Een pandemie is vreselijk als je dwangneuroses hebt, maar ook therapeutisch

"Ik weet dat ik de situatie niet kan controleren, en dat besef gaf me vreemd genoeg een soort rust die ik nog niet eerder heb ervaren."
door Maxime
Djanlissa Pringels
zoals verteld aan Djanlissa Pringels
17 juni 2020, 12:33pm
OCD handgel vrouw wanhoop dwangneurose virus
Andrea Piacquadio via Pexels, Simsala111. Beeldbewerking: Djanlissa Pringels.

“De voorbije maanden waren voor mij ontzettend intens, maar vreemd genoeg ook therapeutisch. Ik heb namelijk al sinds mijn peutertijd een obsessieve-compulsieve stoornis (OCS), waarbij ik dwangmatige handelingen uitvoer om mijn dwanggedachten te sussen. Mijn OCS is volledig gestuurd door een angst om te sterven, mensen rondom me verliezen en afgesloten worden van de buitenwereld – een voor een angsten die een realiteit werden door de coronapandemie.

Op mijn tweeëntwintigste kreeg ik de diagnose OCS of wat de meeste mensen kennen onder de Engelse term ‘OCD’ – obsessive-compulsive disorder. Toen werd ook snel duidelijk dat ik dat al van kinds af aan dwangmatig gedrag vertoonde – gedrag dat alsmaar erger werd naarmate ik ouder werd. Bij iedereen met OCS kunnen de dwanghandelingen en -gedachten zich op een andere manier uiten, en vaak kan OCS door van alles ontstaan. Bij mij ontstond het door de dood van mijn vader toen ik vier jaar oud was. Mijn ouders zaten net in een scheiding toen hij onverwachts stierf aan een hartziekte. Ik had hem al even niet gezien. Er werd thuis niet echt gesproken over wat er nou gebeurd was. Door het feit dat ik nooit afscheid had genomen van mijn vader en ik eigenlijk niet goed snapte wat er gebeurd was, interpreteerde ik zijn dood als een teken dat mensen elk moment voorgoed uit je leven kunnen verdwijnen als je ze even niet ziet.

Daardoor kreeg ik dwanggedachten over het verliezen van mensen rondom me. Als ik vrienden had gezien, overliep ik alles wat ik had gezegd, om toch zeker te zijn dat ik niet iets had gedaan waardoor ze me nooit meer zouden willen zien. Elk sociaal contact analyseerde ik tot in detail, op zoek naar iets wat ik fout zou gedaan kunnen hebben. Ik controleerde elk berichtje keer op keer opnieuw voordat ik het verstuurde. Nog voordat ik mensen zag, plande ik al wat ik wanneer ging zeggen, zodat ik zeker niets verkeerd zou doen. Dat hield me nachtenlang wakker en zodra ik opstond, controleerde ik op mijn telefoon of niet iemand me had gestuurd dat ze me nooit meer wilden zien.

Aan de hand van dwanghandelingen, probeerde ik toch wat controle te krijgen op de chaotische en onvoorspelbare wereld rondom me. Het begon onschuldig. Zo wilde ik als kind enkel op het witte deel van het zebrapad wandelen en vermeed ik scheuren op de grond. Ik dacht dat, als ik dat niet deed, er iets ergs zou gebeuren. Dat werd alsmaar extremer. Voor het eten, moest ik altijd controleren tot wanneer het voedsel op mijn bord nog goed was. Groenten en fruit hadden vaak geen labeltje, waardoor ik altijd eerst googlede hoe lang het goed zou zijn en vaak gooide ik mijn eten alsnog weg. Op mijn bord mocht verschillende soorten voedsel elkaar niet aanraken en kon ik enkel alles op een specifieke volgorde opeten. Anders zou ik of iemand om me heen sterven. Als ik de keuken verliet, moest ik vijf keer het fornuis checken. Als ik ging slapen of het huis verliet, controleerde ik vijf keer of de deur op slot zat en of de ramen goed dicht waren. Wanneer ik naar mijn gevoel de controle op een verkeerde manier uitvoerde, moest ik het hele riedeltje opnieuw doen en als ik buitenshuis was en ik werd onrustig, dan moest ik naar huis gaan om al die handelingen opnieuw uit te voeren. Ook had ik het gevoel dat ik de controle verloor als de cijfers die ik rond me zag niet even waren, zoals bijvoorbeeld het volume van de radio of televisie.

OCS nam m’n leven over. Ik had paniekaanvallen en zat volledig vast in mijn dwanggedachten- en handelingen, waardoor ik uiteindelijk in een burn-out belandde. De dokter wees me meteen door naar een gespecialiseerde therapeut. Zij leerde me om de controle langzamerhand los te laten. Eerst mocht ik bijvoorbeeld maar vier keer controleren of de deur op slot was en als ik dat eenmaal wat onder controle kreeg, leerde ze me hoe ik mijn OCS kon herkennen. Ook kreeg ik traumatherapie zodat ik de dood van mijn vader kon verwerken. Die kinderlijke angsten voor de dood en om verlaten te worden, hebben de basis gevormd voor een groot deel van emoties. Dat moest ik afleren. Een jaar geleden had ik het gevoel dat ik eindelijk alles onder controle had.

Dat veranderde in januari, begin dit jaar. Het nieuws over het coronavirus begon zich langzamerhand te verspreiden, maar op dat moment was het virus enkel in China. Ik volgde het nieuws wel al nauwkeurig en zag hoe het alsmaar dichter bij Nederland kwam. Op dat moment sloeg mijn doodsangst weer als een bom in. Het eerste wat ik elke ochtend deed was het nieuws checken. Ook ‘s middags zat ik altijd klaar om de nieuwe cijfers van de besmettingen en doden in Nederland te bekijken. In het begin werden die cijfers alsmaar alarmerender, en ik zag mijn grootste angst een realiteit worden. Bij het minste kriebeltje in mijn keel, zag ik mijn leven aan me voorbij flitsen – iets wat erg onhandig is als je hooikoorts hebt. Mijn vriend heeft astma, dus ik beeldde me constant in dat hij deze periode niet zou overleven. Mijn familie kon ik een lange tijd niet bezoeken, en ik dacht constant dat ik ze nooit meer zou zien. Een pandemie is erg triggerend, maar het feit dat ik ook nog eens niets mocht doen en verplicht thuis moest blijven, maakte me knettergek. Ik zat volledig vast in mijn eigen hoofd.

Om weer controle terug te krijgen, begon ik dwangmatige handelingen uit te voeren. Ik waste constant mijn handen– ook als ik een hele dag thuis had gezeten. Dagelijks veegde ik alles wat ik aanraakte af met desinfecterende gel. Meerdere keren per dag mat ik mijn lichaamstemperatuur. Dat moest ik telkens twee keer doen, omdat ik het eerste resultaat niet vertrouwde. Ik kreeg koorts, waardoor ik alsmaar banger was dat ik het virus had. Zodra ik even naar buiten ging, herhaalde ik de hele dag in mijn hoofd welke handelingen ik exact had uitgevoerd. Op een gegeven moment merkte ik dat ik een paniekaanval kreeg. Om die tegen te houden, heb ik de hele avond mijn handen gewassen. Dat was het moment dat ik doorhad dat ik, als ik niet snel weer de controle los durfde te laten, ik weer vast zou komen te zitten in mijn OCS.

Ik besloot vorige maand het nieuws niet meer te volgen en te denken aan wat ik allemaal geleerd had in therapie. Dat is niet gemakkelijk, want in therapie leer je bijvoorbeeld je angsten te relativeren door te bedenken dat een groot deel van je angsten niet met de realiteit te maken hebben. Corona daarentegen is wel echt, waardoor je het eigenlijk niet kan relativeren. Niemand weet wat er ons te wachten staat en het feit dat niemand me kan garanderen dat ik niet ziek zal worden, gaf me erg veel onrust.

Uiteindelijk besefte ik dat ik me moest overgeven aan de situatie waarin ik zat. Ik herhaalde tegen mezelf dat ik niet weet of ik doodga, dat ik niet weet of ik mijn familie nog zal zien en dat ik niet weet of mijn vriend ziek zal worden. Wat ik wel weet, is dat ik dat deze situatie niet kan controleren. Dat besef gaf me – vreemd genoeg – een soort rust die ik nog nooit heb ervaren. Ik heb me voor het eerst echt moeten overgeven aan mijn diepste, duisterste angst en dat is ongelooflijk therapeutisch. Ik besef dat ik veel meer aankan dan ik oorspronkelijk dacht. Dat geeft me kracht. Daarbij is het ook geruststellend dat ik niet alleen ben. Mensen met OCS zijn meestal de enigen die in constante angst leven. Nu zijn we collectief dit aan het beleven, en dat is ook troostend. Het is veel minder eenzaam.”