Stuff

Een gesprek met de man die na een vliegtuigcrash mensenvlees at om te overleven

"Een paar van ons hebben toen één van de lichamen opgehaald, waar we vervolgens een stukje uit hebben gesneden, en toen zijn we begonnen met eten. Zo simpel was het."

door Joel Golby
28 maart 2016, 5:00am

Overlevenden leunen tegen de romp van het verwoeste vliegtuig Fairchild

Zou jij een hand eten, een menselijke hand? Nee, maar wat als je nou heel veel honger had? "Overleven was het enige waar we aan dachten, en het was daarom belangrijk om goed te blijven eten: dat was geen rationeel besluit, maar eerder een instinctieve noodzaak. Ik had altijd een hand of zoiets in m'n zak, en wanneer ik kon, zat ik te eten, gewoon om maar iets in m'n mond te hebben, om het idee te hebben dat ik voeding binnenkreeg." Dit zijn de woorden van Pedro Algorta, die 71 dagen lang gestrand was in het Andesgebergte na een vliegtuigcrash in 1972. Hij at de handen – en vlees van de dijen, armen, eigenlijk alles wat ook maar enige voedingswaarde had – van zowel de mensen bij de crash waren gestorven als degenen die de gruwelijke twee maanden die daarop volgden niet overleefden.

Van de veertig passagiers en vijf crewleden die in het vliegtuig van Uruguay naar Chili zaten, overleefden er uiteindelijk maar zestien. De anderen overleden door de crash, een lawine en blootstelling aan de barre weersomstandigheden. Degenen die uiteindelijk terugkeerden naar de bewoonde wereld – na een trektocht van tien dagen, geleid door Nando Parrado en Roberto Canessa – overleefden over het algemeen door een combinatie van een wonderbaarlijke mentale gehardheid, een goede groepsdynamiek, en kannibalisme uit pure wanhoop.

Het is best raar om tegenover iemand te zitten die een hand heeft gegeten. Ik ontmoette Pedro in een rumoerig café in Londen, en bleef maar naar zijn tanden kijken, die er heel sterk uitzagen. Ik dacht bij mezelf: zouden zijn tanden zo sterk zijn omdat hij menselijke handen gegeten heeft? Pedro is nu 65, maar hij lijkt minstens tien jaar jonger, en weer dacht ik bij mezelf: misschien heeft al dat dijenvlees wel voor een soort semi-eeuwige jeugd gezorgd. Pedro zelf lijkt niet wakker te liggen van zijn gruwelijke ervaringen in de bergen: zijn boek, Into the Mountains, dat de aanleiding is voor dit gesprek (het boek is net vertaald naar het Engels), legt onverbloemd uit hoe de beslissing van de groep om de bevroren doden te gaan eten voortkwam uit een kille, afstandelijke berekening: er moest een keuze gemaakt worden tussen of het vlees van de overledenen eten, of zelf ook doodgaan.

Sindsdien lijkt hij niet veel veranderd te zijn – hij verontschuldigt zich nergens voor, en legt kannibalisme op zo'n manier uit dat het niet heel veel lijkt te verschillen van brood eten wanneer je honger hebt. "Nou," legt Pedro uit, terwijl hij woorden als 'ik', 'at' en 'handen' voorzichtig probeert te vermijden. "Het was niet een beslissing die we met ons verstand hebben genomen – het is niet alsof er een leider opstond die zei: 'Hé jongens, ik heb de oplossing!' Het was een beslissing die we met onze magen hebben genomen."

Ik sprak hem over het eten van handen, hoe je kunt overleven als groep zonder ruzie te krijgen, en hoe vaak hij nog terugdenkt aan zijn ervaringen.

VICE: De overlevenden hebben allemaal hun eigen verhalen over wat er is gebeurd na de crash, en die herinneringen spreken elkaar vaak tegen door de tijd die eroverheen is gegaan – namen veranderen, de rol die mensen speelden in het verhaal wisselt, dat soort dingen. Had je het idee dat jouw kant van het verhaal ook kritisch onder de loep werd genomen?
Pedro Algorta: Nou, we zijn een groep van jongens die veertig jaar geleden allemaal dezelfde ontzagwekkende ervaring hebben gehad, en sindsdien is iedereen zijn eigen weg gegaan, dus we zijn allemaal vrij verschillend, en dat heeft ervoor gezorgd dat we nu terugkijken op ons verhaal vanuit verschillende perspectieven. We hebben hier 35 jaar niet over gepraat. Toen mijn vrienden zich op een gegeven moment wel begonnen uit te spreken, dacht ik: dit is ook mijn verhaal. Toen ik besloot mijn mond open te trekken en erover te praten, realiseerde ik me dat mijn kant van het verhaal anders is, omdat het van mij is; niemand heeft meegemaakt wat ik heb meegemaakt, en niemand heeft deze kant van het verhaal verder meegekregen. Ik beweer niet dat ik de absolute waarheid in pacht heb: ik denk dat iedereen het recht heeft zijn verhaal zelf naar buiten te brengen. Dit is mijn kant van het verhaal, hoe ik het ervaren heb, wat ik ervan geleerd heb en de impact die het nu nog heeft op mijn dagelijks leven.

Hoe is dat nou eigenlijk, een vliegtuigcrash meemaken?
Wanneer je een crash meemaakt (en overleeft), is dat natuurlijk een bijna-doodervaring, waarbij je niet weet of je het wel of niet zal redden: er zijn paniekmomenten en je verliest alle controle over jezelf en je omgeving. Je wordt in de lucht gegooid en kunt niet voorspellen wat er zal gebeuren. Het vliegtuig schudde heen en weer, en botste van de ene op de andere berg naar beneden. Uiteindelijk belandden we in een vallei, omringd door bergen. Op dat moment werd het helemaal stil, het sneeuwde zachtjes en wij, de overlevenden, zaten daar maar in het vliegtuig.

Pedro, een dag nadat hij gered was

In het boek praat je op een vrij afstandelijke manier over de crash, alsof het niet echt gebeurd lijkt te zijn wanneer je erop terugkijkt.
Nou, alhoewel ik wel beelden in m'n hoofd heb – en ik weet dat die beelden ook echt van mij zijn, want ik zie nog steeds voor me hoe mijn vriend Felipe dood naast me lag – kan ik me niet veel details herinneren van wat daar gebeurd is, weet je? Door de emotionele druk die er op je staat in dat soort situaties, kun je niet alles tot in detail terughalen – ik kan me bijvoorbeeld mijn stoelnummer niet meer herinneren, en ik weet niet meer wat ik gezegd heb voor we crashten, doordat de emoties zo hoog opliepen en de paniek zo groot was. Jarenlang heb ik me afgevraagd of ik niet moet proberen om de details van de crash te reconstrueren, maar het lukt me gewoon niet en daar heb ik me bij neergelegd. Het is een deel van mijn onderbewustzijn dat... het komt gewoon niet meer terug. Ik heb geen nachtmerries, en ik had me ook voorgenomen om de decennia erna een zo normaal mogelijk leven te leiden.

Wat me opviel in het boek, was dat het groepsgevoel langzamer tot stand kwam dan je zou verwachten, aangezien jullie allemaal in hetzelfde schuitje zaten. Toen de crash net achter de rug was, waren er subgroepen en leiders, mensen gingen dood waardoor de rangorde binnen de groep weer veranderde – maar het gevoel van eenheid was er niet meteen.
In het begin waren we nog steeds een rugbyteam, en in die groep is de aanvoerder van het rugbyteam de belangrijkste persoon. Hij wist hoe hij de groep moest aansturen; hij was ook gelijk het autoriteitsfiguur binnen zijn groep. Die eerste paar dagen in de bergen speelde hij een belangrijke rol; hij probeerde de boel bij elkaar te houden, en werd daardoor ook gerespecteerd als leider. Maar hij bleef maar zeggen dat we vol moesten houden, en snel gered zouden worden. Dat gebeurde niet. Dus iedere keer dat hij zei: 'Houd vol, er is hulp op komst', zorgde hij er eigenlijk voor dat de groep niet overging tot aanpassen aan de situatie waar we in zaten. We hadden toen ook nog niet echt een autoriteitsfiguur nodig. Wat we nodig hadden, was een leider die de groep bewust maakte van het probleem waar we mee te kampen hadden, snap je?

Uiteindelijk overleed hij alsnog in een lawine, en liet hij een groep van jonge gasten achter, zonder één duidelijke leider. En dat was misschien maar beter zo, want iedereen – met zijn eigen krachten en relatieve zwaktes – begon zich toen voor zichzelf en voor de groep in te zetten. Dus elke activiteit, alles wat ieder van ons deed, was nodig voor de groep om vooruit te komen.

Er waren veel spanningen, en we hadden vaak onenigheid: niet iedereen kon goed met elkaar overweg. Mensen moesten vechten om hun mening te kunnen geven, vechten voor onze posities van autoriteit binnen de groep, vechten om niet als zondebok te eindigen, vechten om bij de beslissingen die gemaakt werden betrokken te worden. De dynamiek die we hadden daar in de bergen, zal je ook terugzien in andere groepen – ik heb het zelfs bij groepen gezien waarover ik later de leiding had. In dat opzicht waren we geen uitzondering. Je vecht om het leiderschap, je hebt opkomende leiders binnen je groep zitten, je hebt zondebokken, je maakt beslissende momenten mee – of je wel of niet gelijk hebt – en daar leer je van. En dat is hoe wij in staat waren een groep te vormen, die zich kon aanpassen aan zo'n vijandige omgeving.

Ik neem aan dat de hele groep verantwoordelijk was voor de beslissing om uiteindelijk de slachtoffers te gaan eten, toch?
Nou, dat was niet een beslissing die we met ons verstand hebben genomen – het was een beslissing die we met onze magen hebben genomen. Verschillende mensen begonnen zich tegelijkertijd te realiseren dat als we wilden overleven, we iets zouden moeten eten, maar er was geen voedsel aanwezig. We gaven toe aan onze zwakheid, aan onze wil om te overleven, zonder onszelf te hoeven overtuigen met rationele gedachten. Een paar van ons hebben toen één van de lichamen opgehaald, waar we vervolgens een klein stukje uit hebben gesneden, en toen zijn we begonnen met eten. Zo simpel was het. Het was de meest normale en logische beslissing die we konden maken.

En toen we het eenmaal gedaan hadden, kregen we niet het gevoel dat we een ethische of morele grens waren overgegaan. We zagen het ergens als een stap vooruit die we hadden genomen; we waren aan het leren hoe te overleven in zo'n vijandige omgeving, waarin we dingen moesten doen waar we niet aan gewend waren.

Dus menselijk vlees eten voelde niet abnormaal aan?
Nee, helemaal niet. Zelfs nu als ik erop terugkijk, realiseer ik me dat als we dat niet hadden gedaan, we het niet overleefd zouden hebben. We hebben simpelweg toegegeven aan een soort oerdrang om te overleven. Dat is waarom mensen er ook minder moeite mee hebben als ze het boek hebben gelezen, want ik leg de beslissing stap-voor-stap uit en zo ontdek je dat we geen andere keuze hadden, en ik ben ervan overtuigd dat iedereen in onze positie hetzelfde gedaan zou hebben.

Ik vond de religieuze thema's die sommige mensen in de groep aanhaalden erg interessant. Het mensenvlees werd bijvoorbeeld vergeleken met 'het lichaam van Christus' en het idee dat hij hen hielp overleven door – nou ja, niet door zichzelf op te offeren, maar nagenoeg. Heeft dat een grote invloed gehad op de uiteindelijke beslissing om je medepassagiers op te eten?
Dat werd wel gezegd, maar ik weet zeker dat het voor niemand de doorslag gaf. We deden het omdat we honger hadden, we waren zwak. Jij hebt nu een soort logische uitleg nodig om het te kunnen begrijpen, maar uiteindelijk waren het onze magen die de dienst uitmaakten. We hadden geen tijd om alles rationeel te plannen – het enige waar we mee bezig waren was om van dag tot dag te overleven in de bergen. We hadden geen gereedschap, geen ervaring met bergbeklimmen, we hadden nog nooit eerder sneeuw gezien, we wisten niet hoe we moesten overleven, we waren er totaal niet op voorbereid. Dus alles wat we deden was instinctief, en door van alles te proberen – en het honderdduizend keer fout te doen – leerden we gaandeweg.

In 2013 keerde Pedro terug naar de bergen

Ik heb begrepen dat er, kort nadat jullie gered waren, een persconferentie was waarbij jullie eigenlijk gedwongen werden om toe te geven dat jullie je schuldig hadden gemaakt aan kannibalisme. Hoe reageerden mensen daarop?
Nou, het nieuws was al uitgelekt, dus er werd al over gepraat. Sommige van onze ouders wilden het gewoon niet geloven. Wij hebben simpelweg gezegd: 'Ja, we hebben het gedaan' – en dat was het. Verder hoefden we er niets aan toe te voegen. Toen we eenmaal erkend hadden wat we hadden gedaan, werd er luid geapplaudisseerd. En de families van degenen die uiteindelijk niet terugkwamen hadden er ook vrede mee. Veertig jaar lang is het geen issue geweest. Iedereen wist dat het voor ons 'normaal' was geweest: we hadden ook niet verwacht dat het een issue zou zijn, want op dat moment ben je met heel andere dingen bezig – met overleven. We zijn ons er in ieder geval niet anders door gaan voelen.

Inmiddels zijn we veertig jaar verder. Denk je nog vaak terug aan de berg en jullie ervaringen?
Nou, ik denk er vrijwel nooit aan – behalve dan wanneer ik erover praat, zoals nu, maar het is niet iets wat spontaan naar boven komt. Zoals ik al eerder zei, ik heb er ook nooit nachtmerries over gehad. We hadden er vrede mee.

Sinds dat applaus hebben we een rustig en normaal leven kunnen leiden. Ik zal niet doen alsof het helemaal geen effect op me heeft gehad, want het is natuurlijk wel een trauma. Een trauma begint wanneer je niet weet hoe je ergens mee om moet gaan. Wij wisten wel hoe we ermee om moesten gaan, omdat we nooit gemarginaliseerd zijn, of ergens van beschuldigd zijn: niemand heeft ooit met een vingertje naar ons gewezen. Ik ben naar een goede universiteit gegaan, ik heb goede banen gehad, ik heb een leuke familie: de berg maakt deel uit van ons verleden, maar speelt nu geen rol meer. Het punt is dat ik denk dat we allemaal een normaal leven hebben kunnen leiden. Ik denk dat dat bewijs is dat mensen van nare dingen in het verleden kunnen herstellen.

Jullie leiden nu normale levens, maar degenen die het niet overleefd hebben hadden ook normale levens kunnen leiden.
Ja, natuurlijk. De jongens die het niet gehaald hebben, zijn hier nu niet meer en dat is altijd de grote vraag geweest – waarom wij het wel overleefd hebben, en zij niet. Maar dat is een religieuze of morele of ethische kwestie, iedereen heeft daar een ander antwoord op. Ikzelf heb er helemaal geen antwoord op.

'Into the Mountains' is nu verkrijgbaar.