Hoe word je een Al Qaida-strijder?

Nou, je hebt eigenlijk alleen een Kalasjnikov nodig.

|
19 maart 2013, 8:30am

Foto door Andreas Stahl

Het is begin januari als ik voor de derde keer afreis naar Syrië. Samen met een Zweed en een Amerikaan verblijf ik bij een vriendin in Atma, een klein dorpje in bevrijd Syrisch gebied.

Het stikt er van de jihadi, de naam die Bin Laden gaf aan moslims die uit geloofsovertuiging de wapens oppakken. Afghanen en Pakistanen met volle baarden, Russen uit de Kaukasus die met gesluierde vrouwen over straat slenteren en zelfs Engelse jongens die met klem ontkennen dat ze uit Engeland komen.

In provisorisch opgezette tentjes bij een rotonde drinken ze thee en eten ze lamsvlees, hun Kalasjnikovs losjes om hun schouder hangend of rustend tegen een plastic tafeltje. Af en toe vertrekken er een paar in pick-up trucks naar het front. Ik vraag me af hoe ze er op zijn gekomen om hun leven te wagen voor een revolutie in een land dat niet het hunne is.

“Wat we ook zeggen, jullie schrijven toch alleen maar dat wij terroristen zijn,” zegt de enige jihadi die we een paar vragen mogen stellen. De broer van onze vriendin, een wapenhandelaar die iedereen in het dorp kent, lacht als we hem vragen om een interview te regelen. Dan maakt hij het gebaar van een hoofd dat wordt afgesneden en vervolgens wegrolt.

Dan vraagt hij of we samen met hem een paar Kalasjnikovs naar zijn oom willen brengen. Zwaar bewapend lopen we door het dorp. Telkens als we jihadi's passeren, zwaaien ze. We maken een praatje met een overgelopen piloot en strijders uit Aleppo.

Wanneer mijn Amerikaanse vriend een Soedanees in een jeep om een interview vraagt slaat de sfeer om. Hij laadt zijn Kalasjnikov door en vraagt of we Russische spionnen zijn. Pas na tussenkomst van de wapenhandelaar vertrekt hij.

De volgende dag belt het lokale ziekenhuis op. Er is een Soedanese jihadi langs geweest die naar ‘de Amerikaan’ heeft gevraagd. Ze raden ons aan om binnen te blijven. Als we toch even naar buiten sneaken om sigaretten te kopen, stopt er een pick-up truck met een Brits sprekende Somaliër naast ons. “Waarom droegen jullie gisteren wapens?” vraagt hij luid. “Als jullie journalisten zijn, waarom droegen jullie dan wapens?” Dan rijdt hij woest weg.

Er zijn nu twee weken voorbij. Nu de nood hoog wordt, wil de wapenhandelaar ons ineens wel helpen. Diezelfde avond regelt hij een ontmoeting met een paar jihadi's. “Om de lucht te klaren,” zegt hij lachend.

We ontmoeten een Syriër met een lange dunne baard, die zich heeft bekeerd tot de streng islamitische Moslimbroederschap. Met zijn vinger in de lucht roept hij: “Wij zijn de zonen van Bin Laden.” Drie jongens om hem heen kijken schaapachtig toe. “Jullie zijn, net als wij, zonen van Abraham”, vervolgt hij. “We delen in de kern hetzelfde geloof. Wees niet bang voor ons.” Daarna vertrekt hij, zonder vragen te beantwoorden.

Het voelt als een gemiste kans. En ook de lucht met de jihadi’s blijkt nog niet geklaard. De volgende dag staat er een bebaarde Engelsman met een accent uit Manchester naast de auto. Zonder te vragen neemt hij een foto van ons en vraagt hij wat we in Syrië doen. Als we zeggen dat we voor fotoagentschap Scanpix werken, verstaat hij scampix. “You fool!”, reageert hij dreigend.

Onze Syrische vriendin, die ook in de auto zit, zegt dat de Brit haar land moet verlaten en dat hij beter Arabisch moet leren spreken. Hij antwoordt dat dit ook zijn revolutie is, maar in zijn ogen is een lichte teleurstelling te zien. Ook hij vertrekt weer snel.

Opnieuw moet de lucht worden geklaard, vindt de wapenhandelaar. Deze keer nodigt hij een 25-jarige Rus met vlassig baardje uit, die in Afghanistan, Libië en Syrië heeft gevochten. Terwijl hij zijn Kalasjnikov uit elkaar haalt, drinkt hij thee. “Jij komt uit Nederland? Dat is niet goed. Daar trouwen mensen met dieren.” Daarna merkt hij achteloos op dat hij niet met niet-moslims spreekt.

Toch deelt hij ongemerkt flarden van anekdotes en lessen: “Ik vecht omdat de heilige strijd een onderdeel van mijn geloof is. Niemand helpt mijn Syrische geloofsgenoten in hun strijd tegen een brute dictator. Moslims worden hier afgeslacht. Wanneer dit gebeurt is het gerechtvaardigd om te vechten. Ik hoop dat we succesvol zullen zijn en van dit land een islamitische staat zullen maken.''

Maar hoe veranderde de jonge Rus in een militante strijder voor de islam? “Op een dag kocht ik van mijn laatste geld een Kalasjnikov. Ik reisde naar Afghanistan en vroeg aan een Talibanstrijder waar ik Al Qaida kon vinden. “Al Qaida? Dat ben je zelf,” antwoordde hij. “Al Qaida, dat zijn mensen als jij. Buitenlanders. Zo werd ik een Al Qaida-strijder.”

Hier lees je een eerder avontuur van Lennart Hofman:

Kalasjnikovs, oud brood en kindertekeningen van schietende helikopters

Andere verhalen uit exotische oorden:

Erik vond dertien lijken in de Afrikaanse jungle en werd toen beschuldigd van massamoord

Ik was erbij toen de Maya’s vorige week de wereld niet zagen vergaan

Wapensmokkel op z'n Syrisch