Zwarte boeren raken hun land kwijt door discriminatie van de Amerikaanse overheid

“Als je je grond verliest, verlies je je hele geschiedenis.”

|
28 juni 2018, 10:51am

Foto via Flickr-gebruiker RichardBH

De relatie tussen landbouw en de Amerikaanse boer Michael Stovall is nogal problematisch. Hij is een boer uit Alabama wiens familie al vier generaties lang vee houdt en zelf heeft hij ook al tientallen jaren ervaring. Dus toen hij in het begin van de jaren negentig een boerderij met ongeveer zestig koeien in Tennessee begon, leek het erop dat het een succes ging worden. In plaats daarvan werd hij niet alleen systematisch gediscrimineerd toen bij de USDA (het Amerikaanse Ministerie van Landbouw) een lening voor zijn bedrijf probeerde te krijgen, maar werd zijn boerderij door de jaren heen ook vernield toen hij aanvocht dat hij geen lening kreeg – iets wat volgens hem door zijn huidskleur komt.

Net als ongeveer 44.000 andere Amerikaanse boeren is Stovall zwart. Hoewel de landbouw van oudsher het domein van zwarte Amerikanen was – in 1920 was 14 procent van alle boeren zwart en bewerken zij 6 miljoen hectare land – is die traditie in de afgelopen decennia vervaagd. Op dit moment hebben zwarte boeren moeite om hun boerderijen, die vaak al generaties lang in de familie zijn, draaiende te houden. Tegenwoordig is minder dan 2 procent van de Amerikaanse boeren zwart. Dit komt volgens de boeren en hun belangenbehartigers door actieve discriminatie op elk niveau. Maar ze wijzen naar de USDA in het bijzonder. Deze instantie is cruciaal om boeren van subsidies te voorzien en hun boerderijen draaiende te houden, maar ze wordt ervan beschuldigd dat ze vooroordelen jegens zwarte boeren in de Verenigde Staten in stand houdt en tradities uitwist die al sinds de afschaffing van de slavernij bestaan.

“Het is niet goed voor zwarte boeren, echt niet,” zegt Stovall. Zijn verhaal begint vier generaties geleden in Alabama met zijn overgrootvader Charlie. Michael vertelt dat de oude Stovall de zoon van een slaveneigenaar was en dat hij mede door zijn lichte huid 400 hectare grond kon vergaren, nadat hij zijn vrijheid kreeg. Na zijn dood liet hij zijn grond na aan zijn vele kleinkinderen. Elke jongen kreeg 40 hectare en elk meisje 20 hectare. Tegenwoordig is nog maar de helft van die grond in bezit van de Stovall-familie.

“Ik ben opgegroeid op een boerderij en dan zeggen ze dat ik geen ervaring heb? Dat slaat nergens op."

Michael Stovall groeide op op de boerderij van zijn ouders in Alabama en deed daar ontzettend veel ervaring op. Hij ontdekte dat hij vooral geïnteresseerd was in het fokken van koeien. In 1993 wilde hij zijn eigen boerderij beginnen, maar van begin af aan was dat zwaar. In 1994 werd zijn aanvraag voor een lening van 170.000 euro door de USDA afgewezen. Ze zeiden dat Stovall niet genoeg landbouwervaring zou hebben – hoewel hij jaren op de veehouderij van zijn ouders had gewerkt.

“Ik ben opgegroeid op een boerderij en dan zeggen ze dat ik geen ervaring heb? Dat slaat nergens op,” zegt Stovall.

Die afgewezen lening was slechts het begin van Stovalls problemen. De twee leningen die hij daarna in 1995 bij de USDA aanvroeg, werden ook allebei afgewezen. Hij had het gevoel dat hij gediscrimineerd werd, en toen hij zich erover uitsprak, stalen lokale ambtenaren van de USDA volgens hem ‘s nachts zijn vee en werden zijn kippenhokken vernield. Na jaren van juridische strijd oordeelde de USDA in 1998 officieel dat het inderdaad discriminatie was dat Stovalls leningen waren afgewezen.

“Het ministerie besloot een stap terug te doen en de aanklager niet de nodige technische hulp te bieden,” staat in de besluitbrief. “Deze stap achteruit kan worden gezien als een indicatie van de bereidheid van het ministerie om deze boer te laten falen.”

Na meer dan een 10 jaar procederen stelde de rechtbank Stovall in 2011 in het gelijk en wees hem een schikking van 230.000 euro toe. Maar toen was zijn kans op werk als boer inmiddels verkeken. Hij was in de loop der jaren genoodzaakt al zijn dieren te verkopen en zijn boerderij was sindsdien nooit actief geweest.

"Hij verdiende zijn brood door ons failliet te laten gaan, zodat hij onze boerderijen voor een habbekrats kon verkopen aan witte boeren."

Discriminatie door de USDA is iets wat John Wesley Boyd jr., een zwarte boer wiens familie ook al vier generaties in de landbouw zit, kan beamen. Tegenwoordig is hij de oprichter en voorzitter van belangenorganisatie National Black Farmer Association (NBFA). Boyd was een stadsjongen; hij woonde in de jaren zeventig in New York. Dus toen zijn ouders vertelden dat ze gingen verhuizen naar Mecklenburg County in Virginia om te helpen op de boerderij van zijn grootouders, was hij nogal verbaasd. Maar door deze ervaring ontwikkelde Boyd wel een liefde voor de landbouw. In 1983 tilde hij zijn liefde naar een hoger niveau door een eigen bedrijf te beginnen op land dat hij van zijn buurman Russell Sally kocht. Het was Sally die hem liet kennismaken met een ander aspect van de onafhankelijke zwarte landbouw: de harteloze houding van lokale USDA-ambtenaren jegens zwarte boeren.

“Succes met het krijgen van een lening,” zei Sally tegen Boyd, toen hij hem waarschuwde voor de plaatselijke afdeling van de Farmers Home Administration (FHA), de voormalige USDA-instantie die toentertijd leningen verstrekte aan arme boeren. “Ik kwam erachter dat hij gelijk had,” vertelt Boyd. “Ze waren niet geïnteresseerd in leningen verstrekken aan Afro-Amerikaanse boeren.” De mensen die verantwoordelijk waren voor kredietverstrekking werkten destijds zwarte boeren actief tegen. De ambtenaren hoopten zo dat de zwarte boeren hun bedrijven moesten sluiten en dat witte mensen ze konden overnemen. Over zijn kredietverstrekker zegt Boyd: “Hij verdiende zijn brood door ons failliet te laten gaan, zodat hij onze boerderijen voor een habbekrats kon verkopen aan witte boeren.”

Aanvankelijk dacht Boyd dat alleen hij en zijn buurman het doelwit waren van discriminatie. “Ik dacht dat het alleen mij en meneer Sally trof,” herinnert hij zich. Maar nadat hij met andere zwarte boeren in de omgeving sprak, besefte hij dat zwarte boeren systematisch werden benadeeld. Een aanvraag van een witte boer werd binnen 30 dagen verwerkt door de FHA. Maar bij een aanvraag van een zwarte boer duurde dat regelmatig meer dan 300 dagen. Hierdoor kwam het vaak voor dat het geld van zwarte boeren opraakte en ze hun grond kwijtraakten.

Met deze nieuwe kennis begon Boyd lokale boeren te organiseren en rechtszaken aan te spannen door het hele Zuiden. De latere oprichting van de NBFA was een manier om deze rechtszaken verder te formaliseren. Toen die zaken werden afgewezen, begon hij groter te denken en raakte hij in 1999 uiteindelijk betrokken bij de rechtszaak van Pigford tegen Glickman. Dit was een historisch groepsgeding dat tegen de USDA werd aangespannen, omdat zij zwarte boeren tussen 1981 en 1996 zouden hebben gediscrimineerd bij de toewijzing van leningen en steun. De verwachting was dat het om ongeveer 2000 mensen zou gaan, maar bij uitspraak van 1999 werd duidelijk dat meer dan 13.000 boeren recht hadden op compensatie. In 2009 kwamen daar nog eens 70.000 mensen bij, die samen 1 miljard euro kregen.

“Dit alles gebeurde in een periode van dertig jaar. Het was dus een heel, heel lang gevecht,” zegt Boyd. “De oneerlijke behandeling van zwarte boeren was jarenlang niet zichtbaar. Het werd niet opgepikt door de burgerrechtenbeweging, maar het had juist centraal moeten staan.”

"Als je je grond verliest, verlies je je hele geschiedenis."

Hoewel de vooruitgang die is geboekt met Pigford v. Glickman monumentaal was, zegt Boyd dat zwarte boeren het tegenwoordig nog steeds zwaar hebben – vooral als het gaat om het behouden van hun grond. Er zijn steeds meer financiële beperkingen en grote commerciële boerderijen zetten steeds meer druk om meer grond te kopen om nog meer sojabonen en maïs te kunnen verbouwen.

“De grootste uitdaging van dit moment is de mentaliteit van de nieuwe regering en manier waarop zij zwarte boeren behandelen,” zegt Boyd. “Ze hebben meerdere stappen terug gedaan in de relatie tussen Afro-Amerikaanse boeren en de overheid; er is geen dialoog meer. Het wordt voor zwarte boeren steeds moeilijker om leningen te krijgen en om mee te doen aan programma’s van de USDA. Ik zou zeggen dat we op dit moment terug in de tijd gaan met onze verstandhouding.”

Gelukkig zijn er organisaties als FARMS, die onder andere als doel heeft om zwarte boeren te helpen hun land te behouden. Aan het hoofd van deze pro-deo-rechtsbijstandsorganisatie staat Jillian Hishaw, een advocaat die gespecialiseerd is in landbouw. Zij heeft ook Stovall, de veehouder uit Alabama, bijgestaan. Een van de grootste uitdagingen voor het behoud van de traditionele zwarte landbouw heeft volgens haar te maken met het simpele feit dat veel boeren vergrijzen: de gemiddelde boer is tegenwoordig 55 jaar of ouder. Als die boeren naar een verzorgingstehuis gaan, kan er een pandrecht op hun boerderij worden gevestigd om betalingen te innen.

“Steeds meer oudere boeren verliezen op deze manier hun familieboerderij,” zegt Hishaw. “Bij FARMS willen we ervoor zorgen dat de boeren een soort vastgoedplan krijgen, zodat de grond op de juiste manier binnen de familie wordt overgedragen en niet verloren gaat.”

Boyd van de NBFA benadrukt dat de grond van zwarte boeren zwarte rijkdom is. En het moet ook zwart eigendom blijven, ondanks de systematische obstakels die worden opgeworpen. Hij begint zijn eigen zoon steeds meer bij de dagelijkse taken op zijn boerderij te betrekken en dringt er bij de volgende generatie op aan om op hun land te blijven werken.

“Als je je grond verliest, verlies je je hele geschiedenis,” zegt Boyd. “Ook al is het soms moeilijk, ga het niet uit de weg. Werken in de landbouw is erg zwaar, maar het is absoluut de moeite waard. We geven niet genoeg erkenning aan de mensen die het doen."

Volg MUNCHIES op Facebook, Instagram en Flipboard.