Advertentie
Boekenweek

'Het Wolfgetal' is het verhaal van een losgeslagen pubervriendschap

Laura van der Haar schreef een roman over de ontspoorde ontdekkingsreis van twee vriendinnen. Lees hier een voorpublicatie.

door Laura van der Haar
14 maart 2018, 11:20am

Omdat het Boekenweek is verschijnen deze week op VICE een aantal voorpublicaties van romans die jouw aandacht verdienen. Maandag kon je al een hoofdstuk uit Na Mattias van Peter Zantingh lezen, en hieronder lees je een fragment uit Het Wolfgetal, de debuutroman van Laura van der Haar die vorige week verscheen bij uitgeverij Podium.

Het Wolfgetal is het verhaal van twee meisjes die opgroeien buiten de stad, en op een losgeslagen ontdekkingsreis gaan naar de wereld en zichzelf. Ze verleggen hun grenzen steeds verder, tot het onherroepelijk misgaat. Mocht je na het lezen van onderstaand fragment benieuwd zijn geworden naar de rest van het boek, koop Het Wolfgetal dan in de boekwinkel of hier op het internet.


ZAAKNUMMER 1997.09.01.1.06
LICHAAM IN BINNENWATER

‘Kijk jij weleens naar je kutje?’ In het licht van de zaklamp is Vikki’s mond een nog gemenere kloof, alsof het linkerdeel er in één keer afgerukt is, rats als een pleister. Er zit nog maar een klein restje lip, dat rafelend overgaat in de volle rechterhelft van haar mond. ‘Wat lach je nou?’

Alsof ik het woord ‘kutje’ nooit eerder gehoord heb inderdaad. ‘Iedereen doet dat hoor. Heb je een spiegel? Geef eens een spiegel.’ Vikki trekt haar onderbroek omlaag en ik moet mijn wang tegen de houten vloer drukken om goed te kunnen kijken, maar als ik al iets zie weet ik nog niet hoe het nou zit. Het ziet er ongeveer hetzelfde uit als bij mij, een slordig mondje in een minder slordig mondje, frommelig als Vikki’s echte mond.

‘Nee o nee shit!’ Ze slaat haar hand voor haar mond. ‘Omdat ik zo zit het spijt me zo sorry…’ En terwijl ze nog een paar keer sorry jammert pletst er een brede straal over mijn spiegeltje. Ronddwarrelend stof vermengt zich in de lichtbundel met Vikki’s pies, het zweeft op dezelfde manier, mistig. Haar plas verzamelt zich heel even binnen de rand van het spiegeltje en gutst dan over de vloerplanken, trekt een donkere baan over het ronde tapijt en loopt door tot aan de muur met mijn Boomerang-kaarten. ‘Snel pak dan iets!’ Op haar hurken kijkt ze om zich heen, beduusd, alsof ze nu pas doorheeft dat er bij haar van onderen iets gebeurd is, er tikken nog twee druppels op mijn spiegeltje, vrolijk wel, pok-ploink gaat het, licht en snel.

Het enige binnen handbereik is mijn opgevouwen pyjama met de drukknoopjes. Vikki veegt zichzelf ermee af en hinkend met haar onderbroek rond haar enkels dept ze de spiegel droog en dan de houten vloer, daarna boent ze driftig het geknoopte tapijt. Schoner wordt het er allemaal niet van, maar nu ze zo op haar knieën zit kan ik wel haar kutje echt goed zien. ‘Ik denk toch niet dat ik hier kan slapen,’ verkondigt ze ineens, alsof ze er ook al helemaal zeker van is.

‘Hoezo niet?’ Mijn stem schiet omhoog als limo door een rietje. Ze mag niet nu al weg.

‘Slaap jij hier wel goed dan?’ Met wijdopen mond kijkt ze me aan, wat er door die halve lip veel te expres uitziet, en mikt de natte pyjamaprop in de hoek. Ze veegt haar handen af aan het beddengoed en trekt dan pas haar onderbroek omhoog, hij is van hetzelfde blauw als de letters van de Bram Ladage, met aan de bovenkant rafelend elastiek. ‘Het zit hier tjokvol!’

‘Tjokvol wat?’ vraag ik en praat er direct weer overheen, want Vikki’s moeder heeft een gave, die kan geesten naar zich toe halen of zoiets, waar mijn ouders de slappe lach om hadden toen ze dachten dat ik ze niet kon horen.

Midden in de nacht vraagt ze of ik al slaap.
‘Nee niet echt.’
‘Oké.’

In het logeerbed naast me ligt ze zachtjes te zuchten, de pasgewassen lakens kraken stijfjes zoals sneeuw ook kan kraken wanneer je daar de eerste op bent.
‘En nu, slaap je nú?’
‘Nee nog niet.’ De geluiden om mij heen worden wel weer kleiner, zelf word ik ook steeds wat kleiner, duikel weg in mijn kussen. ‘Zou je je ouders please wakker kunnen maken,’ vraagt ze dan zo hard dat ik direct rechtop zit, ‘zodat ze me naar huis kunnen brengen?’

Mijn vader, die een trui over zijn pyjama aantrekt en midden in de nacht de auto start. Mijn broertje, die ook naar beneden komt en mijn moeder, die mij weer in bed stopt en vraagt wat hier nou weer gebeurd is.
‘Beker water,’ lieg ik.
De koplampen van onze Volvo over het pad, het knerpen van het grind, de koplampen op de wilgen, op het betonnen vlak van het bruggetje en dan met een wijde boog linksaf, de dijk op. Vanuit mijn raam kan ik de lichtbundels nog een klein stukje volgen, ze stompen als een stroboscoop door de bomen tot het bordje 200 loswal naast het aquaduct. Vikki zit voorin en verdwijnt uit het zicht en het donker dat overblijft lijkt ineens veel voller.

De volgende morgen ben ik al wakker voordat mijn moeder me komt halen voor het ontbijt. In de woonkamer staat de televisie aan, net als gisteren, terwijl die anders nooit aanstaat ’s ochtends. Er zijn flatgebouwen in beeld, hoger nog dan de flats verderop. Mijn moeder stamelt dat het heel, heel erg is, volgens mij huilt ze. Ik vraag of zij iemand kent in de Bijlmer, waarop ze antwoordt dat ik maar niet moet kijken. Ze legt alleen geen hand over mijn ogen, zoals bij mijn broertje wanneer de oorlog op het journaal is.

Het betreft het lijk van een vrouw in staat van vorderende ontbinding.

Ik vraag me af welke posters zij op haar kamer heeft en hoe een moeder die met doden praat eruitziet, maar het meest benieuwd ben ik naar wat ze van mijn cadeau gaat vinden. Bij Friûl, waar ze potpourri verkopen van gedroogde sinaasappelschijfjes en ook zeepjes en sieraden, heb ik drie platte blauwe steentjes uitgezocht, een vierkante kraal met de letter V, een zilveren hangertje dat rinkelt, vier ronde en vier langwerpige houten kralen zodat ze die om kan wisselen en nog twee zakjes gemixte. De verkoopster had duidelijk geen zin om steeds zo lang op mijn keuze te wachten, maar ik ging Vikki blij maken. Daarom heb ik er van mijn eigen geld ook nog een spiegelende klaparmband bij gedaan en de kralen in het kistje gestopt waar ik altijd de balletjes van mijn vulpenvullingen in bewaar.

Met een grote strik in haar haren doet ze de deur open. Ze lijkt op Minnie Mouse – Vikki Mouse! – en ondanks die strik hangen er nog steeds krullen voor haar ogen, ogen die fonkelen alsof ze stiekem al veel ouder is. Meer nog dan op Minnie Mouse lijkt ze op iemand die ergens de baas is.

‘Wat fijn dat je er bent!’ Zonder Margje, die tegelijkertijd door haar ouders wordt afgeleverd, ook maar aan te kijken pakt Vikki mijn hand en troont me mee naar de woonkamer. Het plafond is twee keer zo hoog als bij ons thuis en in het midden van de ruimte hangt een dik fluwelen gordijn. Daarachter slaapt haar moeder.

Op het pakpapier heeft mijn moeder nog een gelukspoppetje uit Nicaragua geplakt, als extra cadeautje. Nicaragua moet wel het mooiste land ooit zijn, want zelfs op hun postzegels staan alleen maar bloemen en vlinders. Vikki scheurt het pakpapier open en verfrommelt het met popje en al. ‘Dank je!’ Ze werpt een vluchtige blik op het kistje met kralen en de klaparmband en legt alles dan op de keukenbar, tussen de fles 3ES-Sinas en een donkerblauw pakje sigaretten. Haar moeder zie ik nergens, maar Vikki zegt dat we zo gaan beginnen met Doen-durven-of-waarheid en dat we zoveel eten moeten pakken als we op kunnen. Er staat een schaal Wokkels op de bar, neppers aan die lichte kleur te zien, en ernaast ligt een hele berg Lange Jannen. Ik schuif mijn kistje iets verder van de rand af en heb nu al zin om aan mijn broertje te vertellen dat ik een vriendin heb die elf is.

Twee dagen later is er post voor mij en ditmaal niet van de Pennie Rekening. Hoi vriendin! Ik wilde je nog even laten weten dat ik jouw cadeau het allermooist vond. Ik heb nog een verrekijker gekregen en bij elkaar dertig gulden, die gaan we samen uitgeven en dan delen we alles. Liefs, je Vikki

Er was sprake van wasvrouwenhuidvorming aan handen en voeten.

Het kunststof bankje bij de jachthaven heeft in de hens gestaan, maar het overgebleven zitvlak biedt nog precies genoeg plek voor ons twee, dicht op elkaar. Verderop klotst het water tegen de kant en bij iedere windstoot strijken haar krullen langs mijn gezicht, ze ruiken naar haren, binnenhaar, er zit een vleugje rook in, slecht opgedroogde kleding en braadolie. Daar ruik je nu duidelijk de wind doorheen.

Door haar verrekijker is de overkant van de Plassen precies even niksig als zonder, alleen word je er door die kijker ook misselijk van. Jammer dat we de zon nergens zien.
Ik rochel, de jenever maakt taai slijm los achter in mijn keel.
‘Nou niet zo zuinig zeg, straks wordt het leuk hoor, echt beloofd.’ Ze zet de fles opnieuw aan haar lippen en even later ligt ze op haar rug in de berm zachtjes heen en weer te wiegen, eerst haast onhoorbaar en dan weer luidkeels neuriënd.
‘Muuuuuuhuh,’ humt ze, of zoiets.
‘Wat?’ probeer ik haar beter te verstaan.
‘Mwuuuuhaha!’
‘Watte?’
‘Wieeeeeuw!’
Ik por in haar zij en trek haar arm omhoog, maar die kwakt als nat afbakstokbrood weer op het gras.

Thuis smeert mijn vader een boterham voor me omdat ik pips zie. Mijn hart klopt op allemaal plaatsen tegelijk en ik kan geen antwoord bedenken op de vraag wat ik erop wil, dus zeg ik niks en staar naar de broodplank. Het zuurdesembrood snijdt hij veel te dik af en de appelstroop smeert hij er weer te dun op, maar ook daar zeg ik niks van want hij weet zich toch al niet zo goed raad nu mama een weekend op cursus is. Net heeft hij me uitgelegd hoe een elektromotor werkt en ik denk niet dat hij doorhad dat ik niet luisterde.

Buiten suist voorbij, alles is daar zo’n beetje van dezelfde kleur. Het grindpad heeft de kleur van de lucht. De stammetjes rond de tuintafel hebben de kleur van het grind. Zelfs de vogel die heel stilletjes op de rand van de tafel zit te niksen heeft die kleur, de kleur van niks. Ik snap niet waarom ik dat nou weer grappig vind.

Op hun binnenplaats, waar een dun laagje rijp over de brede grindtegels ligt, werkt ze aan een kunstwerk: ze heeft lieveheersbeestjes in haar broodtrommel verzameld en drukt die een voor een aan de doorns van de struik. Alsof het punaises zijn in de nokbalk van mijn kamer, zo langzaam drukt ze. Bij sommige lieveheersbeestjes trilt er nog een vliesje onder de vleugel vandaan, maar de meeste zijn compleet verfrommeld. ‘Kijk nou toch!’ Ze doet een stap naar achteren om haar creatie nog een keer door samengeknepen wimpers te bekijken, in de verder kale struik prijken als je goed kijkt tientallen rode stipjes. Vikki’s afgeratste lip welt op van trots. ‘Vind je het niet prachtig? Leuk was het hè, gister?’

Ik doe alsof ik het op zijn minst normaal vind dat ze niet meer kon lopen en dat gaat me hier naast haar eigenlijk heel gemakkelijk af. Zelfs die lip is inmiddels gewoon een lip. Ze heeft vandaag hetzelfde kapsel als dat meisje uit ‘Please Don’t Go’ van Double You, die met die blonde haren, en die losse krullen vind ik gelijk ook het allermooist aan Vikki. Plus haar wimpers, dik en zwart. Zij vindt mijn polsen het mooist aan mij en misschien ook mijn neus, maar die kan nog veranderen.

‘Wil je er ook eentje doen?’ Vikki schudt haar broodtrommel met de lieveheersbeestjes heen en weer en door het droge ketsen van die glimmende lijfjes tegen het plastic wordt mijn keel bovenin steeds iets dikker. Ik kuch en zodra Vikki het deksel opent vliegen er twee exemplaren onhandig zwenkend uit, pok tegen de muur gaat er eentje en de ander vliegt met een slordige lus direct weer het bakje in.

‘Nee dank je.’ Gauw neem ik het bakje van haar over en leg het gekanteld in het struikgewas. ‘Ik haal ze uit het raamkozijn, daar zitten hun nestjes in de winter. Is het je weleens opgevallen dat lieveheersbeestjes zo mooi doodgaan?’ Ze kijkt me aan met haar hoofd een beetje schuin, zoals de hond van oma wanneer die iets geks hoort. ‘Misschien wel het mooist van alle wezens. Gewoon zo met hun pootjes.’ Houterig kruist ze haar armen voor haar borst.

Er was sprake van loslaten van de huid en groene verkleuring met blaarvorming.

Ons huis plus de rotonde kun je niet echt een wijk noemen, ook niet samen met de Griendhoeve en het boerenwinkeltje, zelfs niet met het laatste rijtje huizen voor de weg weer omhooggaat. Dit is geen wijk, maar gewoon één straat die erbij ligt als het gebit van Dikke Henry. Twee of drie grote huizen, nog redelijk recht, maar de rest is brokkelig, vooral dat rijtje kleine huizen verderop, ingezakt en rot. Eén heeft een billboard voor zijn gevel: rotor. onderdelen. Dat staat er.

Bij ons in de tuin hoor je vooral de auto’s op de dijk en het nagalmen daarvan in de vangrail. Als de wind verkeerd staat ook het suizen van de afvalverwerker. van afval naar grondstoffen naar energie staat er op hun vrachtwagens en soms hoor je zelfs de machines achteruitrijden en de meeuwen schretten, alsof we hier verdomme aan zee zijn, vindt mijn vader. Maar Vikki woont aan de overkant van de dijk, dus haar wijk wordt nu ook steeds meer de mijne.

Als ik haar wijk moest beschrijven zou ik zeggen dat de ontwerper wel wat meer fantasie had mogen hebben, want alle straten zijn precies hetzelfde. Eigenlijk heeft die ontwerper maar één keer iets ontworpen: een rij huizen van vieze baksteentjes met oranje pannen erbovenop, die veel te groot lijken voor alles wat eronder zit. En dat heeft hij toen keer twintig of dertig of veertig gedaan, met smalle poortjes ertussen.

De algaanslag zit tot brievenbushoogte tegen de voordeuren en in iedere gevel zijn diepe verticale luchtgaten verwerkt. Als je daardoorheen naar de kelders probeert te kijken moet je plat op de grond gaan liggen met je handen naast je ogen. Eerst zie je dan heel lang alleen maar zwart, en daarna bonken de bewoners al op hun ruiten om te roepen wat je in jezusnaam denkt dat je aan het doen bent, optieften!

Ik moet om vijf uur thuis zijn, dus we kunnen makkelijk blijven kijken hoe Dikke Henry zijn vrouw bewerkt met de stukgeslagen ruit van de buurtsuper. Dikke Henry is de vader van Laszlo en hij zit altijd op de plastic tuinstoel naast hun voordeur. Ook als het zo koud is als nu. De stoep is precies breed genoeg voor de vier poten van dat stoeltje en Dikke Henry’s buik hangt dan over de rand, bij zijn navel staat één overhemdknoopje open, alsof dat ding anders geen lucht krijgt en zo kijkt die navel ook.

Nu is de stoel omvergeschopt tot voorbij de volgende deur en verspreid over de stoep liggen felrode vlokken schuimachtig bloed. Ik ken bloed vooral langzaam opwellend uit een verse schaafwond op mijn knie, of watervlug druppend uit mijn neus, maar zo mooi en helder als deze schuimvlokken heb ik het nog nooit gezien. Stug blijft het tegen de wind in leunen, zoals schuim dat langs de branding ligt en best nog lang overeind blijft op het harde zand. Met een takje trekken Vikki en ik de vlokken uiteen, de brosse klodders verspringen op het ritme van de zwaailichten steeds van helderrood naar dofbruin en weer terug.

Zo klein als hier de huizen zijn, zo groot zijn de gezinnen. Bij Laszlo zijn ze met zijn achten en bij Hibah die naast Vikki’s oma woont zelfs met zijn elven en dat valt niet eens op. Je kunt de bovenste verdieping van hun flat nog net boven de huizen zien uitsteken, maar van dichterbij zie je pas dat het cement brokkelig is en dat de bakstenen kleiner zijn dan de holle voegen waar ze in zitten. Hun ingang is een hoge kooi van dunne zwarte tralies. Alleen Vikki woont gewoon met haar moeder, met zijn tweeën, en hun kazerne ligt hier als een kasteel in het midden.

Rondom de wijk: afrasteringen. Doodlopende slootjes, prikstruiken, bosjes die voor eeuwig in de klit zitten. En overal rasterhekken. Alsof ze alles expres zo verwaarlozen om die hekken maar kwijt te kunnen. Afrasteringen zie je nooit in een sjieke wijk zoals bij de manege. Maar hier staan ze langs het voetbalveld, waar het op zondagochtend naar zware shag en de ola-vrieskist ruikt, ze staan langs het dijklichaam van de autoweg, langs de spoorlijn, langs de moestuintjes achter het spoor en ze liggen op hoge stapels te roesten naast het hondenveldje, waar alle molshopen zijn platgetrapt.

Ze iiiis al doooood gaat de sirene van de ambulance, terwijl de politie maar twee tonen heeft. En die staan hier nog met hun zwaailichten.
Dikke Henry moet zijn handen op zijn rug doen en Laszlo schreeuwt vanuit de deuropening dat het allemaal vuile honden zijn. Hij is een Hongaar, dat kun je zien aan zijn mangovormige hoofd. Omdat de hele straat staat te kijken vermoed ik dat hij ook op ons doelt met die honden, helemaal als hij Vikki superlang aanstaart.

‘Gód-verre-dómme!’ roept mijn vader in de keuken en mijn moeder roept hee! vanaf de bank. In plaats van in de wortel heeft hij in zijn duim gehakt en nu rommelt hij in het kastje boven de afzuigkap naar de verbandtrommel.

Buiten het bereik van de kinderen bewaren! riep mijn moeder toen papa na de dood van opa alle strips morfinepillen in die verbandtrommel stopte, en daar liggen ze nu nog steeds.
Toen we ze aan Pino gingen voeren vanwege zijn kanker heb ik er snel een in mijn bureaula gelegd. Het was niet mijn schuld van die kanker, niemand heeft ooit kanker gekregen van M&M’s, ook ratjes niet: deze kanker kwam uit het laboratorium.

Het zou de mooiste dag van Pino’s leven worden, beloofde mijn vader. We zaten op de overloop terwijl ik toekeek hoe mijn ratje het broodballetje met de fijngestampte morfinepillen dankbaar opat. Dwars door haar roze lipjes liep een verticale kloof, veel netter dan bij Vikki. Heel lang deed ze niets, toen ging ze even rennen en bonkte met haar kop tegen de vlizotrap, tok, toen leek het alsof ze alleen nog maar links af kon slaan en toen was ze dood. Ze lag op haar goede zij met de bult kanker omhoog, zo groot als een reuzenbonk was die bult of misschien wel groter nog, een megakankerbonk die trots zijn overwinning op haar lijfje leek te vieren en als ik nu de gespikkelde bonken in mijn knikkerzak zie moet ik altijd weer aan Pino denken en aan kanker.

‘Ja jongens eten!’ roept mijn vader vanuit de keuken. Hij heeft een pleister om zijn duim en tilt behoedzaam de schaal hutspot uit de oven terwijl mijn moeder gewoon weer met haar tijdschrift op de bank is gaan zitten. Als dingen niet lukken is mijn vader altijd liever, dus ga ik boven mijn broertje halen.

‘Ja jongens eten!’ imiteer ik mijn vader als ik bij Japie op de deur ram en beneden zeg ik dat Japie zo komt, zodat duidelijk is dat ik het zelf bedacht heb om te helpen. Hij heeft een halve kale kop, mijn vader, en die kale cirkel glimt nog harder dan zijn voorhoofd. Dat komt door de elementen, zegt-ie. Voor de helft dan, want onder die cirkel zit gewoon een rand dik en goudachtig haar, hij is net een kwaaie Herman van Veen met dat kapsel. Leunend tegen de muur naast de koffiemolen volg ik zijn bewegingen. Hij wappert met zijn hand als de pannenlap blijkbaar te heet is, de schaal bonkt op de onderzetter en dan kijkt hij even naar de borden op tafel, naar de glazen schaaltjes naast de borden en de bak met sla en de kan met water.

Rangrangrang doe ik zo zacht mogelijk aan de bonenmaler. In de verte de kleine kerk en de huizen langs de stadsrand, met mijn ogen dicht zou ik ze nog uit kunnen tekenen. Schuine daken die samen slordig zigzaggen, een molen, duizend hekjes en dan de eerste flat. Dichterbij de kuilbult onder dekzeil en autobanden, die krijgt Smit gratis bij de sloop, honderden heeft hij er, de grootste banden liggen beneden en de kleintjes bovenop. Geen gezicht volgens mijn vader als ze niet óp die bult liggen maar ernaast, met water in de rand, waar larfjes in leven. Vanuit onze keuken zie je overdag nog net een randje weiland met grazende koeien en sukkelende meeuwen. De verzakte schuur waar we niet mogen spelen omdat het daar miegelt van de asbest, terwijl ik er nog nooit iets gevaarlijks heb gezien. Hier onder het raam: verschrompelde asters. Het gehaakte gordijn voor de bijkeukendeur, de buigbare plastic rail. Het beieren van de kerkklok, veel zachter dan de botsende pannen.
‘Heb jij dat nou weer gedaan?’ vraagt mijn vader en wijst op het bultje koffie in de opvanglade. ‘Nee?’ Het zijn altijd precies de verkeerde dingen die hem opvallen.


De 83ste editie van de Boekenweek vindt plaats van zaterdag 10 maart tot en met zondag 18 maart en heeft Natuur als thema.

Op 18 maart, de laatste zondag van de Boekenweek, kunnen reizigers traditiegetrouw op het vertoon van het Boekenweekgeschenk gratis met de trein reizen.