Motherboard

Als Nederland wil overleven, moeten we wereldwijd klimaatbeleid aanjagen

In het laatste deel van ons klimaat-drieluik kijken we wat Nederland kan doen om de wereldwijde temperatuurstijging zoveel mogelijk te beperken.

door Rolf Schuttenhelm
22 mei 2019, 8:48am

Illustratie: Dymphie Huijssen

In dit klimaat-drieluik bespraken we eerder de grote problemen die Nederland krijgt als de zeespiegel in 2100 met meer dan 2 meter stijgt (deel 1), en dat we de mondiale opwarming onder de 1,5 graad moeten houden als we willen voorkomen dat Nederland op termijn onbewoonbaar wordt door het mogelijk onomkeerbaar smelten van de grote ijskappen van Groenland en Antarctica (deel 2).

De mondiale opwarming onder de anderhalve graad houden vereist een enorme omschakeling in de wereldeconomie op een tijdschaal van een paar decennia. Tot nu toe stijgt de uitstoot alleen maar, dus de vraag dient zich aan: wat kan Nederland doen om het wereldwijde klimaatbeleid te versnellen, zodat we niet verzuipen?

Natuurlijk is Nederland op zich maar een klein land, en dus is onze uitstoot maar een klein deel van de wereldwijde CO2-uitstoot (ongeveer 0,4 procent). Dat is een gegeven waar tegenstanders van klimaatbeleid graag op hameren. Maar sowieso bestaat het geheel uit de som der delen: alle landen moeten reduceren. Ook kleine landen kunnen invloed hebben. Als voorbeeld opnieuw de kleine eilandstaatjes als Tuvalu. Die hebben ervoor gezorgd – zoals je in deel 1 kunt lezen – dat het officiële VN-klimaatdoel is aangescherpt. Het was 2 graden, nu is dat ‘ruim onder twee graden’ en ‘streeft’ de wereld ernaar de opwarming te beperken tot anderhalve graad.

Als 17e economie van de wereld hebben we veel meer invloed dan we denken.

In werkelijkheid is Nederland best invloedrijk. Als 17e economie van de wereld hebben we meer invloed dan de ministaatjes – invloed die wordt versterkt vanwege onze lidmaatschappen van belangrijke internationale instituties als de OECD, NAVO en EU – en dit geeft ons een veel grotere verantwoordelijkheid.

Dus: als die piepkleine eilanden al zoveel kunnen bereiken, waar moet Nederland dan wel niet toe in staat zijn? Die vraag bespreek ik met Heleen de Coninck, universitair hoofddocent Innovatiestudies en duurzaamheid aan de Radboud Universiteit. Zij is een van de hoofdauteurs van het belangrijke vierde hoofdstuk (over klimaatbeleid) van een speciaal IPCC-rapport over de 1,5 graad dat afgelopen oktober uitkwam.

“We hebben haast. Als we afwachten missen we de anderhalve graad gegarandeerd.”

Een oplossing die vaak wordt geopperd als gouden sleutel is de koolstofprijs. Zou Nederland zich ervoor in kunnen zetten dat er zo’n internationale koolstofprijs komt?

De Coninck lijkt het niet zinvol. “Het zou prachtig zijn, maar wie denkt dat het lukt om eenzelfde koolstofprijs over de hele wereld uit te rollen, leeft in een klassiek-economische droomwereld. Oliemaatschappijen als Shell en Exxon zeggen al heel lang dat ze voor één CO2-prijs zijn, in welke vorm dan ook. Maar, zeggen ze, er moet ‘een gelijk speelveld’ zijn, dus die prijs moet wel mondiaal zijn afgestemd – iet wat ze, volgens mij, zeggen in de wetenschap dat dat politiek onhaalbaar is. In het VN-klimaatverdrag moeten alle landen voor zo’n maatregel stemmen, en er zijn genoeg landen die daar echt nog lang niet klaar voor zijn.”

De Coninck verwijst voor verdieping naar het boek Planetary Economics van de Britse klimaateconoom Michael Grubb. Daarin staat uitgelegd dat er drie soorten veranderingen nodig zijn. Eén daarvan, het verbeteren van de efficiëntie, kun je met een CO2-prijs inderdaad versnellen. Maar de onderliggende transities en ‘radicale innovaties’, zoals verandering van mobiliteit, woonwijken van het gas afhalen, verduurzaming van de landbouw, zijn veel te complex om met enkel CO2-beprijzing op te lossen.

Dus wat wel? Op nationaal niveau zijn daadkrachtige overheden noodzakelijk. Maar internationaal is Nederland te klein om andere landen te dwingen. En dus moet het daar slim en gericht samenwerken. De Coninck heeft daar wel ideeën over: je kunt de wereldwijde uitstoot opdelen in landen, maar je kunt ook kijken naar economische sectoren. De fossiele brandstoffen-industrie is een bekend voorbeeld, maar er bestaan nog een aantal andere zogeheten ‘moeilijke sectoren’ – industrieën die een aanzienlijk deel van de wereldwijde uitstoot veroorzaken, en niet uit zichzelf verduurzamen, zoals de luchtvaart. Een ander voorbeeld is de staalindustrie. Die sector staat bloot aan moordende internationale concurrentie. Er is overproductie door grote groei van productie in China, dus de winstmarges zijn klein. Onder die omstandigheden leidt een lokale koolstofprijs alleen maar tot een verschuiving van productie, geen klimaatwinst.

Wat Nederland daarom zou kunnen doen, is het initiatief nemen voor gerichte samenwerkingen om hele sectoren te verduurzamen, zegt De Coninck. “Als we bij het voorbeeld van die staalindustrie blijven: het is heel moeilijk om in één land emissies diep te reduceren, zonder subsidies te geven [dat is staatssteun, en dat mag niet volgens internationale handelsverdragen, red]. Wat je wel kunt doen is met de landen in de wereld die een staalindustrie hebben – en dat zijn er helemaal niet zo veel – en de grote bedrijven daarin, samenwerken om grote technologische verbeteringen min of meer gelijktijdig in de hele sector door te voeren.”

Nederland kan zijn invloed gebruiken om hele sectoren zoals staal duurzaam te maken.

De Coninck licht toe hoe dat er concreet uit zou kunnen zien. Je kunt simpel beginnen: een groepje progressieve landen met forse staalindustrieën bij elkaar roepen, samen met wat bedrijven die zich groen willen profileren. Dan eerst binnen die groep het productieproces verduurzamen, bijvoorbeeld door de CO2 af te vangen of voor het smelten te zoeken naar andere hittebronnen dan steenkool. Daar is natuurlijk flink wat geld voor nodig, maar daar valt een mouw aan te passen: “In die beginfase kun je nog subsidiëren, of bijvoorbeeld een belasting heffen op de kopers van staal. En tijdelijk werken met importtarieven als het staal elders vandaan komt.”

Lukt het binnen zo’n groep om de eerste stappen te maken, dan daalt de prijs van staal met lage CO2-uitstoot. Dan kun je ook mondialer gaan kijken, zegt De Coninck. “Het gaat erom dat klimaatvriendelijk staal zo snel mogelijk de norm wordt.

“Nu is het nog ieder bedrijf en land voor zich, allemaal ten dienste van marktwerking en efficiency. Maar om onder de 1,5 graden te blijven hebben we snelle systeemtransities nodig – efficiëntieverbeteringen zijn niet meer genoeg. Ik zeg niet dat het makkelijk is, maar wel dat er meer kan worden geprobeerd. Ik schat in dat het gericht aanpakken van de moeilijke sectoren op internationaal niveau meer kan brengen dan een mondiale CO2-prijs, waar al twintig jaar zonder noemenswaardig succes over wordt gepraat.”

Met de staalindustrie van IJmuiden heeft Nederland dus niet zozeer een probleem in huis, maar juist een kans – een kans om de klimaatimpact van de hele mondiale staalindustrie terug te dringen. En dan gaat het tellen, want staal is een kwart van de industriële CO2-uitstoot. En zo kan ook bij soortgelijke sectoren (zoals cement, chemie en raffinage) één land het initiatief nemen voor mondiale oplossingen. En waarom niet Nederland?

“Een andere mogelijkheid is dat je vanuit de discussie rond Schiphol en Lelystad kijkt naar de luchtvaart: dat is een heel moeilijke sector om emissies te reduceren. Maar er liggen ideeën om bijvoorbeeld vanuit de CO2 van de staalfabriek in IJmuiden methanol te maken en dat te gebruiken als brandstof voor vliegtuigen die vanaf Schiphol vertrekken.”

Zo koppel je de sectoren dus ook nog aan elkaar. “Dan heb je alleen wel heel veel hernieuwbare elektriciteit nodig, want je krijgt niet vanzelf vloeibare brandstof van CO2. Het kost veel energie, en die moet je natuurlijk duurzaam opwekken.”

Bij de vliegsector is er sowieso amper sprake van radicale innovaties, zegt De Coninck. Een probleem is ook dat geen enkel land de verantwoordelijkheid neemt voor de uitstoot. “Zelfs in de IPCC-rapporten wordt de luchtvaartuitstoot vaak niet meegerekend. De luchtvaart moet echt van zijn status aparte af.”

De Coninck voegt nog een ding toe: we hebben haast. “Als we afwachten missen we de anderhalve graad gegarandeerd.”

Als de mondiale emissies in het huidige tempo doorgaan, wordt het niet anderhalf of 2, maar 4 graden warmer tegen het einde van de eeuw. En ook als landen alle bestaande nationale emissiedoelen netjes uitvoeren stijgt de temperatuur nog steeds met 3 graden.

Dat leidt tot grootschalig afsmelten van Groenland en Antarctica en meer zeespiegelstijging dan Nederland aankan, mogelijk al tijdens het leven van de Nederlandse scholieren die nu de straat op gaan en een toekomst eisen. Zij hebben dus volkomen gelijk. We moeten meer moeite doen. En ook als klein land niet weglopen voor het moeilijke werk. Zoals inkrimping van de fossiele sector en de luchtvaart, en integrale oplossingen voor zware industrie als staal en cement – oplossingen die alleen mondiaal kunnen, maar ergens moeten beginnen.