Hoe het is om op je achtste te horen dat je depressief bent

“Toen ik net in groep vier zat, begon het voor mijn ouders een hels karwei te worden om me iedere dag uit bed te krijgen.”

door Kieron Passaway; illustraties door Owain Anderson
|
26 april 2019, 11:56am

Auteur als kind; collage door Owain Anderson.

Als je op de hoogte wil blijven van onze beste stukken zonder je suf te scrollen, schrijf je dan in voor onze wekelijkse nieuwsbrief.

Nu ik eraan terugdenk, valt alles op z’n plek. Terwijl de andere kinderen speelden, zonderde ik mezelf af. Ik was niet ondeugend, amper vrolijk en eigenlijk maar lastig te begrijpen. Het was zo moedeloos dat mensen er gek van werden. Op de basisschool was ik overduidelijk een buitenbeentje, en werd ik gepest door andere kinderen.

Op mijn achtste, toen ik net in groep vier zat, begon het voor mijn ouders een hels karwei te worden om me iedere dag uit bed te krijgen. Ik kreeg moeite met lopen, werd geteisterd door ondraaglijke hoofdpijn en bracht regelmatig bezoekjes aan de dokter. Keer op keer gisten ze naar wat er aan de hand kon zijn. Ondanks mijn neerslachtige gedrag kwam de mogelijkheid dat ik depressief was nooit aan de orde, waarschijnlijk omdat ik nog zo jong was.

Naarmate mijn situatie verslechterde, begonnen mijn ouders zich steeds meer zorgen te maken. Ze haalden me regelmatig eerder op van school en namen me mee naar huis. Uiteindelijk dachten ze zelfs dat ik misschien een hersentumor had. Er werd een CT-scan van me gemaakt, maar de resultaten leverden (uiteraard) niets op.

Zelfs de allerkleinste gevoelens van vrolijkheid die ik nog in me had, werden volledig opgeslokt door de depressie. Ik wilde alleen maar in mijn kamer zijn, met de lichten uit en de gordijnen dicht, weg van school en weg van mijn familie. Ik begreep mijn kamer, ik begreep Dragon Ball Z en ik begreep de duisternis. Dat is waar ik me oké voelde – in tegenstelling tot op school, waar ik als vreemdeling werd weggezet.

Alles wees duidelijk op een depressie, maar als kind kun je je dat nauwelijks beseffen. Je bent simpelweg nog niet zo goed in staat om op jezelf te reflecteren. Op die leeftijd kun je het wel voelen, maar is het lastiger om het echt te begrijpen of onder woorden te brengen.

Volgens cijfers van het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie heeft ongeveer 1 procent van de kinderen tot 12 jaar een depressieve stoornis, en ligt dit percentage bij adolescenten op 4 procent. In werkelijkheid zou het nog hoger uit kunnen vallen, aangezien er ook kinderen of jongeren zijn die helemaal geen diagnose krijgen. En dat is een groot probleem – zeker als je bedenkt dat depressies over het algemeen verergeren wanneer ze niet worden behandeld, en dat zelfs tot suïcidale gedachten kan leiden.

Over depressies onder volwassenen is oneindig veel geschreven, maar over depressies onder kinderen een stuk minder. En bij de informatie die er wel te vinden is, lijkt het vaak alsof het eigenlijk over volwassenen gaat, en enkel de leeftijden zijn aangepast. De Wereldgezondheidsorganisatie geeft bijvoorbeeld aan dat het een teken van depressie kan zijn als een kind snel geïrriteerd raakt en zich afstandelijk gedraagt. Dat kan zeker kloppen, maar het kan ook gewoon te maken hebben met de leeftijd.

Dat zegt ook kinderpsycholoog Stefan Lüttke. Toen VICE eerder met Lüttke sprak, gaf hij aan dat de criteria van de Wereldgezondheidsorganisatie “niet van toepassing zijn op kinderen en tieners, maar op volwassenen”. Hij legt uit dat “kinderen zich regelmatig afzonderen en proberen om onder school uit te komen”, zoals ik ook deed. “Pas als iemand zijn of haar favoriete bezigheden minstens twee weken lang laat liggen, is het tijd om te kijken waarom dat precies gebeurt.”

Psychologen en kenniscentra doen hun best om dit soort informatie te verspreiden, maar het blijft lastig voor ouders goed in te schatten wanneer er echt iets aan de hand is. Zeker als je bedenkt dat ouders graag geloven dat hun kinderen kerngezond zijn, en het gewoon maar een fase is waar ze doorheen gaan.

Toen ik in groep vier zat, besloten mijn ouders dat het goed zou zijn als ik even niet naar school zou gaan. Het was oktober, en in het nieuwe kalenderjaar zou ik een nieuwe start maken, zodat ik alsnog een gelukkig kind kon worden dat gewoon tikkertje speelde in de pauze. Ik nam dingen altijd nogal letterlijk, dus toen de klok op oudejaarsdag twaalf uur sloeg, rende ik weg. Weg van de confettikanonnen en de champagne, het huis uit en de straat door, ver genoeg om me veilig te kunnen voelen.

Op dat moment realiseerden mijn ouders zich dat er iets ernstigs aan de hand was. Ze namen me opnieuw mee naar verschillende medische deskundigen, en dat leidde ertoe dat ik werd gediagnosticeerd met depressie, antidepressiva kreeg voorgeschreven, een kinderpsycholoog kreeg toegewezen en met bezigheidstherapie begon.

De 23-jarige Charlotte had als kind ook een depressie en herkent zich in mijn behoefte om zich te verschuilen. “Ik wilde gewoon verdwijnen. Het leven leek zoveel meer slechts dan goeds in zich te hebben,” vertelt ze me in een twitterbericht. Ze had al sinds haar zevende last van een depressie, maar kreeg pas op haar vijftiende de daadwerkelijke diagnose. De jaren daarvoor werden haar problemen weggezet als typisch “prepuberaal gedrag”.

Molly zat in een soortgelijke situatie. Ook zij vertelt me via Twitter dat haar geestelijke gezondheid werd gebagatelliseerd en ze er volgens de deskundigen wel “overheen zou groeien” naarmate ze ouder werd. Het is behoorlijk zorgwekkend dat ze dit uitgerekend van artsen te horen kreeg.

De gevoelens van kinderen kunnen net zo complex zijn als die van volwassenen, maar kinderen weten vaak niet goed hoe ze ermee om moeten gaan. Volwassenen weten dat ze contact op kunnen nemen met een therapeut of er met vrienden over kunnen praten, maar kinderen hebben dit besef vaak nog niet. En dus is het belangrijk dat ze toch op wat voor manier dan ook gediagnosticeerd en behandeld worden.

Pas toen ik in een kamertje zat met een kinderpsycholoog, begon ik volgens mijn moeder over mijn gevoelens te praten en werd ik wat “normaler”, om het maar even zo te noemen. Ik had nog nooit eerder in woorden geuit hoe ik me voelde. De psycholoog zei dat ik me vaker uit moest spreken, onafhankelijk van wat mijn ouders zeiden. Volwassenen kunnen nog weleens hun eigen ideeën over verdriet op kinderen projecteren, wat de gedachtegang van de kinderen beïnvloedt.

We bedachten een simpel systeem om me meer te laten praten: ik zou mijn knuffel Simba naar mijn moeder richten als ik dat wilde. Ze wachtte vaak urenlang op de rand van mijn bed, in de duisternis, in de hoop dat ik Simba haar kant op zou draaien. Uiteindelijk deed ik dat dan – vaak om drie uur ’s nachts pas. Wat volgde was een stroom aan onsamenhangend gebrabbel over de mensen van wie ik hield, wat ik wilde doen in het leven, wie ik miste en voor wie ik bang was. Vaak praatte ik tot ik in slaap viel.

Hoewel dit een belangrijke doorbraak was voor mijn situatie, was het een zware tijd voor mijn moeder. Het zorgde er regelmatig voor dat ze moest wachten tot ik mezelf in slaap had gebrabbeld. Dan pas keerde ze terug naar haar eigen slaapkamer, waar ze zichzelf in slaap huilde tot ze weer moest opstaan om te werken. Deze routine nam haar hele leven in beslag. In haar gedachten was ik fragieler dan ooit tevoren. Ik was een kind zonder pantser, vertelt ze.

Mijn vader zegt dat hij moeite had met het feit dat depressies niet zichtbaar zijn: het is geen gebroken been of arm, een blauw oog of een hoest. Alles speelde zich in mij af. Het was niet duidelijk of het beter of slechter ging, wat hem het gevoel gaf dat er geen einde aan kwam. Hierdoor voelde hij zich vaak hopeloos en boos. Mijn moeder heeft vroeger ook last gehad van een depressie, waar mijn vader zich destijds niet in kon verplaatsen. Het kwam regelmatig voor dat hij haar situatie volledig onderschatte. Maar nadat ik mijn diagnose kreeg en hij zag hoe het mijn geest vermorzelde, begreep hij wat voor impact zo’n ziekte kan hebben.

Hoewel hij hoopte dat ik uit mijn kamer zou komen, was hij ook bang voor hoe het me in de buitenwereld zou vergaan. Hij wist dat hij niet de enige was die een onvolledig beeld van depressies had. Hij wist dat de leraren en andere kinderen niet zouden begrijpen welke innerlijke problemen me zo zwak maakten. Hij wist dat allemaal, wat hem tot op zekere hoogte ook zelf opbrak. Toen ik uiteindelijk naar school terugkeerde, kreeg mijn zus de taak om tijdens de pauzes op me te letten. Dat doet ze nu nog steeds, en mijn andere zus ook.

Dankzij de steun van mijn familie, zie ik mijn depressie nu als onderdeel van wie ik ben. Het is een buitengewoon somber, maar uniek gevoel waar ik mee heb leren leven. Ik mag mezelf gelukkig prijzen dat ik er zo’n gezonde relatie mee heb.

Molly vertelt me dat ze inmiddels een soortgelijke band met haar depressie heeft opgebouwd, hoewel ze er tegelijkertijd nog steeds onder lijdt. “Gek genoeg ben ik bijna blij dat ik het zo lang heb mogen ervaren,” legt ze uit. “Ik heb veel vrienden die er pas in hun tienerjaren mee te maken kregen, wat mij het gevoel gaf dat ik ze kon steunen zonder ze te beoordelen. Die steun heb ik als kind nooit gehad.”

Voor Charlotte is de kijk op haar aandoening nooit positiever geworden. Haar depressie werd door de jaren heen steeds heviger, wat voor een groot deel te maken heeft gehad met verwaarlozing en een gebrek aan bewustzijn. Ze werd vaak “lui” of een “dramaqueen” genoemd. Ze heeft nog altijd last van haar depressie en zelfs meerdere keren geprobeerd zichzelf van het leven te beroven.

Twintig jaar geleden was het zo goed als ondenkbaar dat kinderen depressief konden zijn. Tien jaar geleden werd het gezien als een mogelijkheid. Vandaag de dag lijken we ons te realiseren dat het vaker voorkomt dan we denken. Het is tijd dat we leren hoe we hiermee om moeten gaan.

Wanneer ik het over mijn familie heb, klinkt het misschien alsof ik ze de hemel in prijs, en wil laten zien hoeveel geluk ik heb gehad. Maar wat ik eigenlijk wil benadrukken, is hoezeer het kan helpen om iemand te hebben die naar je luistert en voor je zorgt. Ik ben momenteel helemaal gezond. Het had een stuk slechter met me kunnen aflopen, maar dat gebeurde niet. Mijn familie leerde namelijk ook zelf hoe ze met me om moesten gaan – en dat is het allerlastigste.

@HiMyNameIsKier

Dit artikel verscheen eerder op VICE UK.