Hoe cocaïne voor het eerst in Europa terechtkwam

Ooit was coke een drug voor de rijken en beroemdheden. Nu is het betaalbaarder dan ooit en in overvloed verkrijgbaar in Europa. Dat begon allemaal met een groepje Spaanse vissers.

|
24 november 2018, 9:00am

Foto: Cultura Creative (RF) / Alamy Stock Photo

Bang dat je iets van VICE mist? Begrijpelijk. Daarom hebben we een nieuwsbrief met onze beste stukken, video’s én winacties. Schrijf je in!

Afgelopen augustus werd in de buurt van de Azoren, in de Atlantische Oceaan, een schip onderschept met meer dan twee ton cocaïne aan boord. Een van de mannen die werd gearresteerd was de 85-jarige Manuel Charlín Gama, een legendarische drugssmokkelaar. Gama is lid van de Charlines-bende, en speelt een rol in de Netflix-serie Cocaïne Coast, die is gebaseerd op mijn boek met dezelfde naam.

Een groot deel van de fariña – de Galicische variant van het Spaanse woord harina, wat “meel” betekent – die uiteindelijk in Europese feestneuzen belandt, heeft een lange weg afgelegd langs de Galicische rivieren en kleine vissersdorpjes. Ik noem ze nu wel ‘vissersdorpjes’ maar het merendeel van deze dorpjes floreert door de cocaïnehandel, en niet per se vanwege de visserij.

De regenachtige regio Galicië, in het linker topje van Spanje, is niet alleen beroemd door het lekkere eten; De streek staat ook bekend vanwege z’n belangrijke rol in de cocaïnesmokkel tussen Zuid-Amerika en Europa. Het waargebeurde verhaal van hoe Zuid-Amerikaanse kartels Europa in de jaren tachtig overspoelden met cocaïne, is ook het verhaal van Galicië.

Er is een verhaal – half feit, half fictie – dat gaat over een man uit Galicië die jarenlang heen en weer reisde langs het noordelijke deel van de Spaans-Portugese grens. Iedere dag ging hij op zijn fiets langs de grenspost – niet meer dan een hutje langs de weg – met een zak steenkool over zijn schouder.

Telkens weer werd hij tegengehouden door de agenten van de grenspolitie, en werd de zak geïnspecteerd. Ze zaten daarna altijd helemaal onder het zwarte stof, maar vonden nooit smokkelwaar. Dit ging jarenlang zo door en iedere keer kon de man gewoon weer verder fietsen. De agenten wisten dat hij iets in zijn schild voerde, maar inspectie na inspectie leverde niets anders op dan steenkool. Pas jaren later kwamen ze erachter: de man smokkelde fietsen.

Dit verhaal zegt veel over Galicië en de Galiciërs. Over hun onverschrokkenheid, en de oplossingen die ze verzonnen om zelfvoorzienend te worden in deze arme, afgelegen regio, die over het hoofd werd gezien door het centrale gezag. Galicië is een aparte plek, zich wel bewust van het verschil met de rest van Spanje.

1542706666896-Cocaine_Coast_1
A still from Netflix's 'Cocaine Coast'

Dat is niet geheel toevallig. Onder het regime van Generaal Franco (van 1939 tot 1975) was Galicië een onderontwikkeld gebied, waar het leven moeilijk was. Bij afwezigheid van voedelreserves en steun van de overheid in Madrid, voorzag de lokale bevolking – vooral het deel dat aan de grens met Portugal woonde – zichzelf van de benodigde middelen, van medicijnen tot aardolie, van kookolie tot auto onderdelen en van zeep tot oud ijzer.

Smokkelaars werden de leiders van de gemeenschap. Het waren lokale helden die al snel verkozen werden tot burgemeesters, en hoge posities innamen in de regionale politiek. In de jaren vijftig en zestig begonnen ze op grote schaal met tabakssmokkel, en binnen no-time behoorden de bendes van Galicië tot de machtigste criminele organisaties in Europa. Het waren meer dan gewoon bendes, het waren stammen die sterk met elkaar verbonden waren door familiebanden.

De overstap naar cocaïne kwam in de jaren tachtig, en het was in die tijd dat figuren als Sito Miñaco, Laureano Oubinã en de Charlín-familie het toneel betraden. Het beeld onder de gemiddelde Galiciërs bleef hetzelfde: de bendes zorgden voor welvaart en creëerden de broodnodige banen. Ze waren ook op andere manieren invloedrijk. Bendeleden namen niet alleen politieke posities in, maar werden ook advocaten en machtige managers die aan het roer stonden van legitieme ondernemingen. Ze bezaten en financierden lokale voetbalclubs, organiseerden dorpsfeesten en restaureerden kerken als dat nodig was. Mensen keken naar ze op. Het was vrij normaal dat de kinderen op school zeiden dat ze op een dag smokkelaar hoopten te worden, net als papa.

De overstap naar cocaïnesmokkel was verrassend makkelijk. Begin jaren tachtig zochten kartels uit Colombia nieuwe manieren om hun product naar Europa te krijgen. De kartels hadden sterke banden met Panama, waar hun geld wit werd gewassen. De Galicische smokkelaar Sito Miñanco deed hetzelfde. Ze spraken dezelfde taal, letterlijk en figuurlijk. De Colombianen stonden versteld toen ze Galicië bezochten. Ze zagen hoe meegaand het bestuur was en waren verbaasd hoezeer de bendes geaccepteerd werden door de bevolking.

Het bondgenootschap kwam van de grond in 1984, nadat het Medellínkartel de Colombiaanse minister van Justitie Rodrigo Lara Bonilla had vermoord. De Colombiaanse overheid pikte dat niet en de leiders van het kartel moesten het land ontvluchten. Pablo Escobar trok naar Midden-Amerika. Zijn partners, de gebroeders Ochoa en Matta Ballesteros, gingen naar Spanje. De broers kwamen aan in Madrid, waar ze werden gearresteerd. In de gevangenis ontmoetten ze een paar sleutelfiguren uit de Galicische scene. De twee partijen konden het goed met elkaar vinden en Matta Ballesteros vestigde zich in Coruña, de op één na grootste stad van Galicië. De samenwerking kwam iedereen ten goede en bestaat, in hernieuwde vorm, nog steeds.

1542707121858-CEF399
Photo: Oramstock / Alamy Stock Photo

Galicië was in de jaren tachtig een paradijs voor drugssmokkelaars. De autoriteiten kregen geen grip op de bendes. Ze woonden in pazos (Galicische kastelen op grote landgoederen), reden in de mooiste auto’s, aten gratis in de beste visrestaurants en waren regelmatig te vinden in de kantoren en op de feesten van hoge politiemensen en politici. Narco-corruptie werd normaal in Galicië. De lokale drugssmokkelaars – en die uit Latijns Amerika – voelden zich onaantastbaar. Iedereen zag wat er gebeurde, maar niemand zei iets. Het resultaat was een eigen Galicische omerta. Je had geen andere keuze dan eraan mee te doen.

Er brak een tijd aan waarin een vloedgolf aan witgewassen geld de regio overspoelde. Honderden bedrijven werden opgezet met de winst uit cocaïne, direct of indirect. In Vilagarcía de Arousa, een kuststadje met ongeveer 40.000 inwoners, verschenen showrooms van exclusieve modemerken en autobedrijven.

Wat de Galicische drugshandel onderscheidt, is dat de drugsbazen nooit meer zijn geweest dan ongeschoolde dorpshoofden met een neusje voor smokkelwerk. Zelfs toen ze miljonairen werden, en in de nieuwste Ferrari’s reden, bleven ze in hun trainingspakken rondlopen en op tractors rijden over de velden die ooit zo belangrijk waren voor de inkomsten van hun families. Ze deden alsof ze strandtenten runden, waar de vrouw die de broodjes klaarmaakte een Rolex om haar pols had. De Galicische drugsbaronnen hebben altijd van kitsch gehouden.

Dit verhaal gaat door tot de dag van vandaag, hoewel de meeste opsmuk in de jaren negentig werd afgeschud. In die tijd werden de eerste, goed gecoördineerde invallen door de overheid georganiseerd. Die werden buiten Galicië opgezet door aanklager Baltasar Garzón, die later bekend werd vanwege zijn rol in de uitlevering van generaal Pinochet uit Chili. “We hopen te voorkomen dat Galicië het nieuwe Sicilië wordt,” zei hij destijds. Maar de drugshandel is uiteindelijk nooit verdwenen.

De Galiciërs vormen nog altijd de machtigste drugskartels van Spanje. Ze zijn nu terughoudender, extreem voorzichtig en discreet. Ze doen zich voor als opkomende zakenmannen en het laatste wat ze willen is opvallen. De Colombianen hebben nog steeds het grootste vertrouwen in ze. Ze hebben dan ook tonnen cocaïne uit Colombia naar het Europese vasteland gebracht.

Meer VICE
VICE-kanalen