Kunst

Ik bezocht het Volksbuurtmuseum met een volksbuurtbewoner

En beleefde hoe het is om van een beroerd arbeidersbudget rond te komen.

door Adriana Ivanova; foto's door Ryan Oosterling
11 april 2018, 9:58am

Het is heus niet zo moeilijk om een beetje cultureel verantwoord bezig te zijn - je moet vooral gewoon even met je luie reet van die bank af. En natuurlijk weten waar je al die cultuur kunt opsnuiven. Daarom is er op Creators rondom de Nationale Museumweek extra aandacht voor museumcultuur, bijzondere pronkstukken en pareltjes van musea waar je waarschijnlijk nooit eerder bent geweest, maar waar je jezelf toch echt een keer naartoe zou moeten slepen.

Een zonnige donderdagochtend. Een kwartier na openingstijd ontmoet ik Dik (69) bij de ingang van het Volksbuurtmuseum in Utrecht. “Komt u hier vaker?” vraag ik. “Zeg maar ‘je’, hoor,” antwoordt Dik. “En minder vaak dan je zou verwachten van iemand die om de hoek woont. Ik was hier voor het laatst in januari om ‘Vreemd Volk’ te zien, een expo over seksuele diversiteit in Utrecht.”

We lopen naar binnen en krijgen van de kassamevrouw een zwart, leren portemonneetje met negen muntstukken. Die mogen we straks uitgeven in ‘Beleef de Steeg’: een interactieve tentoonstelling in een nagebouwde steeg van Wijk C uit 1920 – inclusief bewoners (lees: poppen). Hier kun je rondlopen en beleven hoe het is om van een beroerd arbeidersbudget rond te moeten komen. De muntjes zijn van plastic, maar daar laten Dik en ik ons niet door ontmoedigen.

“Iedere pop vraagt geld voor een ander doel en heeft een kistje waar je een muntje in kunt doen,” legt de kassamevrouw uit. “Het zijn best grote poppen, dus soms is het even schrikken. Kijk maar of je het leuk vindt.” Ik knik, zonder dat haar disclaimer echt tot me doordringt. Dik grapt dat hij zich totaal niet op dit bezoek heeft voorbereid. “Zullen we onszelf dan maar in het diepe gooien?” zeg ik. “Ik vind het best,” zegt Dik.

Op weg naar de interactieve steeg komen we eerst langs ‘Vreemd Volk’, de expo over seksuele diversiteit. “Toen ik in Wijk C kwam wonen, vertelde ik heel open aan mijn buren dat ik homo ben,” zegt Dik. “Dat ging natuurlijk als een lopend vuurtje, maar ik heb me nooit onderdrukt gevoeld. Mijn buurtbewoners zijn heel tolerant – dat is ook wel iets dat deze wijk typeert. Hier hoor je er gewoon bij. Maar ze moeten je wel kennen.”

Volksbuurten waren er voor het gewone arbeidersvolk, die daar woonden in simpele, kleine en vaak krakkemikkige huizen. Van alle voormalige volksbuurten in Utrecht is alleen Wijk C nog bekend onder de naam die het kreeg na de annexatie van het Franse Keizerrijk in 1811. Daarvoor heette de buurt Handvoetboog, maar de Franse bezetters vonden het nogal een struggle om dat uit te spreken, waarna iedere wijk werd aangeduid met een letter. Onder Wijk C’ers staat de wijk bekend als ‘de Jordaan van Utrecht’.

Dik verhuisde als student biologie van het platteland naar Utrecht. Hij woont nu ruim dertig jaar in Wijk C en wil nog lang niet weg: “Ik hoop er met mijn dood uitgedragen te worden. Het is er gezellig wonen. Maar de sfeer is niet meer wat het was; er wonen nu veel studenten en die mengen zich niet met de rest van de wijk. Dat is jammer, want ik probeer altijd iedereen te leren kennen.”

“Vroeger gebeurde er ook veel meer bij mij in de straat; dan stond op Koninginnedag ineens Jody Bernal bij me voor de deur te zingen. Ik kende die hele jongen niet. Zegt die naam jou wel iets?” Snel lach ik het opborrelende refreindeuntje van ‘Que Si Que No’ weg, zodat het zich niet voor de rest van de dag in mijn hersenen nestelt.

We lopen naar de eerste pop, die de huisbaas voorstelt. Er loopt een bandopname waarin de huisbaas ons dringend herinnert aan onze huurachterstand, die we blijkbaar hebben. We gooien een duit in zijn emmer en Dik doet een poging tot interactie met de huisbaas. Daardoor blijven we blijkbaar nét iets te lang staan dan de bedoeling is en horen we hoe de band opnieuw begint af te spelen. Aha, geen sensoren.

We openen de groene, krakende deur ernaast en stappen regelrecht een krappe gezinswoning uit de jaren twintig in. Ik schrik me kapot als ik een kindpop met haar teddybeer aan tafel zie zitten. Chucky is er niets bij. “Jezus, dit is echt doodeng!” roep ik. Van de zenuwen begin ik te lachen. Dik lacht mee. Daarna zegt hij iets over de bedstede, maar omdat er een paar bandopnames door elkaar lopen, waaronder het gekuch van een zieke baby, heb ik geen idee wat.

Aangekomen in de keuken kijken we een tijdje onderzoekend naar het fornuis. Maar dan wordt het geluid van een krakende deur afgespeeld en zie ik in mijn ooghoeken ineens een poepende pop zitten: de vader des huizes. Opnieuw slaak ik een angstkreet. Het voelt alsof ik in een spookhuis loop. “Dit herken ik wel, zo’n grote poepdoos,” merkt Dik kalm op. “Daar heb ik nog op gezeten als kind. Mijn opa en oma hadden die op de boerderij, alleen stond-ie daar niet naast de keuken maar buiten op het erf. Ik denk dat pa blijkbaar de enige was die binnen mocht poepen. De rest van het gezin moest de kou in naar het schijthuis in de steeg.”

We lopen de voordeur van de gezinswoning uit, de steeg in. Meteen stuiten we op een aardappelschilster met een ellendig gezwel op haar gezicht. Het wordt er allemaal niet gezelliger op. Dik gaat dapper naast haar zitten, maar lollige prietpraat zit er niet in. Ze vertelt over werkloosheid, armoede en alle andere grotemensenproblemen in de steeg. Dik luistert, leeft mee en doet een gift in haar bakje.

Daarna werpen we een blik op de rumoerige steeg; er valt hier heel wat te beleven. We horen bewoners roepen en om de hoek staat een jonge koopman met voedselwaren. Ook kun je je oor op een raampje van een schijthuis drukken om te luisteren naar een man die zijn behoefte doet en in ‘plât Uteregs’ mompelt over zijn “kouwe kloten”.

Dan staan Dik en ik even stil bij Joop Poetser, de schoenmaker. “Hallo Joop!” roept Dik enthousiast, in een bewonderenswaardige poging om de tentoonstelling interactiever te maken. Pas na een minuut gaat de band lopen: “Kijk eens, je schoentjes zijn weer als nieuw.” Oké, deze ervaring vergt wat moeite; een paar sensoren hier en daar waren fijn geweest. Maar ook dat kost natuurlijk een handvol centen. En omdat ik op dit punt al veel meer waar voor mijn Museumkaart heb gekregen dan ik überhaupt had verwacht, zie ik dat even door de vingers.

In een piepklein winkeltje, tegenover de schoenmakerij, liggen garen en fournituren. O, de goeie ouwe pre-textielcontainertijden. Dik heeft iets van die duurzame tijden opgestoken: “Ik heb leren sokken stoppen, dat doe ik nog steeds,” bekent hij lachend. “En als er een knoop van m’n kleding valt, naai ik hem er gewoon weer aan.”

We lopen de tentoonstelling uit met twee munten in ons portemonneetje. “Wie hebben we nu een poot uitgedraaid?” grapt Dik. Terwijl we deze beleving even laten bezinken, werpen we een blik op een uit 1982 daterende luchtfoto van Wijk C. Ik vraag Dik of hij zijn huis kan aanwijzen, maar dat blijkt lastiger dan gedacht: “Ik mis een oriëntatiepunt. Is dit het politiebureau? Waar is die kerk die aan het water staat?” Na een paar minuten springt fotograaf Ryan bij: “Volgens mij staan wij nu hier.” “O ja, natuurlijk!” roept Dik. “Dit is nu water geworden. Hier, dit is mijn straat!"

Ik vraag Dik wat hij van de expo vond. “De benauwdheid, de armoede, dat er overal geld van je gevraagd werd – dat beeld en het leven op straat wordt goed neergezet. Hoewel de ruimtes nu al krap voelen, was het in werkelijkheid nog erger. Er moesten zo ontzettend veel mensen in een kleine ruimte leven. Nu staan er maar een paar poppen, dus daar moet je doorheen kijken.”

Richting uitgang komen we nog langs een stadsplattegrond met alle ‘roze plekken’ in Utrecht. “Kijk,” zegt Dik wijzend, “dit is het café waar ik voor het eerst verliefd werd”. En ik glimlach – ook omdat hij die plek wél meteen wist te spotten.