Cover van 'Het Hele Dorp Wist Het'
Rinke Verkerk: Heel mooi, maar ook heel spannend. Ik zag er best tegenop om haar te contacteren. Ook omdat ik me ergens afvroeg of ze irritant zou zijn, zoals ik dat vroeger dacht. Maar het was heel mooi om haar te leren kennen zoals ze echt is: een trouw, loyaal en moedig persoon. Lenneke wist wel dat ik haar benaderde als journalist, en dat ik hier iets over wilde schrijven. Maar in het begin wilde ze haar familie niet op de hoogte brengen van mijn project. Omdat haar familie haar pijn nooit echt erkende, heeft ze altijd het gevoel gehad dat ze er niet over mocht praten. Ze dacht: als mijn familie dit hoort, willen ze me nooit meer spreken. Waarom vond je het na al die jaren alsnog belangrijk om dit boek te schrijven?
Seksueel geweld is een heel groot probleem. In elke middelbare schoolklas van zestienjarigen zitten gemiddeld twee tot drieënhalf slachtoffers van seksueel geweld. Dan heb ik het uitsluitend over seksueel geweld en penetratie, niet over ander grensoverschrijdend gedrag, zoals verplicht worden om porno te kijken of online intimidatie. En dan is er ook nog eens sprake van onderrapportage, omdat heel veel kinderen er niet over praten. De cijfers overal hetzelfde: hoogopgeleid, laagopgeleid, in de stad of op het platteland, religieus of seculier, Nederlands of Turks. Het probleem is overal.
Ja, omstanders kunnen daar zelfs de belangrijkste rol in spelen.Daders hebben natuurlijk heel veel belang bij het zorgen dat hun misdaden geheim blijven. Slachtoffers geven zichzelf vaak de schuld van misbruik – dan denken ze dat ze iets hebben gedaan om de aandacht van de dader te trekken. Daar heeft een dader belang bij, want als een slachtoffer zichzelf de schuld geeft, dan praten ze uit schaamte minder snel over het misbruik. De dader en het slachtoffer zitten daardoor samen vast in dezelfde bubbel. En als omstander kan je die bubbel doorbreken.
Een omstander weet namelijk dat misbruik de schuld is van de dader en niet van het slachtoffer. Een omstander zou moeten weten dat een kind er niet verantwoordelijk voor is om zichzelf te beschermen, maar dat het aan volwassen omstanders is om hen te beschermen.“Omstanders kunnen een positieve impact hebben. Maar door de manier waarop we nu met kindermisbruik omgaan, hebben ze juist een zeer negatieve invloed. Een omstander kan niet neutraal zijn.”
Absoluut. Omstanders kunnen een positieve impact hebben. Maar door de manier waarop we nu met kindermisbruik omgaan, hebben ze juist een zeer negatieve invloed. Een omstander kan niet neutraal zijn. Dat wordt goed beschreven door Judith Lewis, een professor in de psychiatrie aan Harvard: als omstander van een conflict ben je een toeschouwer. Als je niets doet, doe je wat de dader wil. Een slachtoffer vraagt het tegenovergestelde: die wil dat er geluisterd en beschermd wordt. En vooral dat er plaats voor hen blijft in de gemeenschap. In je boek noem je de negatieve reactie van omstanders op misbruik ook wel de ‘tweede verkrachting’. Waarom?
Wanneer je misbruikt wordt, krijg je een bepaalde overtuiging over jezelf. Je denkt dat er iets fundamenteel mis is met je. Dat jij bent uitgekozen. Dat je vies en slecht bent. Dat je je moet schamen. De dader bevestigt dat ook. Als omstanders daar geen tegengeluid op laten horen, dan word je als slachtoffer bevestigd in dit denkbeeld. En dat kan diep wortel schieten. Negatieve reacties van omstanders kunnen zelfs nog schadelijker zijn dan de verkrachting zelf.
Schrijver Rinke Verkerk als kind. Ze woonde in het dorp naast Lenneke, en ging met Lenneke naar school.
Ook als je in een grote stad woont, ken je iemand die misbruikt is. Het is dan niet zo dat de hele stad ervan afweet, zoals dat wel vaak is bij een dorp – maar misschien de familie of vrienden wel. In Amsterdam heb je ook verhalen van grensoverschrijdend gedrag, op bijvoorbeeld theaterscholen. Daarvan zeggen mensen ook dat ze eigenlijk wel wisten “dat je moet opletten met die ene docent”. Die onderliggende dynamiek is overal hetzelfde.In het leven van Lenneke zijn er verschillende soorten omstanders. Haar moeder, die zelf ook misbruikt is door Leen, en haar familie. Maar ook jijzelf en de andere dorpelingen. Die staan beduidend minder dicht bij Lenneke. Ik kan me inbeelden dat vage kennissen van de familie denken: dit is iets waar ik me niet mee kan bemoeien.
Het klopt dat veel mensen zo denken. Maar bedenk dat 87 procent van de misbruikgevallen achter de voordeur plaatsvindt. Als je dus zegt: hier kan ik niets mee, het is niet mijn probleem, dan kies je partij voor de dader. Want in zo’n geval ben jij helaas de enige die het slachtoffer kan helpen. Dat je er ver van staat, is juist heel waardevol.In je boek beschrijf je hoe negatief er in de gemeenschap over Lenneke wordt gedacht. Ze is een “aandachtstrekker”, vindt zelfs de leerkracht van Lenneke. Waarom waren de dorpelingen zo onaardig over haar?
Ik denk dat omstanders vaak niets doen vanuit een gevoel van machteloosheid en weerzin. De cijfers laten zien dat het heel dicht bij jou gebeurt. Dat betekent dat kindermisbruik kan gebeuren bij mensen die heel erg op jou lijken. Dat idee vinden wij eng. We willen ons veilig voelen, dus distantiëren we ons van het slachtoffer. We zoeken verschillen tussen onszelf en de dader, maar ook onszelf en het slachtoffer. Daar komen die ideeën vandaan: “Lenneke trekt aandacht”, “ze heeft vieze pannenkoeken omdat haar familie een beetje vies is” of “ze heeft een vieze familie met een moeder die niet op haar kind let, dat zou ik nooit doen.”
Ja. En dat is ontzettend schadelijk, niet alleen voor het slachtoffer, maar ook voor ons. Want als jouw gemeenschap wegkijkt van kindermisbruik, dan creëer je voorwaarden waarbinnen misbruik kan bestaan.Het eerste slachtoffer van Leen is zijn dochter Heleen. Zij wordt in haar kindertijd jarenlang door haar vader misbruikt. Wanneer Heleen dat vertelt aan een conciërge op school, denkt hij het probleem op te lossen: hij dreigt Leen een mep te verkopen “als hij Heleen nog eens aanraakt”. Het helpt niet. Jij schrijft vervolgens: je moet seksueel misbruik niet zelf proberen tegen te houden. Waarom niet?
Nou, je moet wel proberen om seksueel misbruik te stoppen, dat was sympathiek van die conciërge. Maar je moet niet denken dat je het in je eentje kan doen. Je moet vooral niet onderschatten wat het inhoudt om seksueel misbruik tegen te houden. Die machtsdynamiek tussen een dader en slachtoffer is heel sterk. Je verbreekt dat niet zomaar. Het is daarom belangrijk dat je professionele hulp inschakelt. Je kan daar heel laagdrempelig mee beginnen, door bijvoorbeeld anoniem te chatten of te bellen met het Centrum Seksueel Geweld. Zij kunnen je advies geven. Je kan ook naar de zedenpolitie gaan voor een informatief gesprek. Je hoeft niet meteen een melding te maken, maar je bent dan in ieder geval omringd door experts die met je kunnen meedenken. Bij hen staat de veiligheid van een kind op nummer één.
Na de veroordeling van Leen kreeg Lenneke twaalf sessies groepstherapie. Maar Lennekes trauma is niet voldoende behandeld. Ze gaat er nog steeds onder gebukt.Het heeft Lenneke erg veel verdriet gedaan dat er nooit echt erkend werd wat er gebeurd is. Na de aangifte en het proces moest het “gedaan zijn”. De familie heeft niet de verantwoordelijkheid genomen voor het feit dat ze Lenneke niet beter beschermd hebben. Ze dacht: als iedereen wist dat opa zijn handen niet thuis kon houden, waarom ben ik dan met hem alleen gelaten? En waarom erkent niemand dat dat een fout is geweest?
Ook was er geen oog voor hoe pijnlijk het was voor Lenneke om in een familie te zitten waar opa bij sommige ooms en tantes ook nog steeds welkom was, op zo’n manier dat er werd gedaan alsof er niets gebeurd was. Als ze hadden erkend waarin ze tekort waren geschoten, dan had Lenneke ook beter geweten dat het echt haar fout niet was.“Het is erg belangrijk dat je als omgeving aan het slachtoffer duidelijk maakt dat ze zelf niets misdaan hebben. Je kan zeggen: ja, je opa heeft jou misbruikt. Dat was helemaal zijn fout. Daar is niemand verantwoordelijk voor, alleen opa. Die schaamte hoort bij hem. Die schuld hoort bij hem. Hij moet gestraft worden, niet jij.”
Wat slachtoffers nodig hebben, is dat ze worden gezien met hun verhaal en dat ze tegelijkertijd niet enkel hun verhaal worden. Ze zijn meer dan het misbruik dat ze hebben meegemaakt. Het is belangrijk dat een omgeving hiernaar handelt. Een slachtoffer wil er meestal niet constant over praten, maar het is wel fijn dat je nu en dan checkt hoe het gaat. Is er iets wat je nog kan doen voor diegene? Is er iets wat die nog kwijt wilt? Laat het verhaal onderdeel worden van de gemeenschap, zodat je als slachtoffer niet meer alleen op je eilandje hoeft te zitten.Het is erg belangrijk dat je als omgeving aan het slachtoffer duidelijk maakt dat ze zelf niets misdaan hebben. Je kan zeggen: ja, je opa heeft jou misbruikt. Dat was helemaal zijn fout. Daar is niemand verantwoordelijk voor, alleen opa. Die schaamte hoort bij hem. Die schuld hoort bij hem. Hij moet gestraft worden, niet jij.
Rinke Verkerk als kind. Op een dag vertelt Lenneke aan Rinke dat ze betast is door haar opa. Net zoals de rest van het dorp, weet Rinke niet goed hoe ze hier mee om moet gaan.
Dat gesprek met de meester ging heel gemakkelijk. Hij was heel eerlijk, zonder zelfbehoud. Daaraan zie je ook dat omstanders het vaak graag goed willen doen, maar dat het toch ingewikkeld blijft.
Twee dingen kunnen tegelijkertijd waar zijn. Iemands verhaal kan empathie en begrip verdienen en tegelijkertijd mag die persoon ook verantwoordelijk gehouden worden. Het is zeker zo dat de kinderen niet veilig waren in het huis van Guusje. Daarin heeft ze haar kinderen verraden en is ze flink tekortgeschoten. Maar je moet ook kijken naar de context en de tijd waarin Guusje leefde. In haar tijd stond in het psychiatrische handboek dat ‘slechts één op de miljoen meisjes incest meemaakt en de effecten daarvan op hun leven compleet verwaarloosbaar is’. Natuurlijk had ze meer moeten doen. Maar in haar geval hadden omstanders ook meer kunnen doen. Er waren in die tijd weinig plekken waar ze terecht had gekund als vrouw die volledig financieel afhankelijk was van haar man. Maar ze had het wel moeten proberen. De grote afwezige in je boek is Leen zelf, die overleed voordat je hem kon interviewen. Was het een ander soort boek geworden als je hem had gesproken? Nu ligt er namelijk weinig focus op de dader zelf.
Ja, mijn volgende project zou wel over daderschap gaan. Op het gebied van hoe we omgaan met daders valt er nog veel te winnen. Traumadeskundige Iva Bicanic zegt het altijd heel mooi: als het nou een paar incidenten waren, een paar rotte appels, en dan kon je ze naar de Maasvlakte sturen en dan was het probleem opgelost. Maar het zou veel te druk worden op die vlakte, want het is een structureel probleem.Maar in het geval van Leen denk ik dat het gesprek niet veel had uitgemaakt. Ik weet dat Lennekes oom Nelis pogingen heeft gedaan om er met hem over te spreken, maar dat Leen er nooit eerlijk over was. Nooit. Dus ik vraag me af of dat was veranderd als ik het geprobeerd had. Ik ben heel benieuwd naar de reactie van het dorp op dit boek.
Ja, ik kijk daar een beetje tegenop. Ik heb natuurlijk een aantal mensen gesproken, maar ik weet niet wat ze vinden van hoe ik dit dorpsverhaal vervolgens in zijn geheel heb opgeschreven. Want ik merkte aan de openhartigheid in de gesprekken dat mensen zich echt van geen kwaad bewust waren. Ze wilden met alle liefde nog even met mij het verleden induiken. Misschien hadden ze niet door wat de gevolgen zijn geweest van onze nalatigheid. Niemand overzag dat echt, zelfs de familie niet: elke generatie had een eigen puzzelstukje, maar niemand heeft ooit de volledige puzzel gelegd, totdat ik het opschreef in dit boek. Hetzelfde geldt voor het dorp: iedereen wist wel iets, maar niemand wist hoe groot de schade was die Leen heeft aangericht. Hoewel niemand van het dorp het zo heeft bedoeld, hebben ze toch de familie flink in de steek gelaten.Dankjewel!Het hele dorp wist het van Rinke Verkerk is verkrijgbaar bij De Correspondent.
