kleurrijke illustratie van wormen, een menselijk hoofd
Illustratie door Nick Scott

FYI.

This story is over 5 years old.

Leven met een ernstige paniekstoornis

Het kostte twaalf jaar, vier therapeuten en twee diepe depressies voordat ik grip kreeg op mijn gruwelijke angsten.
29.4.15

Als er een acuut gevaar dreigt treedt er bij mensen (en ook bij dieren trouwens) een vecht-of-vluchtreactie in werking. Dit mechanisme krikt je hartslag op, vernauwt je luchtwegen en laat je bloedvaten samentrekken, waardoor bloed- en zuurstofstroom naar de spieren toeneemt en je klaar bent om weg te sprinten van iets levensbedreigends, zoals een wild dier, een snelle auto, of een of andere idioot met een bijl of zo. Het is een essentieel mechanisme, maar heel soms kan er ook flinke kortsluiting door ontstaan.

Charles Darwin, waarvan jarenlang gedacht werd dat hij zelf een verlammende paniekstoornis had, beweerde dat dit mechanisme deels geëvolueerd is tot iets wat ons continu alert houdt. Volgens Mark Williams en Danny Penman, die het boek Mindfulness: A Practical Guide to Finding peace in a Frantic World hebben geschreven, is het vecht-of-vluchtmechanisme echter iets heel onbewusts. "Het wordt aangedreven door een van de oerdelen van onze hersenen, wat betekent dat het nogal simplistisch omgaat met het interpreteren van gevaar. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen externe dreigingen, zoals tijgers, en interne dreigingen, zoals pijnlijke herinneringen of angsten over de toekomst. Je lichaam reageert op allebei de dingen met een impuls om te vechten of weg te rennen." Zoals de hoofdredacteur van The Atlantic, Scott Stossel, heeft onderzocht en opgeschreven in zijn briljante memoires My Age of Anxiety, hebben "de diersoorten met goed getrainde angstreacties een grotere overlevingskans."

Soms komt het gevaar echter van binnen.

Ik worstel zelf al vijftien jaar met een paniekstoornis. Tweemaal ging dat over in een diepe depressie, waarbij ik alleen nog maar de hele dag naar The Simpsons kon kijken op YouTube, terwijl ik droge crackers probeerde te eten. Regelmatig stelde ik mezelf vragen als: ga ik deze keer dan toch echt in een psychose belanden? Moet ik een ambulance bellen? Hoeveel slaappillen moet ik nemen om een hele dag te slapen, zonder dood te gaan?

Ik zat gevangen in een tornado van negatieve gedachtes, als dit soort dingen door mijn hoofd gingen. Ik voelde mijn gezonde verstand in vloeibare vorm uit mijn oksels klotsen, terwijl ik naar kinderfoto's van mezelf keek, en me afvroeg waar het meisje op die foto's was gebleven. Het voelt alsof er twee versies van me zijn: een versie vóór de paniekstoornis, en een versie met de paniekstoornis.

En dat is nog niet eens zo'n heel rare theorie. Na jarenlange cognitieve gedragstherapie heb ik de wortel van al mijn angsten ontdekt: een spectaculaire bijna-doodervaring, die resulteerde in een ontplofte blinde darm, wat me ongeveer zes maanden van mijn leven heeft gekost. Het blijkt dat een dergelijke traumatische ervaring nogal een impact kan hebben op je toekomstige mentale gesteldheid. Helemaal als het ook nog eens je ingewanden voor altijd heeft verruïneerd.

Mijn eerste paniekaanval had ik tijdens de eerste week school, na het gedoe met die blinde darm. Leraren spraken me aan in de gang. "Eleanor, gaat het wel?" vroegen ze met hun koffieadem. Ik was het gespreksonderwerp van de week. Maar na een paar dagen gebeurde er iets.

Ik voelde me misselijk tijdens een biologieles. Ik voelde mijn handen niet meer, en ik dacht dat mijn kop als een ei uit elkaar zou barsten. Ik had nog nooit zoiets gevoeld. Ik ging naar het toilet en een paar minuten lang voelden mijn hersens en mijn lichaam alsof ze niet van mij waren. Ik dacht dat ik over moest geven, maar er kwam niets. Ik voelde alleen maar golven van een misselijkmakende druk in mijn lichaam, van mijn slaap tot aan mijn tenen. Toen kwam er een koude, donkere angst over me heen zoals ik die nog nooit eerder had ervaren. Niks klopte. Ik dacht: wat gebeurt er in godsnaam met me? Ga ik dood?

Dit was mijn eerste paniekaanval, maar dat wist ik toen nog niet. De volgende weken dacht ik nergens anders aan. Het gebeurde nog een paar keer, maar ik wilde het absoluut niet met mijn ouders bespreken. Ze zouden het toch niet snappen, wat 'het' ook was. Ik ging ervan uit dat het iets fysieks was, gerelateerd aan mijn beschadigde ingewanden. Maar na drie helse weken en een volledig slapeloze nacht, ging ik naar de dokter, in mijn eentje. "Het klinkt alsof je last hebt van paniekaanvallen," zei hij. Hij gaf me wat foldertjes en verwees me door naar een bejaarde therapeut in het winkelcentrum.

Elke seconde en ontsnappingsroute moet gepland worden. Voor het geval dat. Angststoornissen zijn de ziekte van 'wat als'

Deze vrouw dacht het probleem op te lossen met wat elastieken bandjes voor om m'n pols, die ik tegen mezelf aan moest schieten als ik het voelde opkomen. Ik herinner me niet meer of het tegen de angstgevoelens hielp, maar ik werd me er wel bewust van dat er een energiestroom is die ik moest tegenhouden, op de een of andere manier.

Maanden later vertrok ik naar de Universiteit van London, met iets meer kennis over paniekaanvallen en de bijbehorende claustrofobische achtbanen van angst. Mijn ouders wisten er inmiddels ook van, omdat ik de overvloed aan huidkleurige elastiekjes in zowel hun als mijn huis moest verklaren. Ze waren er lief en begripvol over, maar toch leefde ik in constante angst voor een volgende aanval (waarover ik later leerde dat het een van de belangrijkste kenmerken is van een paniekstoornis). Of ik nou in college, de kroeg, of bij een concert was, het zat altijd in mijn achterhoofd.

Net als veel mensen met deze stoornis ontwikkelde ik een patroon van vermijdingsgedrag. Ik moest altijd van tevoren weten waar het toilet zou zijn, omdat ik een uitweg moest hebben voor als ik een aanval kreeg, deels omdat mijn paniek zich grotendeels uitte in darmproblemen. Als ik geen toilet, of op zijn minst een nooduitgang zag, was ik de lul, zo dacht ik. Elke seconde en ontsnappingsroute moet gepland worden. Voor het geval dat. Angststoornissen zijn eigenlijk de ziekte van 'wat als'.

Tegenwoordig zou ik een hele trilogie kunnen schrijven over het leven met een paniekstoornis, maar ik boekte pas een paar jaar geleden echt vooruitgang. De gedachte van een paniekaanval is nog steeds beangstigend – wat op zich ook niet zo raar is – maar de angst is nu minder omdat ik technieken heb geleerd om ermee om te gaan. Ik weet nu dat als ik een paniekaanval heb, ik het sowieso wel overleef, en dat ik zal doen wat ik kan om het draaglijk te maken.

"Vandaag de dag zouden weinig mensen ontkennen dat chronische stress kenmerkend is voor onze tijd," schreef Stossel. "We leven in een tijdperk van angst." Alleen reageert niet iedereen daar op een normale manier op.

Paniekstoornissen zijn angststoornissen die gekenmerkt worden door herhaaldelijke paniekaanvallen en de constant angst voor een volgende aanval. Volgens cijfers uit 2007 heeft 1,1 procent van de volwassen Britten een aantoonbare paniekstoornis. Paniek is er in allerlei soorten en maten. Het kan een ongemakkelijk gevoel zijn in je buik, of een angst die je raakt als een voorbijrazende sneltrein. Angsten manifesteren zich zeer verschillend. De ene persoon heeft het gevoel dat hij een hartaanval krijgt, anderen hyperventileren. Weer anderen moeten alleen maar overgeven, of staan te bibberen alsof ze naakt op de Noordpool staan.

Mijn standaardmelange bestaat uit een prikkelend gevoel in mijn hele lichaam, een lijkbleek hoofd, een drukkend gevoel op mijn borst, gevoelloze handen en een klotsende buik. Ik voel me alsof ik elk moment moet kotsen of het in m'n broek ga doen. Nummer twee is me echter nog nooit overkomen, hoewel het vaak wel weinig gescheeld heeft.

En dan heb je de cognitieve kant. Dat werd erger naarmate ik ouder werd – eerder waren het vooral fysieke klachten. Op verschillende momenten had ik dagelijks paniekaanvallen gehad, meerdere keren per dag. Mijn eerste zenuwinzinking had ik tijdens het derde jaar van mijn studie, toen de angst voor paniekaanvallen een fulltime obsessie werd. Ik durfde niet meer naar de supermarkt honderd meter verderop, laat staan naar college. Ik had altijd een vluchtplan nodig, voor elke denkbare situatie, ook al ging het om het kopen van een pak melk aan de overkant van de straat.

Uiteindelijk konden mijn vermoeide hersenen deze misplaatste adrenaline niet meer aan. Ik kwam in een diepe depressie terecht. Ik had dissociatieve gevoelens, sliep zestien uur per dag en had een totaal gebrek aan eetlust. Ik viel zes kilo af in één week. Toen ik een keer al vijf dagen in bed lag, begon ik me ernstig zorgen te maken over wat ik op school en aan mijn ouders moest vertellen. Ik besloot terug naar de dokter te gaan. Hij schreef me sertraline (een antidepressivum dat veel wordt toegepast bij angststoornissen) en diazepam voor, en verwees me door naar een psycholoog. Sinds ik in London verbleef was ik niet meer in therapie geweest.

Het boterde niet erg met de therapeut waar hij me naar verwees. Ze was erg jong en ze was de hele sessie lang hokjes aan het afvinken (letterlijk, op een klembord). Ze keek me amper aan. Na vier sessies kapte ik ermee. Omdat beide therapeuten waar ik was geweest me nauwelijks geholpen hadden, dacht ik dat ik immuun was voor hulp. Tot drie jaar geleden geloofde ik dat therapie zonder pillen niks voor me deed.

Ook mijn nieuwe medicijnen losten mijn problemen niet echt op, maar de gedachten werden wel iets minder obsessief. Ik bleef de antidepressiva een paar jaar slikken en boekte veel vooruitgang in mijn carrière. De angst voor een paniekaanval bleef altijd op de achtergrond, maar het was minder zwaar dan voorheen. Als ik een aanval had – ongeveer één per week, in plaats van elke dag – duurde het een paar dagen voordat ik me weer helemaal normaal voelde, maar dat vond ik eigenlijk wel oké.

Ook toen ik van de pillen af was kon ik er beter mee omgaan, mede dankzij een nieuwe therapeut (een wat oudere, moederlijke vrouw), tot drie jaar geleden. Ik ging van de ene geweldige baan naar de andere, schreef veel, en reisde over de hele wereld om mensen die ik bewonderde te interviewen. Aan de oppervlakte gleed ik door het leven als een jonge parkiet. Niets was me te veel: stressvolle vergaderingen, lange vluchten, belangrijke commissies. Maar vanbinnen was het weer chaos. Ik mest peddelen om niet te verzuipen. Ik kon niet accepteren dat ik misschien niet met de antidepressiva had moeten stoppen. Op een of andere manier zag ik de medicijnen altijd als laatste toevluchtsoord. Het punt van bijna falen, en de laatste stap voor dwangbuizen en elektroshocktherapie.

Alleen had ik een masker op. Dit was altijd het ding: ik deed alsof het goed ging, maar ik had hulp nodig. Door de jaren heen ben ik een expert geworden in het verbergen van mijn problemen; niemand, maar dan ook echt niemand, had je kunnen vertellen dat ik een angststoornis had. Misschien viel het wel eens iemand op dat ik niet lang in de metro wilde zitten, of dat ik soms vroeg naar huis ging met uitgaan, maar ze vermoedden niets. Mijn vermijdingsgedrag deed het lijken alsof ik een normaal leven leidde. Tot ik drie jaar geleden weer een zenuwinzinking had, die erger was dan ooit.

Achteraf gezien was het al een tijd aan het opbouwen. Zo leuk vond ik mijn baan niet, ook al gaf het me een bepaalde status. Mijn excuusjes voor vrienden waren op aan het raken. Ik moest weer geopereerd worden aan mijn darmen, wat natuurlijk een vreselijk vooruitzicht was, waarbij mijn therapeut me niet kon helpen. Voordat ik naar Kenya vertrok voor een opdracht voor The Guardian , zat ik in een toilet in Terminal 3, overtuigd dat mijn nekwervels zouden breken onder de spanning die ik in mijn hoofd voelde, doordat mijn gedachten zo hard draaiden dat ze in elkaar verstrikt raakten.

Ik dacht: wat nou als ik een paniekaanval krijg op het platteland in Kenia? Wie gaat me dan helpen? Wat gebeurt er als ik last krijg in het vliegtuig en alles onderkots? Wat als ik het niet meer aankan, ergens waar ze je opsluiten, omdat ze niet weten wat er mis is? Wat als, wat als, wat als. Het is al saai en vermoeiend om het te typen. Elke paniekaanval hield langer aan dan de vorige, en na een paar weken voegden ze zich samen tot één grote bult van frustratie, tranen en wanhoop.

Ik werd opnieuw vreselijk depressief en kon helemaal niks meer. Ik kon niet stoppen met huilen, de deur niet opendoen, de telefoon niet opnemen, de katten niet voeren en niet één sneetje brood eten in minder dan een uur. Mijn angst verduisterde alles.

Door de jaren heen ben ik een expert geworden in het verbergen van mijn problemen. Niemand, maar dan ook echt niemand had je kunnen vertellen dat ik een angststoornis had.

Depressie en angstproblemen gaan vaak hand in hand, maar ik kon simpelweg niet accepteren hoe slecht ik me voelde. Ik had het gevoel dat ik gefaald had. Ik had gefaald, en kon niet meer terugkrabbelen. In drie weken kwam ik nergens anders dan in de winkel in mijn straat, en voor het eerst in mijn leven voelde ik me echt suïcidaal; ik verlangde naar een einde aan deze hel. Echt dood wilde ik niet – ik wilde de ogen zien van de baby's die ik op aarde wilde zetten, en verlangde naar het zand van de woestijnen die ik nog wilde zien. Ik wilde gewoon niet meer bang zijn.

Toen ik op een dag diep in mijn medicijnenkastje staarde, op zoek naar iets dat me tijdje onder zeil zou brengen zonder dat m'n maag leeggepompt hoefde te worden en ik in een inrichting zou belanden, besloot ik een nieuwe therapeut te zoeken. Hij zat op minder dan driehonderd meter afstand, en ik kon er dezelfde middag nog terecht. Hij was grappig, vloekte veel en had diepgaande wetenschappelijke kennis over waarom hersenen doen wat ze doen. Dat sprak me allemaal wel aan.

Die middag was het eerste echte keerpunt in vijftien jaar. Ik zag hem twee keer per week, kreeg nieuwe medicijnen (citalopram, een nieuwer antidepressivum) en deed mindfulnessoefeningen. Binnen een maand kreeg ik weer hoop.

Dat is nu drie jaar geleden, en nu kan ik ermee omgaan. En daarmee bedoel ik ook echt ermee omgaan, in combinatie met een pittige fulltimebaan en zo. Ik neem nog steeds een lage dosis citalopram. Angststoornissen zijn – net als depressies – multicausaal, en ik kan nu accepteren dat mijn brein ergens kortsluiting heeft gemaakt door mijn bijna-doodervaring. Ik kan ermee leven dat ik daar medicijnen voor nodig heb en verberg het niet langer, wie er ook naar vraagt.

Al mijn vrienden weten nu waar ik last van heb. Zoals bij veel andere grote onthullingen die je in je hoofd helemaal opblaast tot iets vreselijk groots, reageerde niemand slecht toen ik uit de school klapte. Mensen geven meer om je dan je denkt, en snappen het doorgaans goed als je het eenmaal hebt uitgelegd.

Niet over mentale gezondheid praten maakt alles alleen maar erger. Zoals Stossels therapeut aan hem vroeg: "Je houdt het al jaren geheim toch? En lost dat iets op?"

Het meest cruciale ding wat ik heb geleerd over het behandelen van angsten is dat je een therapeut moet vinden die bij je past, en bij wie je je comfortabel genoeg voelt om je hele herseninhoud op tafel te leggen. Je brein is een orgaan en heeft onderhoud nodig als er iets mis is. Het is, zoals Louis Theroux zei toen ik hem laatst interviewde, "als een APK-keuring".

Door mijn huidige therapeut besefte ik dat het enorm belangrijk voor me is om te beseffen dat er geen hapklare oplossing is – er zijn alleen technieken en interventies (zoals medicijnen) om het leven draaglijker te maken. Frustratie is sterk gerelateerd aan angst en het constante gevoel van 'waarom de fuck heb ik dit?' maakt het alleen maar erger.

Misschien vraag je je af waarom ik eerst zo m'n best deed om het te verbergen, en er nu dit gedetailleerde boekwerk over schrijf. Het antwoord is simpel: wereldwijd ploegen er elke dag mensen het internet door, op zoek naar een greintje hoop uit andermans ervaringen. Toen het niet goed met me ging is dat alles wat ik zocht: een echo – een klein beetje hoop dat ik uit deze donkere put zou kunnen komen.

Het klinkt misschien wat simplistisch, dat anderen eerder over hun problemen beginnen als je er open over bent. Maar het is waar. Stossel schreef over een etentje met een stel schrijvers en kunstenaars, waar nadat hij vertelde over zijn voortgang, elke van de negen anderen begon "over hun eigen ervaringen met angst en medicatie. We gingen de tafel rond en deelden onze neurotische episodes."

Ik heb vaak in vergelijkbare situaties gezeten. Heel veel mensen hebben een enorme behoefte om over hun mentale gezondheid te praten. Het idee dat als je te veel blootgeeft en je voor altijd als een gek wordt afgeschilderd door over je mentale gezondheidsproblemen te praten, is zo ongelooflijk fout. Mentale gezondheid valt ook onder gezondheid, punt uit. De man die vanochtend je koffie serveerde zou een paar jaar geleden kanker overwonnen kunnen hebben, of een zware, verlammende depressie. Misschien heeft hij geprobeerd om zelfmoord te plegen en is hij opgenomen geweest, maar dat zie je alleen niet, omdat het nu prima met hem gaat en hij er het beste van maakt.

Mensen veranderen. We passen ons aan en we kunnen dingen overwinnen. Net als bij andere gezondheidskwalen.

Als jij of iemand in je omgeving worstelt met paniekaanvallen of andere psychische problemen, neem dan contact op met Stichting Korrelatie op 0900-1450, of kijk op korrelatie.nl.