Jong en gevlucht naar Nederland

De vluchteling Hussein werkte zeven dagen per week om mentaal in orde te blijven

Hoewel een hoop Nederlanders zich een depressie in werken, werkte Hussein zich juist een depressie uit.

door Hussein
28 februari 2019, 5:30am

Illustratie door  TATIANA KASIMATI

Als je op de hoogte wil blijven van onze beste stukken zonder je suf te scrollen, schrijf je dan in voor onze wekelijkse nieuwsbrief.

De Syriër Hussein (23) is in de zomer van 2015 vanuit Turkije naar Nederland vertrokken. In deze columnreeks vertelt hij over hoe het is om zijn leven verder op te bouwen in Nederland. Dit keer vertelt hij hoe hij zeven dagen per week werkte om niet helemaal gek te worden.

Mensen die in de gevangenis zitten, hebben de hele dag niks te doen. Om niet helemaal gek te worden gaan ze maar bodybuilden, of schrijven. Gewoon, om zich maar ergens mee bezig te kunnen houden. Voor mij voelde het ook zo. Ik zat niet in de gevangenis, ik was in principe vrij, en had tijd, maar ik kón niks doen omdat ik geen verblijfsvergunning had – niet legaal werken, niet studeren en niet in mijn huis chillen, want die had ik niet.

Werken, wat voor mij de afgelopen drie jaar neerkwam op vrijwilligerswerk en het helpen van kennissen voor een beetje contant geld, kreeg hierdoor voor mij een hele andere betekenis. Het draaide niet om geld verdienen, maar om voelen dat ik bestond en bijdroeg aan de samenleving. Maar vooral om mentaal in orde te blijven. Sommige mensen krijgen een depressie of burn-out als ze te veel werken, maar bij mij was het juist andersom. Ik moest het doen. Ik wilde niet in het park op een bankje zitten en maar een beetje voor me uit staren, en zo mijn depressie uitzitten.

Ik werkte ongeveer vijftig uur per week. Ik sliep en at bij een bed-bad-brood-opvangcentrum, en moest daar na het ontbijt weg zijn. Dan ging ik bijvoorbeeld naar Ondertussen, een hulporganisatie waar ik vrijwilligerswerk deed. Om geld te verdienen deed ik verschillende klusjes: schoonmaken, sjouwen, verven, verhuizen, timmeren. Alles waarbij ik kon helpen, en een klein zakcentje of vergoeding mee kon verdienen, nam ik aan. Timmeren vond ik het leukst, want dan kon ik nadenken over designs en hoefde ik niet naar de sportschool om in vorm te blijven. Soms belde een kennis me om te vragen of ik kwam helpen, soms vroeg ik zelf rond of iemand nog een taak voor me had. Als ik een heel huis moest schoonmaken, kreeg ik daar zo’n veertig euro voor. Van dat geld kon ik eten kopen, maar ik bleef dakloos, want ik was officieel gezien geen burger.

Werken voor mensen en organisaties in een land dat je niet kent is moeilijk. Je weet niet wie je kan vertrouwen. Je hebt geen mensen achter je staan, geen vrienden, of familie die je kunnen vertellen of je een goede keuze maakt of niet, of je met de juiste mensen in zee gaat. Je doet alles op goed vertrouwen. Ik probeerde zoveel mogelijk werk aan te nemen, en hoopte erop dat mensen me op een juiste manier zouden behandelen. Dat ging gelukkig allemaal goed. Ik probeerde elke klus die ik aannam leuk te vinden. Ik leerde mensen kennen, en daardoor kreeg ik meer werk, en kwam ik vooruit.

In Syrië kan het nog weleens verschillen wat werken voor je betekent. Er waren veel jonge kinderen die niet naar school gingen of voortijdig stopten, meestal omdat ze in plaats daarvan hun families moesten helpen om rond te komen. Maar als je daar studeerde, had je een bijbaantje in de zomer om wat bij te verdienen, lol te trappen en wat ervaring op te doen, en als je dan afgestudeerd was, kon je op zoek gaan naar een betere baan. Als de situatie normaal was geweest in Syrië, en ik er had kunnen blijven, had ik dat waarschijnlijk ook gehad.

Wat ik verder wel een opvallend en leuk verschil vind tussen werken in Nederland en Syrië, is dat Nederlanders je altijd bedanken voor je werk, ook al krijg je er geld voor. In Syrië is dat niet gebruikelijk, daar word je alleen maar beloond of gewaardeerd in de vorm van geld.

Eigenlijk deed ik in Nederland niks anders dan werken. Ik had nooit het gevoel van: oeh, nu heb ik zin om te chillen. Ik ging af en toe naar feestjes van Ondertussen. Daar kwamen we dan samen om te drinken en te kletsen. Er waren een hoop veel oudere vluchtelingen, maar niemand van mijn eigen leeftijd. Het was wel prettig dat ik daar mensen kende, en geen moeite hoefde te doen om mezelf op een leuke manier te presenteren. Dat was voor mij namelijk, door alles wat ik had meegemaakt, al snel te veel. Soms probeerde ik het wel, en ging ik naar een feestje. Niet om te chillen, maar gewoon om het eens te proberen. Dan wilde ik me normaal voelen, en uit de atmosfeer van het illegaal-zijn ontsnappen.

De meeste mensen van mijn leeftijd zitten niet in de situatie waarin ik zit. Ik moet volwassener zijn, wijzer en kalmer. Ik moet het alleen doen en heb geen sociaal vangnet – alles wat ik kan bereiken is aan mij, en mijn verantwoordelijkheid. Jonge mensen in Nederland hebben de keuze om te gaan werken. Ze kunnen zich gedragen naar hun eigen leeftijd, en zeggen: o, ik ben achttien, dus ik regel een baantje achter de kassa bij de Albert Heijn, ik regel een kamer en daarna ga ik naar een feestje. Niks is onzeker, want je bent letterlijk overal voor verzekerd. Dat ging voor mij niet op. Ik had niet eens een zorgverzekering. Ik zat niet in het sociale systeem dat voor me op kon komen, of me kon beschermen. Als ik bijvoorbeeld ziek werd, was ik op mezelf aangewezen. Echt chillen kon ik niet.

Sinds ik een verblijfsvergunning heb, heb ik ook een kamer, en heb ik me ingeschreven bij de Universiteit van Amsterdam. Het is prettig dat ik, nu ik een kamer heb, een goede nacht kan slapen nadat ik heb gewerkt. Ik krijg nu een uitkering, die ik trouwens eigenlijk helemaal niet hoef, want ik wil zelf werken. Maar toch is het wel fijn. Soms denk ik: als ik die verblijfsvergunning in het begin al had gekregen, had die uitkering ook helemaal niet gehoeven. Dan had ik meteen mijn eigen geld kunnen gaan verdienen.

Ik ben aan het wachten totdat ik echt kan gaan studeren in april, en een normaal leven kan gaan leiden als student. Maar gek genoeg voel ik me door dat wachten ook een beetje verloren. Ik had veel werk en routine, maar alles verandert nu weer. Ik heb nu, naast al het andere, de verantwoordelijkheid voor een kamer, en straks moet ik ook belasting betalen, dat soort dingen. Ik heb nog nooit op mezelf gewoond. Het is allemaal weer een nieuw begin, en dat is, naast dat het natuurlijk hartstikke fantastisch is, ook weer spannend.