FYI.

This story is over 5 years old.

Olympische Spelen

Een korte geschiedenis van kunstwedstrijden op de Olympische Spelen

De vader van de Spelen vond het een essentieel onderdeel, maar de Nazi’s hebben het voorgoed verpest.
19.8.16
Corner (1928) en Rugby (1928), Jean Joceby. Beeld met dank aan Olympic Museum Lausanne.

Met grijze haren een olympische medaille winnen? Nee, we hebben het niet over die rare Ryan Lochte, maar over de 73-jarige John Copley. Als bejaarde is het hem nog gelukt om een zilveren medaille binnen te slepen met een gravure getiteld Polo Players. Inderdaad, hij deed met een kunstwerk mee aan de Olympische Spelen in een tijd waarin schilders, beeldhouwers, schrijvers en musici van heinde en ver kwamen om hun werken over sport tentoon te stellen.

Advertentie

Om te begrijpen waarom kunst ooit een plek had in de Olympische Spelen moeten we teruggaan naar de totstandkoming van de Olympische Spelen. Dit internationale sportfestijn hebben we namelijk te danken aan de Franse historicus en intellectueel Pierre de Coubertin. Geïnspireerd door de oude Griekse idealen ontwikkelde hij de theorie dat evenwicht tussen lichaam en geest het beste uit de mens haalt. Kortom, als jongeren, waaronder soldaten, hierin werden getraind, zou dat leiden tot betere internationale verhoudingen. De Coubertin dacht dat hij met zijn theorie de oplossing had gevonden voor wereldvrede, maar hij moest het nog op de een of andere manier zien te promoten. Een grootschalige herrijzenis van de Olympische Spelen leende zich hier perfect voor.

Pierre de Coubertin, oprichter van de Olympische Spelen. Beeld via

De Coubertin stelde een Olympisch comité samen bestaande uit vermogende mannen die niet financieel verbonden waren aan hun land, en in 1896 gingen de eerste moderne Olympische Spelen van start in Athene. De kunstwedstrijden lieten nog een paar jaar op zich wachten, want de comités van de gastlanden wisten niet hoe ze kunst op een eerlijke en objectieve manier konden beoordelen – iets dat ook later tot de nodige kopzorgen zou leiden. Want het is nou eenmaal lastiger te bepalen wie het mooiste kunstwerk schildert dan wie de discus het verst gooit.

De Coubertin stond er echter op dat kunst een essentieel onderdeel was van de Olympische Spelen. “Laten we ons terughouden door ongegronde en verouderde vooroordelen die beweren dat bepaalde activiteiten niet te verenigen zijn met sport?” vroeg hij vol hoogmoed. Uiteindelijk was het gastland Zweden die de toevoeging van kunst in 1912 goedkeurde, maar niet zonder slag of stoot.

Advertentie

De kunstwedstrijden bestonden uit vijf hoofdcategorieën: architectuur, literatuur, muziek, schilderen en beeldhouwen. In een poging de wedstrijden zo objectief mogelijk te kunnen beoordelen werden er strikte regels aan een deelname verbonden. Alle kunstwerken moesten sport als thema hebben en niet eerder aan het publiek zijn vertoond. Literaire werken hadden een woordenlimiet van 20.000 woorden en een muzikaal stuk mocht niet langer dan een uur duren. Het was extra moeilijk om een muzikaal stuk te beoordelen, omdat juryleden het alleen op papier zagen. Vaak konden ze dan niet tot een besluit komen en werd er geen medaille uitgedeeld. Toch was De Coubertin dolenthousiast over de toevoeging van kunst op de Spelen, misschien ook omdat hij er zelf nog een gouden medaille aan overhield. Onder het pseudoniem Georges Hohrod en Martin Eschbach deed hij stiekem mee aan de eerste literatuurwedstrijd, waar hij meteen de gouden plak behaalde.

Tijdens de kunstwedstrijden stonden kunstenaars niet ijverig te verven in een stadion met een juichend publiek. Alles was te zien in een kunsthal waar de juryleden en andere geïnteresseerden een paar weken de tijd hadden om alles rustig in hun op te nemen. Voor de Olympische Spelen in Amsterdam in 1928 waren er in totaal veertig ingezonden werken. Een daverend succes was het niet. De regels legden al veel restricties op de kunstenaars, maar de belangrijkste reden was waarschijnlijk dat alleen amateurs mochten deelnemen. Niet Picasso en Frida Kahlo wonnen de gouden medailles, maar Joseph Golinkin en Carlo Pellegrini, namen die zelfs de grootste kunst-/sportfanaat waarschijnlijk niet kan oprakelen. Hun namen zijn alleen bekend omdat hun werken ook op ansichtkaarten en postzegels te zien waren. De werken van de vele andere winnaars zijn verloren gegaan.

London amateur championships (1948), Alfred Reginald Thomson. Beeld Christie's

De Olympische Spelen van 1936 in Berlijn mogen dan een zwarte bladzijde in de sportgeschiedenis zijn, de kunstwedstrijden waren daar populairder dan ooit. Voorheen had het Duitse volk namelijk weinig interesse voor kunst getoond, maar volgens het officiële rapport van het Duitse comité kon alles worden opgelost met een knap staaltje propaganda. Het leidde tot 740 inzendingen en bracht 70.000 mensen op de been om de Olympische kunsttentoonstelling te bezoeken, wat het tot een van de meest succesvolle kunstwedstrijden aller tijden maakte. Prominenten van het Derde Rijk, zoals Frick, Goebbels en Rust, kochten allemaal wat van deze kunst.

Toch vormden de Spelen van Berlijn ook het begin van het eind van de kunstwedstrijden, met dank aan valsspelende nazi’s. Bijna de gehele internationale jury bestond namelijk uit Duitsers, en het kwam als geen verrassing dat de Duitsers in de competitie meer gouden medailles binnenhaalden dan de rest van alle landen bij elkaar. Misschien was het te wijten aan thuisvoordeel, maar met kunstwedstrijden weet je dat nooit. Omdat er te veel onduidelijkheden waren over hoe je kunst moest beoordelen, werden de kunstwedstrijden na de Olympische Spelen van 1948 voorgoed geschrapt. Misschien maar beter ook.