FYI.

This story is over 5 years old.

Stuff

Wat we (nog niet) hebben geleerd van de Rana Plaza-fabrieksramp in Bangladesh

De ingestorte kledingfabriek in Bangladesh eiste vorig jaar het leven van 1.130 fabrieksarbeiders. Kunnen we iets doen aan de barre werkomstandigheden die nog steeds op grote schaal bestaan? Hoe gaan we om met het schuldgevoel dat we als consument...
06 mei 2014, 11:00am

Foto via

Taslima Akhter

Ik denk niet dat ik de enige ben die een schuldgevoel heeft overgehouden aan het nieuws van de ingestorte Rana Plazafabriek. Ik voel me medeplichtig aan de tragedie wanneer ik kleren van een grote winkelketen aanschaf of het beruchte Made In Bangladesh-label in mijn shirt zie zitten. Ik weet dat ik op deze manier bijdraag aan een wereldwijd systeem dat in alle opzichten verdorven is.

Hoe verdorven dit systeem werkelijk is, werd vorig jaar april maar al te duidelijk toen de Rana Plaza kledingfabriek in Dhaka, Bangladesh instortte, waarbij meer dan 1.130 werknemers omkwamen. De meeste van hen waren jonge vrouwen die voor de grote modemerken voor een dollar per dag kleding in elkaar naaiden. Niet alleen heeft de ramp gezorgd voor 2.500 gewonden en 800 weeskinderen die bij de ramp hun ouders verloren, men verwacht nog steeds lichamen onder het puin te vinden.

Een lichtpuntje is volgens velen dat deze gebeurtenis kan leiden tot hervormingen ter bescherming van de werknemer en een stijging in het toch al schamele salaris. Ironisch genoeg zijn sweatshops zoals de Rana Plazafabriek al een vooruitgang op zich, schreef Zafar Sobhan, een auteur afkomstig uit Bangladesh: “Er sterven tegenwoordig weinig mensen meer een hongerdood in het nog steeds zeer armoedige land, in tegenstelling tot een generatie geleden”.

Een overlevende van de fabrieksramp, Sumi Abidin, pleitte in haar toespraak tijdens Oxfam Australia zelfs tegen een boycot van producten uit Bangladesh. Ze herinnerde het publiek eraan dat miljoenen werknemers in Bangladesh, waaronder vooral jonge vrouwen met kinderen, financieel volledig afhankelijk zijn van de kledingindustrie.

Ook de tolk van Sumi, Kalpona Akter, zet zich in voor de rechten van deze werknemers en waarschuwde tegen een consumentenboycot. “Door een boycot te handhaven, breng je juist schade toe aan de mensen die je probeert te helpen. Wat in de fabrieken in Bangladesh gebeurt, gebeurt overal ter wereld: in Zuidoost-Azië, China, zelfs in Zuid-Amerika.” Hoewel dit minder bekend is, is er geen woord van gelogen. Zo is modeketen Zara regelmatig beticht van sweatshoppraktijken in Argentinië.

Als consument zou je het liefst de grote ketens vermijden waarvan je weet dat ze hun kleding in sweatshops laten maken, en alleen nog maar daar je kleding kopen waarvan je denkt te weten dat ze op een eerlijke manier aan hun handelswaar komen. Helaas ligt dat niet zo simpel, de kans bestaat dat zo’n winkeltje onderdeel is van een grotere keten die haar fabrieken ook in Azië heeft staan. We weten niet zo goed onder welke omstandigheden onze kleding wordt gemaakt, en de winkelketens laten er het liefst zo min mogelijk over los.

Een mogelijke bijdrage aan het oplossen van dit probleem is het verantwoordelijk stellen van een keten door ze aan getekende akkoorden te houden. Het beste voorbeeld hiervan is het initiatief van de Bangladesh Accord Foundation. Als een winkelketen eenmaal het akkoord getekend heeft maar vervolgens toch het werk uitbesteedt aan een fabriek met slechte werkomstandigheden, volgen er strafmaatregelen. Dit proces zal veel tijd en moeite in beslag nemen, en of deze aanpak daadwerkelijk effect zal hebben, moet nog blijken. Lucy Siegle, modeactivist en auteur van ‘We Are What We Wear’, is sceptisch: “Het is een begin, maar het probleem zal er niet volledig door worden opgelost”.

Hoe wordt het probleem dan wel opgelost?

Ten eerste moet het systeem van fabriekswerk in ontwikkelingslanden grondig worden herzien. Dat is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan. Brad Loewen, veiligheidsinspecteur van de Bangladesh Accord Foundation, vertelde de New York Times dat in 90% van de fabrieken speciaal afsluitbare poorten te vinden zijn; niet om mensen buiten te sluiten, maar juist met als doel de werknemers binnen te houden. Toch is het nooit helemaal duidelijk wie er het meeste schuld heeft aan deze globale situatie: velen menen dat winkelketens te gemakkelijk misbruik maken van goedkope en ongereguleerde arbeid en hiervoor strenger moeten worden gestraft. Tegelijkertijd worden de fabriekseigenaars en corrupte overheden regelmatig aangewezen als de grote boosdoeners, hoewel men toegeeft dat ontwikkelingslanden in het algemeen wel wat meer hulp van buitenaf kunnen gebruiken.

Maar de oplossing ligt ook gedeeltelijk bij de consument. Volgens Lucy Siegle is een boycot niet het antwoord op het probleem. Wel moedigt ze de consument aan vaker te shoppen bij de kleine vintagewinkeltjes en plaatselijke ontwerpers. Het kan volgens haar geen kwaad om een beetje research te verrichten naar de manier waarop winkels hun kleren laten maken, daarnaast mag het wel weer wat gebruikelijker worden om je bestaande kleren te koesteren, in plaats van ze te behandelen ‘als een rol wc-papier’.

Het derde en laatste antwoord op dit probleem is wat minder concreet. We houden nu eenmaal van goedkope waar en bedrijven houden nu eenmaal van geld verdienen. Om fabrieksarbeiders zoals die in Bangladesh te helpen, moeten we allereerst de werking van een steeds groter wordend globaal systeem erkennen. We bezitten een bizarre hoeveelheid aan goedkope en frivole dingetjes omdat sommigen het nu eenmaal beter hebben dan anderen.

Hoe noem je een systeem dat op dit principe is gebaseerd? Dianne Sackelariou, commissielid van Oxfam NSW State, kan daar kort over zijn: “Slavernij”. Ze is niet de enige die dit standpunt inneemt, zelfs de Paus is het ermee eens dat de omstandigheden in de Rana Plazafabriek in de buurt komen van slavernij.

Ook al zitten achter dergelijke uitspraken vooral goedbedoelde intenties, het is goed mogelijk dat Sumi en andere fabrieksarbeiders in Bangladesh hier juist aanstoot aan nemen.

Het komt wat neerbuigend over om een hele groep werknemers als slaven weg te zetten, terwijl zij ervoor kiezen in deze industrie te werken. Toch is het duidelijk dat de keuzes waar deze werknemers dagelijks voor staan niet altijd dicht in de buurt komen bij de keuzes die jij en ik in onze westerse samenleving maken. Hoeveel valt er eigenlijk te kiezen voor mensen die onderaan staan in een systeem dat van bovenaf zo enorm wordt gemanipuleerd?

Volgens sommigen is dit precies hoe de wereld in elkaar steekt en altijd in elkaar zal blijven steken. Anderen, zoals de Franse econoom Thomas Piketty, menen dat het globale kapitalisme en de productiemethoden die eraan verbonden zijn, opnieuw kritisch moeten worden bekeken en aangepast dienen te worden. Als er iets is dat we kunnen leren van Rana Plaza, afgezien van het feit dat de rechten van de arbeiders absoluut moeten worden verbeterd, is het wel dat het schuldgevoel dat ons als consumenten bekruipt, terecht is. We zouden ons schuldig moeten voelen, want als we ons schuldgevoel over onrechtvaardige situaties zoals deze kwijtraken, zouden we erkennen dat het oké is om te leven in een inherent oneerlijk systeem als het huidige.