#metoo

#MeToo was geen heksenjacht, maar gaf slachtoffers een gezicht

Slachtoffers delen hun verhaal online voor zichzelf, blijkt uit onderzoek. “Doordat ik mijn verhaal kon vertellen, maakte ik me los van de dader en de situatie – daarom voelt het zo bevrijdend.”
Noor Spanjer
Amsterdam, Netherlands
17.11.20
hartjekleiner
Beeld door Djanlissa Pringels

Let op: in dit verhaal wordt gesproken over seksueel geweld

Grote mediaplatformen besteden sinds de #MeToo-beweging steeds vaker – en steeds serieuzer – aandacht aan verhalen van slachtoffers van seksueel geweld. Vóór de hashtag, nu drie jaar geleden, was dit vooral een onderwerp voor blogs als mijngeheim.nl of vrouwenbladen zoals Viva en Libelle. En vaak ging het dan om anonieme ‘bekentenissen’ waarin de gebeurtenis, de verkrachting of aanranding, centraal stond. 

Maar tegenwoordig heeft LINDA.nl twee videoseries waarin vrouwen in een interview vertellen hoe ze hulp hebben gezocht, worden slachtoffers in de RTL-serie Geraldine en de vrouwen gevolgd in een therapietraject, en actualiteitenprogramma’s zoals Jinek, Op1 en Eenvandaag nodigen ervaringsdeskundigen uit in de studio. De betrokkenen zijn zichtbaar in beeld, met naam en toenaam, en helpen zo mee om het gigantische probleem van seksueel geweld zichtbaar te maken. Of meer: een gezicht te geven. En dat gezicht is niet dat van de dader, maar van de slachtoffers. 

Je kan je afvragen waarom mensen die zoiets traumatisch en afschuwelijks hebben meegemaakt, dit op televisie of online – in een zelfgeschreven facebookpost, via een artikel of in een praatprogramma – willen delen. Volgens een recent onderzoek (augustus 2020) van de VU en het NSCR, in samenwerking met Fonds Slachtofferhulp, geeft het slachtoffers “verlichting” wanneer zij hun verhaal online delen. “Centraal bij online disclosure staat het verwerken van de slachtofferervaring en het verlichten van emoties zoals gevoelens van schaamte,” staat in de samenvatting. En ook het “helpen van anderen” en “bewustwording creëren” worden genoemd als belangrijke motivaties om naar buiten te komen met een verhaal over seksueel geweld. 

In juni 2018 publiceerden wij het verhaal van Gillian, die een tijd lang door een docent van haar opleiding werd misbruikt. Als ik haar opbel om te vragen hoe het na de publicatie van het artikel met haar is gegaan, vertelt ze dat er veel is gebeurd – maar dat het uiteindelijk een positieve ervaring is geweest. “Ik kreeg veel goede reacties, van collega’s en vrienden, maar ook van mijn familie. Zij begrepen door het artikel beter wat er al die tijd nou eigenlijk aan de hand was: het ging duidelijk niet goed met mij, maar ze wisten niet waarom. Sindsdien is er meer toenadering en proberen ze me te steunen.” 

Ook het ‘helpen van anderen’, wat uit het onderzoek naar voren komt, was voor Gillian een positieve bijkomstigheid van het delen van haar verhaal. “Ik kreeg van zeker wel tien à vijftien mensen een bericht waarin ze vertelden dat ze het fijn vonden dat ik mijn verhaal had gedeeld, omdat zij daardoor nu ook eerlijk durfden te zijn over wat ze hadden meegemaakt.”

Het idee van ‘verlichting’ herkent Gillian ook. “Het was een geheim dat ik voor altijd bij me moest dragen, het voelde als een steen op mijn schouders. Het opschrijven luchtte zo enorm op. Omdat ik daarna ook verhalen van andere mensen te horen kreeg die iets vergelijkbaars hebben meegemaakt, kon ik eindelijk denken: oh, ik ben toch niet zo heel raar, het is niet zo gek dat mij dit is overkomen. En doordat ik mijn verhaal kon vertellen, maakte ik me los van de dader en de situatie – daarom voelt het zo bevrijdend.”

Ook op Instagram vertelt Gillian open over haar trauma en de gevolgen ervan:

De #MeToo-beweging begon met het verhaal over de verkrachter en aanrander Harvey Weinstein – een beroemde filmproducent uit Hollywood die ondanks zijn misdadige gedrag een enorme carrière had. In navolging hiervan kwamen er ook in Nederland een aantal verhalen bovendrijven van (bekende) mannen die hun macht hadden misbruikt en seksueel geweld hadden gepleegd, zowel op mannen als vrouwen. Al snel schoven de talkshowtafels vol met mensen die boos waren om deze ‘publieke schandpaal’, een heksenjacht werd het zelfs genoemd. Maar ondertussen speelden daders juist nauwelijks een rol in de talloze verhalen van vooral niet-bekende-Nederlanders. 

“We hebben 300 openbare sociale-mediaberichten geanalyseerd, en in maar 7 van die berichten werd een dader bij naam genoemd,” vertelt Chantal van den Berg, criminoloog aan de VU en initiatiefnemer van het recente onderzoek naar online disclosure. Een aantal van de slachtoffers werd ook geïnterviewd voor het onderzoek, en daarbij werd aan hen gevraagd waarom ze de dader niet noemden in hun online bericht. “Een deel deed dit niet uit angst voor gevolgen, omdat ze bang waren voor een vergeldingsactie of om beschuldigd te worden van smaad of laster,” vertelt Van den Berg. “Een ander deel van de slachtoffers hield rekening met de schade die het zou kunnen brengen aan de dader en diens omgeving, en een derde reden die genoemd werd was dat het niet zou helpen bij de verwerking van de ervaring. Of het was om een hele praktische reden, namelijk dat de dader niet bekend was.”

Ook in de recente televisie-optredens van slachtoffers bij RTL, in de eerder genoemde talkshows en in de videoseries van LINDA.nl, spelen daders nauwelijks of geen rol. Veel centraler staat (het gebrek aan) hulpverlening, de rol van de politie, of het mechanisme van victim-blaming dat snel optreedt bij dit soort verhalen. Van den Berg, die ook het vak ‘victimology’ onderwijst, vertelt dat victim-blaming veel voorkomt en “een manier is om als maatschappij om te gaan met dit soort verhalen”. Ze legt uit: “Als je een verhaal leest over seksueel geweld, of iemand vertelt je over haar of zijn ervaring, dan kan je denken: ik ben ook kwetsbaar, dit kan mij ook overkomen. Dat wil je natuurlijk niet, dus ga je, bewust of onbewust, op zoek naar manieren om hiermee om te gaan, waarbij je het voor jezelf als het ware goedpraat. Zo van: maar dat kan mij niet overkomen want dit gaat over iemand anders, iemand die misschien wel een kort rokje aanhad en dat doe ik zelf nooit.” 

Van den Berg deed als criminoloog oorspronkelijk veel onderzoek naar daders van zedendelicten, maar nu dus ook naar slachtofferschap. “Ik was wel verrast dat daders nauwelijks een rol spelen in online disclosure, omdat dat is waar de aandacht naar uitging toen #MeToo net begon. Maar wat wij hebben gevonden in ons onderzoek is dat het echt gaat om het slachtoffer – zij zetten zo’n bericht voor zichzelf online en ze doen het niet zozeer om een dader daarmee te ‘pakken’.” 

Naast het onderzoek, hebben Van den Berg en haar collega’s ook een soort gids, een ‘Stappenplan’ ontwikkeld voor slachtoffers die erover nadenken om hun verhaal publiekelijk te delen. Daarin wordt stilgestaan bij vragen over waar en met wie je wat precies wilt delen, en wat mogelijke gevolgen kunnen zijn. Ook hebben de onderzoekers een ‘Begeleidingsdocument’ gemaakt voor hulpverleners en naasten van slachtoffers, iets waar volgens Gillian weinig aandacht voor is. “Zij maken alles van dichtbij mee – hoe heftig dit kan zijn, wordt onderschat.” 

Behalve een opluchting en verlichting, had het online delen van haar verhaal voor Gillian ook grote impact op haar psychische welzijn. “Eigenlijk heeft het een trauma dat ik heel diep had weggestopt, maar dat erg aanwezig was in mijn lijf en doen en laten, laten uitbarsten. Doordat ik tijdens het schrijven alle details naar boven haalde, werd het trauma aangewakkerd, waardoor ik daarna behoorlijk in angst heb geleefd. Het voelde alsof het weer helemaal opnieuw plaatsvond. En toen ben ik in behandeling gegaan.” 

Gillian kwam uiteindelijk terecht bij Psytrec, toevallig ook het therapietraject waar de RTL-serie Geraldine en de vrouwen over gaat. “Ik had sowieso behandeling nodig voor wat ik had, maar ik wist niet wat voor. Ik heb drie verschillende intakes gedaan bij drie verschillende instanties, maar voor iedereen was ik ‘te complex’ om te behandelen.” Gillian zegt dat ze na haar opgelopen trauma informatie miste over welke mogelijkheden er überhaupt zijn voor slachtoffers van seksueel geweld. “Ik dacht: ik kan me alleen bij een psycholoog aanmelden, die helpt mij, en dat is het dan.” Via-via, ook doordat een betrokkene het artikel van Gillian had gelezen, kwam ze Psytrec op het spoor. “Ik wist niks van traumabehandeling af, en niemand had me ooit verteld dat ik daarheen zou kunnen.” 

Voor Gillian heeft deze behandeling goed geholpen, en ze herkent veel als ze naar de RTL-serie kijkt. “Soms erger ik me wel aan de sentimentele muziekkeuzes in het programma, of ik vraag me af waarom een BN’er dit programma moet presenteren. Maar ik zie vooral terug wat ik zelf ook heb meegemaakt daar, met precies dezelfde psychologen. Die ene mannelijke therapeut heeft echt alles voor mij opgelost. Zo’n programma maakt wel duidelijker dat je geholpen kan worden, het kan perspectief bieden voor mensen.”

Dat het schrijven van het artikel haar trauma naar boven haalde, betekent voor Gillian niet dat ze het een negatieve ervaring heeft gevonden. “Anders was het over een paar jaar wel gebeurd. Nu had ik het idee dat het in een gecontroleerde setting is aangewakkerd ofzo; ik had niet per se verwacht dat het zoveel met me zou doen, maar ik had wel het gevoel dat de timing klopte. Ik zou het zo weer doen. ”