Joep Lucassen in Wit-Rusland.
Sport

Ik reisde naar Wit-Rusland om een voetbalwedstrijd met supporters te zien

Naast Nicaragua en Tadzjikistan is dit de enige plek ter wereld waar je zonder restricties een pot voetbal kunt zien.
30 juni 2020, 9:46amUpdated on 30 juni 2020, 10:06am

De Wit-Russische Premier League verwierf afgelopen maanden wereldfaam. Tijdens het hoogtepunt van de coronacrisis werd er nog ‘gewoon’ afgetrapt. Ook nu nog is het, naast Nicaragua en Tadzjikistan, de enige plek ter wereld waar je nog zonder restricties naar een potje voetbal kunt gaan kijken.

Dat betekent overigens niet dat de Wit-Russen dat ook daadwerkelijk doen. Despoot van dienst Alexander Lukashenko houdt vooral van ijshockey, waardoor zelfs het nationale voetbalstadion inmiddels al niet meer aan de UEFA-richtlijnen voldoet. Waar de leider het coronavirus vooral ontkent, nemen de Wit-Russen zelf verantwoordelijkheid voor hun gezondheid. Voetbal werd de afgelopen weken vooral geboycot.

Volle bak of niet, ik heb na weken kijken naar opblaaspoppen, video-walls en FIFA 98-publiek ook wel weer eens zin in een échte wedstrijd. Ik Google langs obscure clubs en stadionnetjes, als mijn oog valt op de wedstrijd van 27 juni. Dan neemt BATE, de 15-voudige kampioen van Wit-Rusland, het op tegen Sovjet-relict Dinamo Minsk: het blijkt de ‘El Clásico’ van Wit-Rusland. Ik laat het idee een paar dagen sudderen en check alvast of je kaarten kunt kopen (ja), of er vluchten gaan (ja) en of je een visum nodig hebt (in principe niet). Tien dagen voor de aftrap denk ik: fuck it. Voor driehonderd euro ben ik de eigenaar van een retourtje Minsk.

Een kaartje voor 'El Clasico' van Wit-Rusland.

De voorpret kan beginnen. Op Twitter klets ik alvast wat met een Britse kerel die in dit voetbalvacuüm een FC BATE UK Fans-account heeft geopend. Op vrijdagmiddag, acht dagen voor de aftrap, stuur ik nog even een mail naar de Nederlandse Ambassade in Minsk. Of ik nog ergens rekening mee moet houden. Precies 53 minuten later gaat m’n telefoon: een vrouw van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ze kan er kort over zijn: “Wit-Rusland is geen Nederland”.

Het regime, legt ze uit, neemt nauwelijks maatregelen tegen het coronavirus. Cijfers zijn onbetrouwbaar, maar het land is inmiddels behoorlijk in paniek. Buitenlanders moeten bij aankomst een recente COVID-test kunnen overleggen en meteen verplicht veertien dagen in quarantaine. Er is een lijst met landen die hierop een uitzondering vormen, maar “Nederland staat daar niet tussen”. Ze noemt ‘bellijsten’ en ‘huisbezoeken’.

Journalisten, gaat ze onverstoord verder, worden regelmatig opgepakt en vastgezet. Ik protesteer nog dat ik in principe niet als journalist, maar als voetballiefhebber naar Wit-Rusland ga. “Staat jouw naam ergens onder een stuk op internet?”, vraagt ze. Misschien, antwoord ik. “Dan zien ze je als journalist.” Bovendien, houdt ze me voor: “Niemand gaat nu voor z’n lol naar Wit-Rusland”. Ze raadt me “met klem” aan een Wit-Russische persaccreditatie aan te vragen. “Krijg ik die dan ook?”, vraag ik. “Dat weet ik niet, meneer. Maar het is geen land dat zit te wachten op pottenkijkers.” Ik blijf een tijdje stil. “Ik kan je niet verbieden om te gaan. Succes met je keuze.”

Straatbeeld in Wit-Rusland.

Een flatgebouw in Wit-Rusland.

Tot overmaat van ramp krijg ik zondagavond berichtje van mijn Britse Twittervriend. Of ik het nieuws uit Minsk heb gezien. “Blijf weg van demonstraties. Iedereen wordt gearresteerd.” Ik bekijk filmpjes van journalisten die al filmend in geblindeerde busjes worden getrokken. Met een knoop in mijn maag klap m’n laptop dicht. Ik besluit mezelf nog drie dagen te geven om uit te zoeken of dit nu wel zo’n goed idee is. Tot woensdag 12:00 uur kan ik m’n vlucht nog annuleren.

Een COVID-test krijg je in Nederland alleen als je ook daadwerkelijk klachten hebt. Met behoorlijke tegenzin maak ik toch een afspraak. Diezelfde middag prikt een aardige vrouw van de GGD een wattenstaafje net iets te diep in mijn neus. Omdat, zo lees ik online, de borsjtsj in Wit-Rusland vaak niet zo heet wordt gegeten als dat-ie wordt opgediend bel ik nog wat buitenlandse hotelketens in Minsk om uit te zoeken of die zelf-quarantaine een beetje wordt gehandhaafd. “Soms komt de politie langs,” probeert de receptioniste van een grote Amerikaanse keten me gerust te stellen. “Maar wij zeggen dan gewoon dat u op uw kamer bent.” Dat scheelt.

Die middag bel ik met anoniem nummer naar het ministerie van Buitenlandse Zaken in Wit-Rusland. In gebrekkig Engels krijg ik uitgelegd dat er voor een persaccreditatie een online formuliertje moet worden ingevuld. “Hoe lang duurt het voordat ik antwoord heb?”, vraag ik. Het blijft even stil aan de andere kant van de lijn. “Misschien een paar weken,” antwoordt de vrouw van het ministerie. Tot zover dat plan.

Tegen beter weten in mail ik wel alvast de club of ik tenminste nog een spiegelreflexcamera naar binnen mag nemen, zodat ik alsnog wat goede plaatjes kan schieten.

Om m’n gedachten wat te verzetten bel ik op dinsdagmiddag met Robert Maaskant, die in 2013 een half jaar de trainer van Dinamo Minsk was. “De wedstrijd tegen BATE is daar inderdaad de wedstrijd van het jaar,” lacht hij. De editie die hij zelf meemaakte herinnert hij zich nog prima. “We verloren die wedstrijd en de supporters verdachten drie spelers van matchfixing. Op de terugweg werd onze bus klem gereden en hebben we een halfuur op een landweggetje naast de snelweg gestaan.” Verder, zo verzekert hij me, is Wit-Rusland een heel normaal land. In Minsk kun je volgens hem uitstekend kreeft eten.

Ondertussen heb ik een e-mail van Cyril, de persman van BATE. Ik mag best foto’s maken, als ik hem even mijn Wit-Russische persaccreditatie mail. Ik besluit dat formuliertje alsnog in te vullen en ik stuur een kopietje naar Cyril. Die accreditatie krijg ik natuurlijk nooit, denk ik, maar dan heb ik in ieder geval goede wil getoond.

Op de ochtend van de ticket-deadline ontvang ik de verwachte negatieve uitslag van de COVID-test. Dan verschijnt er ineens een nieuwe mail van BATE-persman Cyril en ik geloof nauwelijks wat ik zie. Hij heeft wat kennissen bij het ministerie gebeld. “Die persaccreditatie zit als het goed is vanmiddag in je mail.” Hij legt uit dat ik niet per se heel vroeg hoef te komen. “Zoveel journalisten zijn er nu niet.”

De accreditatie van BATE.

Een relatief leeg Schiphol.

Twee dagen later loop ik door een uitgestorven Schiphol. Ik ga nog even langs de drogist voor een fles desinfecterende gel. “We hebben alleen nog de grote flessen,” zegt de vrouw achter de kassa. Ik reken af. De fles zal over drie dagen helemaal leeg zijn.

Gewapend met een map met daarin mijn testuitslag, verzekeringspapieren, pasfoto’s en e-mails van Cyril meld ik me na drie uur vliegen bij een Wit-Russische douanebeambte. Ze bladert drie keer door alle pagina’s van mijn paspoort en haalt dan haar buurvrouw erbij: “Wat is het doel van je reis?”, vraagt ze. “BATE - Dinamo!”, antwoord ik iets te enthousiast. “Doe je mee?”, vraagt ze oprecht. Ik lach. “Nee, alleen om te kijken.” Ze wenst me veel plezier en plaatst de felbegeerde stempel in mijn paspoort.

Als ik die avond in een huurauto Borisov inrijdt, maakt mijn hart een klein sprongetje. Uit een diep bos verrijst een fraai staaltje Sovjet-architectuur met op de achtergrond een hele rits gigantische fabrieksschoorstenen. Het stadje heeft evenveel inwoners als Breda, maar dan vakkundig opgestapeld in doffe kolossen.

Op een terras naast het het inmiddels vervangen Haradski-stadion trakteer ik mezelf op een lokaal biertje. De eigenaar van de kroeg moet duidelijk zijn verhaal kwijt. “Ik hou van mijn land”, zegt hij harder dan nodig, “maar ik haat de regering.” Hij kijkt hoofdschuddend naar de zandvlakte voor zijn deur: “Waarom moet je vier jaar doen over het repareren van een weg?” Zijn vriend, die naast hem staat, heeft onlangs 3.000 handtekeningen opgehaald zodat een oppositiekandidaat in augustus mee kan doen met de presidentsverkiezingen. “Was die niet onlangs opgepakt?”, vraag ik wat naïef. Ze moeten beschaamd lachen. “Dit is de enige die nog niet opgepakt is. Meedoen aan de verkiezingen hier”, zegt hij met gevoel voor understatement, “is een beetje gevaarlijk.”

Voor een muurschildering van BATE.

Supporters van BATE.

Op de ochtend van de wedstrijd wandel ik langs een gietijzeren Lenin, die uitkijkt over een vier kilometer lange vierbaans boulevard. Als je die af zou rijden, passeer je het donkerblauwe gebouw van Borisov Automobile and Tractor Electronics: een van de grootste werkgevers van de stad en tevens naamgever van de plaatselijke FC.

Ik hoef maar één blokje verder te lopen of ik sta op een zandweg tussen auto’s met leeggelopen banden en open prullenbakken. Verbleekte lakens om de zon tegen te houden – het is vandaag 34 graden – wapperen lui uit open ramen. Het is ineens moeilijk voor te stellen dat dit de stad is van de ploeg die het afgelopen decennium Juventus twee keer gelijk hield en van Bayern, Roma en Arsenal won.

Ik loop nog wat rond, maar hier geen dronken Dinamo-fans in de fonteinen of BATE-tifosi die alvast hun kelen smeren. Veel te vroeg neem ik bus 10 naar de Borisov Arena, de blinkende nieuwbouwbak in de bossen tussen Borisov en Zhodino. Onderweg steekt een geel-blauwe sjaal uit een felgroene Lada en dan weet je: hier wordt zo meteen gevoetbald.

Aankomst bij de media-ingang van het stadion.

Onderweg naar de fanshop loop ik een groepje Dinamo-fans tegen het lijf. “Zijn jullie met veel hier?”, vraag ik een van de jongens. “Helaas niet,” antwoordt hij. “Op de plek waar wij nu staan is vorig jaar flink geknokt.” Omdat er in augustus verkiezingen zijn, zet de politie je bij het minste of geringste vast. Uit zijn woorden begrijp ik dat het dan niet om een nachtje cel gaat. De Dinamo-ultras hebben daarom collectief besloten om deze wedstrijd te boycotten. “En corona dan?”, vraag ik. “Ach,” valt zijn vriend hem bij. “Volgens mij hebben de meeste mensen dat al wel gehad.”

Na een rondje rond het stadion word ik bij de persingang vriendelijk begroet door Cyril. Het blijkt een verrassend jonge kerel die buiten al even stond te wachten op zijn enige buitenlandse gast van vanavond. Mijn tas wordt uitgebreid gecontroleerd, maar de thermometer die op tafel ligt wordt niet gebruikt. Nadat ik – geen grap – al zijn collega’s de hand heb geschud, legt hij uit waar ik met mij persaccreditatie allemaal mag komen, wat neerkomt op overal, “behalve op de grasmat”.

Vlak voor de aftrap blijkt dat niet alleen de Dinamo-ultras deze wedstrijd links laten liggen. Als de omroeper zijn stem schor schreeuwt op ‘BATE’, hoor ik in het ‘Borisov’-antwoord vooral kinderstemmetjes. Ik gok dat het stadion voor een derde gevuld is, maar omdat de meeste mensen op de hoofdtribune gaan zitten is het daar ouderwets druk. Anderhalve meter? Niet bij BATE.

Als de wedstrijd begint kijk ik voor het eerst eens goed rond. Ik heb een week slecht geslapen van deze onderneming, maar het gevoel om weer eens bij een echte voetbalwedstrijd te zijn maakt veel goed. De sjaaltjes gaan de lucht in bij het clublied en twintig seconden na de aftrap veert het vak al op bij een grove tackle van de uitploeg. Dit kan wel eens een heet avondje worden.

Al snel ontdek ik de voordelen van een stadion bezoeken als journalist. Ik zit een tijdje in de avondzon op het VIP-terras en loop met hetzelfde gemak nog even langs de dug-outs. Kreeg ik overdag de stugge Wit-Russen met geen stok op de foto, voor het ‘journal’ wordt omstandig geposeerd. Niemand stelt vragen als ik achter het doel op het platformpje klim dat normaal gereserveerd is voor de capo van de BATE-ultras. Vanaf daar heb ik perfect zicht op de beste kans van de eerste helft: Dinamo’s reservekeeper Daniil Shapko voorkomt stijlvol dat BATE-vedette Stanislav Dragun scoort vanuit een corner.

Vlak voor de rust ruil ik m’n carrière als persfotograaf voor een biertje. Net op tijd, want ook in de rust bevestigen de Wit-Russen hun reputatie als wereldkampioen veel drinken. En daarbij zit zo’n mondkapje natuurlijk gewoon in de weg.

Drukte bij de snacks in de rust.

Ook in de tweede helft speelt BATE zoals het een club uit Borisov betaamt: zoutloos. Dinamo gaat er warempel in geloven en rechts tegenover de hoofdtribune roert zich zelfs een behoorlijke pluk boycot-boycotters. Na een uur spelen gaat Dinamo’s nummer 71, die iets wegheeft van Jonjo Shelvey maar in werkelijkheid Mikhail Kozlov heet (niet te verwarren met Mikhail Kozlov), op avontuur. Uit zijn voorzet kopt Yevgeniy Shikavka de 0-1 binnen. Twee minuten later maakt Kozlov er zelf 0-2 van.

Een oudere meneer naast me, die Alexander blijkt te heten, gelooft er nog in en schreeuwt BATE nog eens naar voren. Met wat hulp van zijn jongere buurman vraag ik hem waarom hij geen mondkapje draagt. Hij maakt zich weinig zorgen, begrijp ik. “Veel mensen denken dat ze corona hebben. Maar als ze naar de dokter gaan, blijken ze gewoon verkouden.” Ondanks de aanmoediging van mijn buurman komt BATE de rest van de wedstrijd niet meer in de buurt van een doelpunt.

Wat rest is een tafereel dat ik vanachter mijn mondkapje met open mond bekijk. Alsof ze zojuist de Johan Cruijff Schaal hebben gewonnen klimmen de Dinamo-spelers in het geïmproviseerde uitvak om de meegereisde supporters persoonlijk de hand te drukken en te omhelzen. Loekasjenko kan tevreden zijn, mocht hij gekeken hebben.

Spelers van Dinamo Minsk geven supporters een hand.

Supporters van Dinamo Minsk.

Ik knijp de laatste druppel uit deze voetbalavond door obligate selfies te nemen met spelers die net van hun grootste rivaal hebben verloren en wiens naam ik niet ken. Tevreden loop ik de vier kilometer van de Vulica Čapajeva terug naar mijn hotel, dromend van de volgende wedstrijd. Hopelijk is die wat dichter bij huis.