FYI.

This story is over 5 years old.

Muziek

Gui Boratto: “Ik was het lelijke eendje van de technoscene”

De Braziliaanse emohouse-meester over het vrolijke vierde album na zijn duistere derde.
Gui Boratto's techno varieert van kleurrijke nummers als Beautiful Life tot duistere tracks als The Drill – maar het is altijd melodieus. Saaie techno vindt hij dan ook niets; het verhaal en de emotie staan centraal. Iets dat je vooral kunt voelen. De Braziliaanse producer komt deze maand met een nieuw album, Abaporu, bij het Duitse label Kompakt - naar eigen zeggen zijn beste werk tot nu toe. Ik sprak met hem over zijn achtergrond in architectuur, wiskunde, het verschil tussen dj's en producers en zijn ontwikkeling van naïef nieuwkomertje tot Abaporu: "Ik was het lelijke eendje van de technoscene."

THUMP: Je muzikale carrière begon met spelen in kleine bandjes, hoe ben je in aanraking gekomen met elektronische muziek?
Gui: Ik begon al op jonge leeftijd met gitaar- en pianospelen, toen ik een jaar of acht, negen was. Rond mijn veertiende raakte ik verveeld met de standaard rock. Ik begon te luisteren naar bands die flirtten met synthesizers en ging dat zelf ook doen. Doordat ik gitaar en piano speelde, was ik verweven met toetsen. Het was niet moeilijk om synthesizers en samplers in mijn band te introduceren. Geleidelijk aan raakte ik meer en meer into elektronische muziek, dus het was een natuurlijk proces, er was niet echt een bepaald moment waarop ik tegen mezelf zei: ik wil techno produceren. Ik ben eigenlijk ook geen technoproducer, ik zweef een beetje tussen verschillende subgenres. De ene keer ben ik wat meer industrieel en techno, de andere keer house of zelfs progressive.

Advertentie

Van alle markten thuis dus. Je hebt ook een diploma in architectuur en stadsplanning. Hoe heeft dat jou als muzikant beïnvloed?
Al mijn vrienden op de universiteit deden iets met muziek. Muziek en architectuur zijn ongeveer hetzelfde. Je behandelt de ruimtes, de structuur, het ritme. Het is alleen een andere manier van kunst uiten. Het staat allemaal met elkaar in verbinding. Muziek was mijn eerste passie en architectuur mijn tweede. In Brazilië is het lastig om een muzikale carrière na te streven. Daarom had ik architectuur als plan B en heb ik twee jaar in de stedelijke sector gewerkt. Maar toen deed ik al jingles en muziek voor advertenties en produceerde ik mijn band. Ik viel uiteindelijk toch voor mijn grootste passie, muziek.

Tegenwoordig heb ik een andere droom; bijvoorbeeld om van niets een huis te bouwen. Maar deze twee terreinen zijn voor mij één terrein. Ik hou ervan om dingen te tekenen, ik hou van muziek maken. Muziek is een extensie. Muziek en architectuur zijn hetzelfde; het is allemaal wiskunde. Wiskunde kan erg poëtisch zijn, en heel erg mooi. Poëtische cijfers. En muziek bestaat uit cijfers, dat is het verband.

Je derde album klonk een stuk duisterder dan je andere werk, en Abaporu klinkt weer een stuk vrolijker. Ben je het daarmee eens en is er een bepaalde reden dat III donkerder is dan de rest?
Het derde album was mijn rock 'n roll-periode, ik was in de tijd dat ik het produceerde niet heel vrolijk. Maar ik hou van verschillende stemmingen. Het fijne aan een album maken is dat je verschillende gevoelens de revue kan laten passeren. Je kan alternatieven testen, met verschillende elementen spelen. Je kan naar de rivier, het bos en het strand, allemaal in een uur tijd. Als je een single maakt, heb je maar een paar minuten om een boodschap over te brengen. Het derde album is eigenlijk mijn favoriet, omdat het vergeleken met Chromophobia en Take My Breath Away veel complexer is. Wat compositie betreft is het misschien wel het compleetste album, en ook wat mijn techniek en productie betreft. Ik weet dat het donker en introspectief is, maar het is heel krachtig. Dat ging heel natuurlijk, maar het had bijvoorbeeld nooit gewerkt als het mijn eerste album was geweest. Dat is omdat ik bij het uitbrengen ervan al veel fans had, waardoor mensen deze kant van Gui konden zien. Het heeft me zeven jaar gekost om in dezelfde stemming terug te komen als in 2006, toen ik Chromophobia deed. Dat ging veel makkelijker, en het klonk ook erg naïef.

Advertentie

Waarom?
Ik was destijds een beetje het lelijke eendje in de technoscene, daarom klonk het anders; ik draaide niet in clubs, ik deed niets. Ik was een studionerd, een geek die helemaal niet in het nachtleven zat. Misschien was dat lelijke eendjesding iets wat me onderscheidde van de rest, en de mensen vonden het leuk.

Mijn carrière is een ontwikkeling geweest en het derde album, III, kwam uit in 2011. Het is gek omdat het donker is en tegelijkertijd heel energiek. Het zou logischer zijn als Chanel voor de catwalks had gekozen voor een nummer van Avicii of David Guetta, maar ze kozen voor nummers van mijn album, muziek die daar juist haaks op staat.

Je kan al mijn albums in een andere omgeving beluisteren. Ik vind het zelf dan ook geweldig om op indiefestivals als Lowlands te staan, waar ik Queens of the Stone Age, Skrillex, de technojongens en lokale helden heb zien spelen. Het is geweldig om een gemengd publiek en een gemengd album te hebben. Ik vind het leuk als een album creatief is, dat een producer verschillende structuren probeert, verschillende composities die je blij of verdrietig maken. Geen saaie techno, daar hou ik niet van.

En kun je ons vertellen waarom je het album Abaporu genoemd hebt, wat verwijst naar het gelijknamige modernistische schilderij van de beroemde Braziliaanse kunstenares Tarsila do Amaral?
Abaporu betekent 'de man die mensenvlees eet', dus eigenlijk gewoon kannibalisme. Kannibalisme slaat in dit geval op het verorberen van invloeden. Net als Tarsila ongeveer negentig jaar geleden probeerde te refereren aan de invloeden uit Europa die haar hielpen bij het bouwen van haar concepten. Ik was ook invloeden en indrukken aan het verzamelen, vooral omdat ik zoveel aan het reizen was en naar muziek van overal luisterde. Daarom heb ik het Abaporu genoemd.

Advertentie

Tegelijkertijd was het een geweldige kans om een hommage te maken aan een van onze belangrijkste schilders. Ik heb een klein grapje uitgehaald met de cover, het is mijn point of view, een geüpdatete versie van het origineel van Abaporu. Weet je, we verzamelen altijd invloeden. Als je naar een ander land reist en andere dingen ziet, reflecteert dat op jou, op je composities en op je stemming.

Je album wordt gezien als een crossculturele fusie. Zijn er bepaalde aspecten van je eigen cultuur die je in je muziek gestopt hebt?
In Brazilië hebben we zoveel verschillende muziekstijlen. In het noorden wordt er vooral carnavalsmuziek geluisterd, in het zuiden domineert het elektronische en in het centrum gaat het vooral om country. We hebben daarnaast ook een bossa nova-achtergrond, mijn favoriet, en misschien wel het meest invloedrijke wat Braziliaanse muziek en cultuur betreft. Maar er zijn ook invloeden uit de jaren tachtig terug te vinden in mijn muziek, zo is Get The Party Started geïnspireerd op de band Imagination.

In je grootste hit Beautiful Life werd gezongen. Hoe belangrijk zijn vocalen voor je?
Vocalen kunnen, net als ieder ander instrument, een melodielijn maken. De melodie is dan ook belangrijker dan de tekst, omdat de melodie over kracht bezit om je vrolijk of droevig te laten voelen zonder een specifieke reden, alleen om de melodie. Mensen houden van vocals, maar het is geen vereiste. Normaal gesproken doe ik één of twee nummers met vocalen op mijn albums. Maar ik denk dat door mijn popachtergrond zelfs mijn instrumentale nummers een popstructuur hebben.

Verwacht je hetzelfde grote succes als met Chromophobia? 
Ik denk dat Abaporu mijn beste album is, Michael Mayer zei dat laatst ook tegen me. Het is allemaal met elkaar verbonden; de cover, de content. Ik verwacht wel wat succes, ik heb er zoveel liefde ingestoken. Mensen voelen dat, als er veel liefde inzit, als je oprecht bent en niet anderen probeert te imiteren.

Abaporu verschijnt 29 september op Kompakt. Pre-order bij Kompakt
Pre-order op iTunes
Pre-order op Bol.com --
Volg THUMP op Facebook en Twitter