Bauhaus

Een korte geschiedenis van Nederlandse lichtkunst

We spraken curator John Prop over de tentoonstelling Lichtjaren, die toont hoe lichtkunst door de jaren is veranderd.
09 november 2015, 8:08am
Foto’s: Thomas Lenden. Met dank aan het Kunstfort bij Vijfhuizen en Stichting Polderlicht

Met een beetje goede wil zou je Louis-Bertrand Castel een lichtkunstenaar van het eerste uur kunnen noemen. Aan het begin van de achttiende eeuw was deze Franse wetenschapper bezig met het ontwerp van een lichtorgel: een instrument met zestig gekleurde glaspanelen, die werden doorgelicht wanneer de bijbehorende toets werd ingedrukt. Schilderen met geluid, noemde Castel dit. Hij wilde muziek maken die ook door doven gehoord kon worden.

Castel slaagde er uiteindelijk niet in om het orgel te bouwen, maar zijn idee om met licht te componeren is niet onopgemerkt gebleven. Vlak nadat het elektrische licht werd uitgevonden, hielden kunststromingen als het Futurisme, Constructivisme en Bauhaus zich intensief bezig met lichteffecten, en inmiddels is lichtkunst uitgegroeid tot een populaire kunstvorm. Het ene lichtkunstfestival (GLOW Eindhoven) is nog maar net begonnen als het volgende (het Amsterdam Light Festival) zich al aandient.

Wat zich de afgelopen halve eeuw heeft afgespeeld op het gebied van lichtkunst, is nu te zien in de tentoonstelling Lichtjaren, in het Kunstfort bij Vijfhuizen in de gemeente Haarlemmermeer. De werken van moderne kunstenaars zijn te zien naast die van de pioniers van weleer, en de tentoonstelling laat zien dat de scheidslijn daartussen minder groot is dan je in eerste instantie denkt. Je ziet er hoe oude patronen terugkeren in nieuwe vormen, en hoe kunstenaars zich los van elkaar laten beïnvloeden door dezelfde inspiratiebron. We vroegen curator John Prop van Stichting Polderlicht om enkele voorbeelden uit te lichten.

De kubus van Johan van Zutphen.

Allereerst het moiré-patroon, het effect dat ontstaat als twee net iets verschillende reeksen van rasters met elkaar overlappen. Dat is te zien in de verlichte kubus van Johan van Zutphen, gemaakt in 1975: een glazen vierkant waarvan ieder vlak hetzelfde gestreepte patroon heeft. Het moiré-effect treedt op wanneer de kubus beweegt (zoals in deze video, op 0:44), of simpelweg wanneer je er langsloopt.

Jaren later is dit patroon ook terug te zien in het werk van Mariska de Groot. Met haar installatie Cine Chine schijnt ze licht door roterende schijven met gaten erin, waardoor er lijnachtige patronen op de muur ontstaan. Deze patronen worden opgevangen door lichtsensoren, en één op één omgezet naar geluid – inderdaad, een compositie met licht.

Cine Chine

Beiden maken gebruik van optische effecten, zoals gebruikelijk onder optical artists. In tegenstelling tot Van Zutphen maakt De Groot echter deel uit van de nieuwste generatie lichtkunstenaars – een lichting die vorm kreeg met de uitvinding van led- en laserlicht, en dankbaar gebruik maakt van de mogelijkheden die de digitalisering met zich meebracht.

Ook Matthijs Munnik behoort tot deze ‘new wave’. In zijn werk Lightscape worden in hoog tempo verschillende complementaire kleuren uitgestraald – veel sneller dan je hersenen kunnen verwerken, en dus creëert je brein uit zichzelf allerlei vreemde patronen. “Pure hightech psychedelica,” zegt Prop. “Een moiré-effect is dit niet meer te noemen, maar je ziet er wel een fascinatie voor herhalende patronen in terug.”

Omdat het effect dat in _Lightscape _wordt toegepast vooral plaatsvindt in het brein, heeft het volgens Munnik weinig zin om het vast te leggen op beeld. In deze video – waarin alsnog een poging wordt gedaan – licht hij die uitdaging verder toe.

Domestic Totems

Iemand die ook dankbaar gebruikmaakt van oude technieken, is de Koreaanse Eun Kyoung Hwang. Met haar Domestic Totems wordt neonlicht – wat al wordt toegepast sinds de komst van de popart in de jaren zestig – gecombineerd met berkenhout. De resultaten zijn een soort oplichtende verkeersborden voor in je huis of tuin, die niet bedoeld zijn als richtingaanwijzers, maar eerder als meditatieve objecten. “Hwang wilde hiermee een tegenwicht bieden aan de dolgedraaide informatie- en consumptiemaatschappij waarin we leven,” vertelt Prop.

Ook Jozef van der Horst, een lichtkunstenaar van een wat oudere generatie, combineert neonlicht met het hout van bomen, al hebben hij en Hwang elkaar nog nooit ontmoet. Rond de eeuwwisseling maakte Van der Horst een reeks kunstwerken waarin hij boomtakken liet verstrengelen met neonbuizen. De glazen buizen blies hij zelf. Hij is een van de laatste Nederlandse lichtkunstenaars die daar überhaupt nog toe in staat is.

De neonbuizen van Jozef van der Horst

En dan hebben we het nog niet eens gehad over Décrochage nr. 6, de gebroken cirkel van François Morellet, of de verlichte tl-buizen van Willem Marijs – zie de foto’s hieronder. Voor meer daarover zul je toch echt het Kunstfort bij Vijfhuizen moeten bezoeken, waar de tentoonstelling tot en met zondag 6 december te zien zal zijn.

Slotvraag: hoe ziet de toekomst van lichtkunst eruit? Volgens Prop ligt de nadruk bij de hedendaagse lichtkunst vooral op interactiviteit en grootschaligheid. “Ergens is dat jammer, want men vergeet hierdoor bijna dat lichtkunst ook een puur esthetische kwaliteit heeft.” Maar aan de populariteit van lichtkunst an sich hoeft niemand te twijfelen. “Steden zien al die lichtfestivals als een marketingtool. En geef ze eens ongelijk, want je kunt je stad zo van haar allermooiste kant laten zien.”

Décrochage nr. 6. Beeld met dank aan John Prop

De tl-buizen van Willem Marijs. Beeld met dank aan John Prop