Een advies voor hoe je kunt omgaan met mensen die een naaste verliezen

Mijn vrienden wensten de zieke Eberhard van der Laan massaal sterkte, maar wisten niet wat te zeggen tegen een vriend wiens moeder op sterven lag.

|
mrt. 24 2017, 6:00am

Onlangs was er treurig nieuws over mijn burgervader Eberhard van der Laan: uitgezaaide kanker, uit de running, verminderd aan het werk. Mijn Facebook-kring is zeer op Eberhard gesteld, net als ik zelf. Er verschenen veel reacties van afschuw en medeleven in mijn nieuwsfeed. Het was hartverwarmend. Het leidde ook tot een paradox, want niet alleen Eberhard, maar ook een van de ouders van een van mijn vrienden had uitgezaaide kanker.

Laatst kreeg ik van een gedeelde vriend een bericht. "He, hoorde je van [die persoons ouder]? Die heeft kanker. Vind het zo erg, maar weet niet wat ik tegen [onze gedeelde vriend] moet zeggen." Van andere vrienden kreeg ik soortgelijke sentimenten door. De paradox is deze: als de (min of meer aangekondigde) dood verder van ons af staat, is het makkelijker haar te omarmen, bespreken en verwerken. Waarom kunnen we zo makkelijk publiekelijk ons medeleven betonen met de burgemeester die we alleen van de media kennen, en zo moeilijk iets normaals sturen naar een vriend van ons, wiens naaste om het leven staat te komen?

Ik legde de vriend die om raad vroeg uit dat hij 'gewoon' een berichtje moest sturen uit het hart, om te zeggen dat hij het rot voor hem vond en dat hij met hem meeleefde. Dat is altijd het advies dat ik geef, en ik vind het goed advies. Maar ik vergeet weleens dat het venijn zit in het woordje 'gewoon'. Het is veel makkelijker gezegd dan gedaan. Ik dacht dat ik mijn 'normale' relatie met de dood had bevochten door het overlijden van mijn moeder, en de hele rouwrompslomp die volgde.

Na haar dood dacht ik dat ik er een kei in was geworden. Ik dacht vervolgens dat het puur en alleen om ervaring draaide. De dood meemaken is de dood verachten. Ik zat ernaast. Maar ik kwam ook tot een bescheiden inzicht. Laat me je een verhaal vertellen.

Ik denk vaak aan de dood. Als ik joggers zie bijvoorbeeld, of als ik iemand een kipstick zie eten bij de Febo. En altijd als ik de Kijkshop binnenloop. Het komt doordat ik morbide ben en mijn moeder is overleden aan de kanker, denk ik.

Toen ze op sterven lag merkte ik dat anderen soms niet zo met de dood bezig zijn, of willen zijn, of kunnen zijn. In de vijf weken waarin haar dood was aangekondigd was er een vriend die precies één keer belde. "He man, ik vind het echt rot voor je," zei hij. Ik dankte hem. "En voor mijn moeder is het trouwens ook niet leuk," zei hij. Moest ik om lachen.

Van een andere vriend kwam geen steun in de vorm van telefoontjes of e-mails. Wel bracht hij een uitgeprinte foto van mij op A3 formaat langs, die hij aan de deur van mijn ouderlijk huis afgaf voor hij wegracete in zijn auto. Een andere vriend belde af en toe, maar op de dag van de begrafenis moest hij afrijden; ik vermoedde toen dat hij het niet had verzet omdat hij liever niet op begrafenissen aanwezig was. Deze dingen heb ik nooit met ze besproken, omdat ik het gevoel heb dat ik ze dan beschuldig, terwijl dat niet mijn bedoeling is. In plaats daarvan keek ik terug op die gebeurtenissen met een Mandela-achtige glimlach. Ik was vroeger ook zo, dacht ik dan. Voorbeelden te over. 

Foto via Flickr-gebruiker lasanta.com.ec

Ik was achttien toen de vriend van mijn tante ziek werd. Ik ben nooit bij ze langsgegaan, heb niks durven laten horen. Gehuild heb ik, en hard, maar wel op mijn studentenkamer in Utrecht, en nooit in aanwezigheid van mijn tante. Ik was zeven toen de man van mijn oppasmoeder kanker kreeg. Ook toen heb ik me nooit laten zien. Stuurs speelde ik Duckhunt, maar langsgaan deed ik niet. Op die leeftijd, de basisschool, lag ik soms trouwens ook nachten wakker omdat ik nadacht over het feit dat mijn ouders ooit zouden sterven. Pas toen mijn eigen moeder onmiskenbaar de pijp van het leven uit zou gaan – het bleek trouwens veel kutter te zijn dan ik toen ik jong was had kunnen voorstellen – was het voor mij tijd de dood teder te wrijven en er mijn armen omheen te slaan. Het loeder tegen de borst drukken.

Na mijn moeders crematie was ik er echter van overtuigd dat ik de dood als gespreksonderwerp volkomen meester was. Ik dacht: als iemand van wie je houdt doodgaat is dat paardenkut, maar als mensen dan aardig tegen je doen en aandacht geven krijg je er tenminste nog iets voor terug. Iets, dat wilde ik de mensen geven. Ik vond het zo fijn als mensen dat bij mij deden, aan mij vroegen of het ging, hoe het ging. Alle aandacht die ik maar krijgen kon. Als ik dus op feestjes mensen tegenkwam die een naaste waren verloren zette ik mijn Mandela-glimlach op en sprak ik erover met ze, om te horen of ze het erover wilden hebben, om te kijken of ik iets kon doen om te ondersteunen, of het leed te verzachten. Dat ging jaren goed, en jarenlang na het overlijden van mijn moeder maakte ik me alleen nog in abstracte zin zorgen om de dood. Dat veranderde met de naderende dood van mijn onderbuurvrouw.

Zij en ik hadden een kleine geschiedenis, een band die door nóg een dood was versterkt. Een jaar eerder was ik eens op een gure winteravond bij haar terecht gekomen omdat ik mijn huissleutels in Zeeland had laten liggen – zij en haar man waren mijn huisbazen. Hij lag toen op de bank, te roken als iemand die niet lang meer had. Hij had alvleesklierkanker en was opgegeven. De dokter, vertelden ze me toen, wilde niets met euthanasie te maken hebben, en toen heb ik verteld over mijn moeder en hoe fijn het was dat zij zelf de beslissing had kunnen maken. Een vreemd gesprek om te voeren met iemand die je een half uur kent, maar ik Mandela'de me er zonder veel moeite doorheen. En toen hij stierf was ik op de begrafenis, waar ik mijn buurvrouw en haar zoons condoleerde en mijn rol speelde. Daarna ging ik af en toe bij haar langs, om een wijntje te drinken, een beetje te kletsen. Ze deed me aan mijn eigen moeder denken, zo'n mens, op haar manier pittig, hartelijk, liefdevol. Ze had er niet altijd evenveel zin meer in, na het overlijden van haar man, maar ze bleef wijn schenken en ik knuffelde haar altijd half aangeschoten bij het afscheid.

Afbeelding via Wikimedia Commons

Eén verhaal definieert haar voor me. Ik had door een journalistiek verhaal twee Iraniërs leren kennen die in een asielzoekerscentrum zaten. Ik had ze uitgenodigd om te komen eten. Net voor het diner moest ik nog wat rode peper halen bij de supermarkt, en toen liep ik tegen de onderbuurvrouw op. Ik vertelde wat voor bijzondere gasten ik had. Ze zei: "Pas op met die mensen hoor, voor je het weet blijven ze in je woning." Ik keek teleurgesteld. Ze zei: "Ik wil die mensen eigenlijk niet in huis hebben." Woedend liep ik weg. Twee dagen later liep ik de deur uit, en toen was ze kennelijk bij de voordeur blijven wachten tot ze me zag, want ze trok de deur open en zei met tranen in haar ogen dat het haar zo speet dat ze dat had gezegd. Toen was het weer goed.

Vervolgens gooide mijn onderbuurvrouw roet in het rouw-eten, een steentje in de vijver waar ik mezelf zo genoegzaam in bewonderde. Ze zei dat ze kanker had. Mijn Mandela-lach stokte

Steeds als ik dan langs haar voordeur liep bedacht ik dat ik eigenlijk toch wel erg veel honger had, of dat ik huiswerk moest maken. Na een paar weken van dat, dacht ik: ik wil wel langsgaan, maar ik heb geen bloemen bij me. Als ik zo lang niet ben langs geweest is het minste wat ik kan doen bloemen meebrengen. Een keer kocht ik bloemen, maar toen was het al half tien, en ik vermoedde dat haar kinderen er waren, dus toen gaf ik de bloemen aan mijn vriendin. We waren maanden verder. Ze werd in het ziekenhuis opgenomen, hoorde ik van mijn andere huisgenoot, en toen ben ik haar ten slotte daar maar gaan opzoeken. Eerst dacht ik dat er een oude man in het verzorgingshuis lag. Maar toen we het navroegen bleek zij het toch te zijn. Haar volle bos zwart haar was uitgevallen, en een dun, grijs vlasje was er voor in de plek gekomen. Ze glimlachte als Mandela. Dat was de laatste keer dat ik langs durfde te gaan. Ik zag haar nog een keer, toen ze doodziek en broos de taxi instapte. Ze keek naar me, schudde glimlachend haar hoofd. Een paar dagen later was ze dood. Ik weet niet precies waar ze is gestorven. 

Het punt dat ik probeer te maken is dat hoe vaak de dood ook in je leven kan komen, de angst om ermee om te gaan en mensen bij te staan wordt er nooit echt minder om. Bij mij althans niet, en ik gok dat dit voor heel veel mensen geldt. Dus waar het om draait is waar het altijd op neerkomt: moed en liefde, in die volgorde.

Mocht je nu iemand kennen wiens naaste dood gaat, ken je iemand die zelf stervende is, probeer dan die moed te vatten, en laat wat van je horen. Het is moeilijker dan een facebookbericht plaatsen voor iemand die je amper kent, maar het is een van de betere dingen die je kunt doen.

Meer VICE
VICE-kanalen