protest

Ondanks Uber-kapitalisten is er nog hoop voor de 'deeleconomie'

Silicon Valley-criticus Trebor Schultz denkt dat democratische startups de deeleconomie kunnen redden.

door Chantal van Elden
27 juni 2016, 7:44am

Beeld: Startupbrics

De deeleconomie klinkt zo mooi. Dingen die je hebt of kan deel je via een platform met anderen, waardoor je op een flexibele, persoonlijke en laagdrempelige manier geld kan verdienen of besparen. Het bekendste voorbeeld is UberPop, een quasitaxi aangeboden door mensen die in hun eigen auto rijden en door de klanten beoordeeld worden. Voor consumenten is dit vaak een stuk goedkoper dan een taxi en de chauffeurs kunnen zelf beslissen hoe vaak en wanneer ze rijden.

Maar hoe mooi dit ook klinkt (of klonk), er is ook veel kritiek op Uber, dat momenteel zo'n 15 miljard euro waard is. Uber wordt gezien als oneerlijke concurrentie omdat het bedrijf niet aan dezelfde wettelijke voorwaarden hoeft te voldoen als traditionele taxibedrijven, en chauffeurs verdienen vaak minder dan het minimumloon. Daarnaast zijn Uber-chauffeurs ook zeer afhankelijk van de beoordeling van klanten, wat gepaard gaat met veel onzekerheid. Als je een paar slechte beoordelingen krijgt, zal dit in het beste geval tot gevolg hebben dat minder mensen met jou mee willen rijden, en in het slechtste geval dat je account gedeactiveerd wordt. Soortgelijke kritieken zijn van toepassing op vele andere startups die zichzelf presenteren als voorvechters van de deeleconomie.

"Bedrijven als Uber trekken in een stad, negeren daar de lokale wet of maken gebruik van achterdeurtjes, en zijn vervolgens succesvol ten koste van concurrenten die zich wel aan de wet moeten houden. Vervolgens stappen ze naar de politiek en zeggen ze: 'kijk eens hoe innovatief we zijn en hoe goed we het doen, jullie moeten de wet veranderen," zegt de mediawetenschapper Trebor Schultz.

Schultz gaf vorige week donderdag een openbare presentatie aan de Universiteit van Amsterdam waarin hij betoogde dat platforms als Uber, Airbnb en Amazon's Mechanical Turk helemaal geen onderdeel zijn van een ware, duurzame deeleconomie. Ze zijn juist voorbeelden van het klassieke kapitalisme: bedrijven die draaien om het binnenhalen van grote investeringen en zoveel mogelijk winst proberen te maken, al dan niet ten koste van de werknemers. (Hij heeft hier ook een boek over geschreven, Uberworked and Underpaid: How workers are taking back the digital economy, dat oktober dit jaar zal verschijnen.)


Schultz veroordeelt bedrijven als Uber, maar zegt dat er wel degelijk hoop is voor de deeleconomie. Wat volgens hem nodig is, zijn bedrijven die een platform aanbieden dat niet draait om winstmaximalisatie, maar om daadwerkelijk delen en samenwerken. Dit principe noemt hij 'platform cooperativity', oftewel samenwerkingsplatforms. In de praktijk komt dit neer op een internetbedrijf met een hoge mate van transparantie en een democratische structuur. De werknemers zijn mede-eigenaar van het bedrijf, delen in de winst en hebben inspraak in het bestuur.

"De winst druipt uiteindelijk naar de eigenaren in Silicon Valley"

De meest startups hebben een korte en hevige levenscyclus. Een groepje mensen start een internet- of techbedrijf, claimt dat het een revolutionair bedrijfsmodel heeft dat écht iets gaat bijdragen aan de wereld (denk: de Uber van…) en gaat vervolgens op zoek naar rijke investeerders die aandelen in het bedrijf willen kopen. Deze investeerders worden hierdoor een soort onofficiële mede-eigenaren van het bedrijf en hebben recht op een deel van de winst. Hoe meer en hoger de investeringen, hoe hoger de speculatieve totaalwaarde van het bedrijf, of het nu al winst heeft gemaakt of niet. Op de beurs worden de aandelen vervolgens weer doorverkocht tegen hogere prijzen. Zo groeien startups heel erg snel in waarde, terwijl de meeste slechts een korte levensduur hebben en nooit winstgevend worden.

Dit soort bedrijven wordt ook gekenmerkt door een hoge mate van centralisatie, wat betekent dat de macht bij een klein groepje aan de top ligt. Dit is ook waar het geld naartoe gaat. "De winst druipt uiteindelijk naar de eigenaren in Silicon Valley," zegt Schultz. "Werknemers krijgen slecht betaald of worden niet eens erkend als werknemers, waardoor ze weinig rechten hebben en niet of slecht kunnen rondkomen als het werk fulltime gedaan wordt." Zo worden Uber-chauffeurs vaak niet als taxichauffeurs in dienst gezien, terwijl ze structureel concurreren met 'echte' taxichauffeurs. (Dit verschilt overigens per land.)

De normalisatie van dit soort bedrijfsmodellen is nog wel het grootste probleem. Het gevolg hiervan zal volgens Schultz namelijk zijn dat de vaste baan steeds minder vanzelfsprekend wordt en uitbuiting wordt goedgepraat – en dat terwijl de vermogensongelijkheid overal ter wereld steeds groter wordt en steeds minder mensen een vaste baan hebben.

Dat Uber-achtige bedrijfsmodellen toch heel populair zijn, komt volgens Schultz vooral door de hoge knuffelbaarheid van startups. "Silicon Valley heeft termen als 'delen' en 'intimiteit' gekidnapt," zegt hij. Veel startups pretenderen een sympathiek, vooruitstrevend internetbedrijf te zijn dat de wereld beter gaat maken met behulp van peer-to-peer-tactieken, maar uiteindelijk zijn ze eerder negatief dan positief voor de economische realiteit van een bevolking, omdat ze relatief weinig geld de samenleving in brengen.

Het alternatief hiervoor zijn volgens Schultz democratische startups die samenwerkingsplatforms aanbieden; de echte vertegenwoordigers van de deeleconomie. Dit soort bedrijven wordt niet gefinancierd door andere bedrijven maar door middel van crowdfunding of bankleningen, waardoor ze onafhankelijk blijven van grote investeerders die zo snel mogelijk winst willen maken.

Van dit soort internetbedrijven bestaan al meerdere succesvolle voorbeelden. Zo bestaat sinds 2012 het Canadese bedrijf Stocksy, dat een platform heeft waarop fotografen stockfoto's kunnen aanbieden. Tussen de 50 en 100 procent van de opbrengst gaat naar de fotograaf, in tegenstelling tot bijvoorbeeld concurrent Shutterstock, die tussen de 20 en 30 procent geeft (hoewel de foto's ook wel goedkoper zijn daar). Zo is in 2015 bijna de helft van de 7 miljoen euro aan omzet van Stocksy uitgekeerd aan de meer dan 900 fotografen die bij het platform zijn aangesloten. Deze fotografen zijn daarnaast ook nog eens allemaal mede-eigenaar: ze hebben een aandeel in het bedrijf en delen zo in de winst.

Een ander voorbeeld van een bestaand samenwerkingsplatform is Fairmondo, een Duits alternatief voor Amazon waarop mensen ethisch verantwoorde producten kunnen verkopen, dat is opgericht in 2013 door middel van een crowdfundingcampagne. Ook hier is iedereen die bijdraagt aan het platform aandeelhouder, waardoor ze meeprofiteren van het succes van het bedrijf. Daarnaast is de structuur van het bedrijf democratisch, in de zin dat de bestuursraad gekozen wordt door de leden en negentig procent van de leden het eens moet zijn met belangrijke beslissingen. Momenteel heeft Fairmondo slechts zo'n tweeduizend leden en zijn de salarissen van de werknemers minimaal, maar het doel is om uiteindelijk een internationale federatie met honderdduizenden leden te vormen, die kan concurreren met bedrijven als Amazon.

"Steden moeten Silicon Valley-achtige startups reguleren en de ruimte bieden aan alternatieve platformen"

De vraag is wel hoe waarschijnlijk het is dat democratische samenwerkingsplatforms massaal zullen kunnen concurreren met 'gewone' startups en bestaande succesvolle internetbedrijven. Vooral gezien het feit dat Europese Commissie recentelijk (redelijk vage) richtlijnen heeft opgesteld om de deeleconomie te stimuleren, waarin onder andere staat dat een verbod op een bepaalde startup enkel in extreme gevallen zou moeten plaatsvinden, en dat bedrijven die fungeren als een 'tussenpersoon' tussen consumenten zo min mogelijk gereguleerd moeten worden. (Uber en Airbnb hebben, zoals viel te verwachten, positief gereageerd op de richtlijnen.) Als overheden terughoudend zijn met het reguleren van Uber-achtige bedrijfsmodellen, hebben samenwerkingsplatforms met minder financiële middelen dan wel een kans?

Volgens Schultz moeten de steden hierin helpen. Zij staan dichter bij de bevolking dan nationale overheden en ze hebben minder last van lobbyende bedrijven. "Steden moeten Silicon Valley-achtige startups reguleren en de ruimte bieden aan alternatieve platformen," zegt hij. "Het is in het belang van een stad om geld binnen de gemeenschap te houden, in plaats van dat het naar Silicon Valley stroomt."

Dat een bepaald platform geassocieerd wordt met termen als delen, gelijkwaardigheid en innovatie betekent namelijk bij lange na niet dat deze associatie terecht is

Er zijn wereldwijd al vele steden die hiermee bezig zijn, waaronder Amsterdam, dat door het stadsbestuur tot de eerste 'sharing city' van Europa benoemd is. In het 'actieplan voor de deeleconomie', dat afgelopen maart door het stadsbestuur is goedgekeurd, is te lezen dat de stad innovatieve startups wil blijven stimuleren, bijvoorbeeld door zelf platforms op te zetten waarop mensen door de gemeente ongebruikte kantoorruimte en voertuigen kunnen gebruiken. Tegelijkertijd wordt er in het plan erkend dat de deeleconomie goed gereguleerd moet worden om bijvoorbeeld oneerlijke concurrentie te voorkomen. Om deze reden is Uber verboden en mogen mensen die hun huis verhuren via Airbnb dit maximaal twee maanden per jaar doen en moeten ze belasting betalen.

Toch zou Schultz vermoedelijk nog wel wat op- en aanmerkingen hebben bij het plan van Amsterdam, omdat er niets gezegd wordt over democratische platforms. Daarnaast wordt er in het plan geen onderscheid gemaakt tussen non-profitplatforms (denk Wikipedia) en commerciële internetbedrijven (zoals Airbnb). De deeleconomie is niet één ding waar je voor of tegen kan zijn: het bestaat uit heel veel verschillende soorten platforms, die stuk voor stuk een andere rol spelen in de samenleving. Een platform als Peerby, waarmee je spullen kunt uitlenen aan iemand in de buurt, doet iets heel anders dan Uber, omdat tegen betaling een ladder uitlenen aan iemand die honderd meter verderop woont niet als werk gezien kan worden en ook geen concurrentie vormt voor een specifieke sector.

Dit maakt het lastig om onderscheid te maken tussen een wenselijk en onwenselijk platform en dit geldt ook voor democratische samenwerkingsplatforms, iets waar Schultz aan voorbij gaat. Ondanks het feit dat het bestuur en de structuur van platforms als Stocksy verschilt van internetbedrijven als Uber, hebben ze namelijk ook veel gemeen, en ze zijn uiteindelijk beiden onderdeel van de deeleconomie. Ze bieden allebei een platform waarmee mensen op een vlugge, flexibele en autonome manier kunnen bijverdienen naast een andere baan, en claimen allebei iets positiefs en betekenisvols toe te voegen aan de wereld. Maar écht delen is het niet, aangezien een bedrijf dat verdient aan mensen die dingen delen nog steeds een bedrijf is dat winst wil maken. Zelfs als dit bedrijf het gedeelde bezit van alle werknemers is.

Schultz' visie op hoe internetbedrijven eruit zouden moeten zien is er één waar iedereen over na zou moeten denken. Dat een bepaald platform geassocieerd wordt met termen als delen, gelijkwaardigheid en innovatie betekent namelijk bij lange na niet dat deze associatie terecht is, zoals de geschiedenis van Uber heeft laten zien. Het is dan ook ontzettend belangrijk om als gebruiker kritisch te zijn op platforms die we gebruiken, of ze nu uit Silicon Valley komen of niet. De deeleconomie is ten slotte geen doel op zich, maar een manier om de wereld van productie en consumptie duurzamer en toegankelijker te maken.