Hoe mijn leven veranderde nadat zeven drugsagenten mijn huis binnenvielen

De naald zat nog in mijn arm toen ik de deur opendeed. Zeven drugsagenten in burger – vijf sterke mannen en twee vrouwen – kwamen schreeuwend binnen gestormd.
18.3.16

Hieronder lees je een stuk uit het nieuwe boek Unbroken Brain van Maia Szalavitz's, dat volgende maand wordt uitgegeven door St. Martin's Press.

Ik opende de deur terwijl er een naald in mijn arm zat.

Zeven drugsagenten in burger – vijf sterke mannen en twee vrouwen – kwamen schreeuwend binnen gestormd. Ik had net een shot genomen en gooide alles neer, hopend dat niemand iets door zou hebben. Ik verwachtte mijn vriendin Lina, die terug zou komen met geld voor de cocaïne die Matt en ik haar zojuist hadden gegeven. Ik had last van een pijnlijke oorontsteking, die ik had opgelopen door de drugs die ik injecteerde. Het was Demerol, een verdovend middel dat me was voorgeschreven door de huisarts in Colombia. Ik moest wel heel erg ziek zijn: de arts schreef me een opiaat voor met daarnaast antibiotica, zelfs toen ik haar vertelde dat ik een verleden had met heroïnegebruik.

Het was natuurlijk totaal niet de bedoeling dat ik de Demerol zou injecteren. Tot aan dat moment was het me gelukt om mezelf een paar maanden bijna volledig weg te houden van drugs, in de hoop weer toegelaten te worden op de universiteit na mijn 'tussenjaar'. Als ik er nu op terugkijk, was ik overduidelijk van het padje af, en mijn leven stond op het punt om alleen maar verder af te brokkelen. Het idee dat ik was hersteld en zo nu en dan veilig drugs kon gebruiken, bleek steeds meer een harde leugen te zijn.

Tot die verschrikkelijke dag in september 1986, leek het in toom houden van mijn drugsgebruik relatief eenvoudig. Ik was al een paar keer in één keer gestopt met heroïne gebruiken, en dat ging eigenlijk altijd wel prima. De afkickverschijnselen doorstond ik meestal wel. Meestal was het juist zo dat ik me na een paar weken niks gebruiken weer zo goed voelde dat ik dacht: eentje kan vast geen kwaad. Toch leek de reden om deze keer te stoppen goed genoeg om het ook echt vol te gaan houden.

Door naalden te delen, had ik namelijk aan het begin van de zomer hepatitis A opgelopen. (Meestal krijgen mensen B of C, als gevolg van injecties, maar op de een of andere manier kreeg ik A, wat normaal vooral wordt verspreid door het eten van verkeerde vis en schaaldieren.) Mijn hepatitis A-infectie, die normaal gesproken minder erg is dan de andere varianten, maakte me in korte tijd zo ziek, dat zelfs gezond eten voelde als puur vergif. Laat staan drugs.

Het was zelfs zo dat ik erachter kwam dat ik ziek was doordat de ontwenningsverschijnselen niet weggingen door weer heroïne te nemen. Dat het geen ontwenningsverschijnselen maar een nare ziekte was, had ik in het begin nog niet door. Ik werd doodsbang. Urine vol bloed en grijze uitwerpselen zorgde er al snel voor dat ik bij de eerste hulp belandde. Ik was zo ziek dat elk middel dat ik nam me nog meer vergiftigd en slecht liet voelen.

Drugs afslaan werd daardoor in ieder geval heel makkelijk. Zo makkelijk zelfs, dat ik na het verlaten van het ziekenhuis dacht dat ik genezen was; dat mijn probleem was opgelost. Ik begreep nog steeds niet dat stoppen met een verslaving niet alleen maar draaide om het doorstaan van de ontwenningsverschijnselen. Ik wist toen ook nog niet dat het vrijwel zeker was dat ik weer zou terugvallen, aangezien ik nooit echt had geleerd om lange tijd zonder drugs door het leven te gaan. Ook woonde ik nog steeds in een omgeving vol drugs. Ik bleef erin geloven dat verslaving in eerste instantie wordt gedreven door lichamelijke afhankelijkheid. En aangezien ik daar geen last meer van had, dacht ik dat ik genezen was.

Nu was ik nauwelijks een week uit het ziekenhuis. Ik was weer terug in Colombia en zat weer in de schoolbanken. Ik mocht weer terugkomen omdat ik niet alleen mezelf, maar ook het schoolhoofd, had overtuigd dat ik geen drugsprobleem meer had, dankzij de hepatitis. En blijkbaar was ik niet de enige die geloofde dat het doorstaan van de ontwenningsverschijnselen het enige was dat moest gebeuren.

In mijn brief om opnieuw te worden toegelaten, schreef ik over mijn ziekte en mijn herstel – en over mijn oprechte verlangen om te studeren en te leren. Ik was er eigenlijk heel open over. De school wist dat ik door een cocaïneprobleem was vertrokken, en ik schreef over hoe ik daarna was overgestapt op heroïne, voordat ik 'hersteld' was van mijn leverziekte. Ik dacht echt dat ik een nieuwe start aan het maken was. Ik zei er alleen niet bij dat ik nog steeds samenwoonde met – en in principe ook werkte voor – een cokedealer. Ik was er namelijk nog niet echt uit van wat ik daaraan moest doen.

Als ik er nu op terugkijk, schaam ik me enorm voor alle dingen die er in ons appartement zijn gebeurd. Ik walg ervan als ik eraan denk. Het geeft een goed beeld van zowel het pure gedachteloze gedrag bij een verslaving, als de manier hoe wij er als maatschappij mee omgaan. Toen ik de deur opendeed en realiseerde dat het niet onze klant Lina was die had aangebeld, wist ik echt niet wat ik moest doen.

Haar zogenaamde vrienden bleken drugsagenten te zijn uit Long Island. Ze waren haar gaan volgen na een tip van een maatje van de middelbare school, die iemand anders erbij moest lappen om zelf gevangenisstraf te omzeilen. Ze wilden me dolgraag ontmoeten, maar ik weigerde. Om jezelf te beschermen als dealer, moet je nooit iets verkopen aan mensen die je niet kent. Hoe dan ook, ze hadden eerder die dag een telefoongesprek opgenomen waarin ik met iemand een afspraak maak voor een deal. Doordat ik het appartement niet uit ben geweest om de verkoop te doen, heb ik mezelf een extra straf bespaard door het direct aan de agenten te verkopen. Lina werd beschuldigd van het daadwerkelijke verkopen van drugs, wat blijkbaar een veel zwaarder vergrijp was dan waar ik me aan had schuldig gemaakt – ook al was ik in feite veel meer met drugs bezig dan zij.

Lina was een naïeve tweedejaars student aan de Universiteit van New York en kwam uit Nassau County in Long Island. Ze had zwart geverfd haar en een paar piercings, maar ze was verder niet heel rebels of zo. Een vriend uit haar woonplaats was in Nassau County opgepakt. Om een minder zware straf te krijgen, moest hij een andere dealer verraden. Dat werd Lina. Ik kende haar van een groep waarmee ik vaak uitging, in gelukkigere tijden – voordat het drugsgebruik mijn leven overnam. Lina was geen dealer of zware gebruiker – laat staan een verslaafde. Ze nam zo nu en dan wat coke en ze deed deze verkoop, omdat ze dacht dat het een vriendendienst was voor een vriend van vroeger. Toen wist ik dit nog niet, maar terwijl de politie mijn appartement binnenstormde, was zij al gearresteerd en werd ze vastgehouden in een busje beneden.

Gelijk nadat ze waren binnengestormd, namen twee agenten me mee naar de gang buiten mijn appartement. Ik was toen onder invloed, nog koortsig en volledig versuft; en ik was bovendien doodsbang. Ik zag hun pistolen aan hun riem zitten, waar ik redelijk zenuwachtig van werd. Ze beloofden me dat als ik het formulier tekende, dat ze in mijn gezicht duwde, ze me niet zouden arresteren. Stom genoeg werkte ik mee. Tot op de dag van vandaag snap ik nog steeds niet waarom ik dat deed: het moet vast een combinatie van angst, griep, vergiftiging en mogelijk ook mijn Asperger zijn geweest, om altijd maar te doen wat anderen zeggen. Naast het verkopen van drugs is het waarschijnlijk het meest stompzinnige ding dat ik ooit heb gedaan. Natuurlijk was de politie me aan het voorliegen: als ik er helder over had nagedacht, had ik dat meteen doorzien. Het formulier bleek een akkoord te zijn voor een huiszoeking. Die hadden ze niet. Nu wel.

De drugsagenten stormden de slaapkamer binnen. Daar vonden ze Matt, die in zijn onderbroek coke zat te wegen op de weegschaal. Er lag uiteraard een grote hoeveelheid coke om hem heen – op z'n minst een kilo. Dat was uitzonderlijk: Matt had toevallig een grote voorraad van een kameraad van hem liggen, omdat die zelf te bang was om zo'n grote hoeveelheid in huis te hebben. Ook zat er zo'n achttienduizend dollar verstopt in een archiefkast – waarvan het grootste deel bedoeld was om de contactpersoon van de drugs te betalen. In mijn slaafse toestand liet ik de drugsagenten precies zien waar het lag.

Terwijl ze aan het zoeken waren, liepen ze in het rond grappen te maken over de rommel in ons appartement. Een vrouwelijke agent zei op sarcastische toon dat dit huis zo in een chique woonglossy zou passen. Ze gedroegen zich zo cliché dat het allemaal nóg onwerkelijker leek. Een gezette agent met een pistool had een T-shirt van Hard Rock Café aan. (Het is gek hoe je altijd heel goed alle details kunt herinneren van de momenten die je leven drastisch hebben veranderd.)

Al snel werd het allemaal nog vreemder. Matt werd op heterdaad betrapt, maar ze vonden hem eigenlijk niet eens interessant. Toen ze me in de boeien sloegen en meesleepten, dacht hij dat ik ontvoerd zou worden door een bende die zich voordeed als politieagenten, aangezien echte politieagenten nooit zo coulant zouden omgaan met iemand die een heterdaadje aan zijn broek heeft. Totaal in de war zat hij daar maar wat. Zelf was ik ook in een soort shock. Ik herinner me nog dat ik in de lift werd geduwd, en door de agenten de straat op werd begeleid. Op een gegeven moment, terwijl ik stilstond op 49th street, werd ik heel even overdonderd door een vreemd gevoel van opluchting en totale vrijheid. Precies datgene waar ik zo lang voor had gevreesd was nu werkelijkheid geworden – dus daar hoefde ik me geen zorgen meer over te maken. Een moment later werd ik opnieuw overvallen door angst.

Alle illustraties door Corey Brickley

De vijf jaren die volgden, stonden geheel in het teken van de gevolgen van die ene dag. Mijn herstel zou nog zeker twee jaar op zich laten wachten – en mijn verslaving werd er na mijn arrestatie alleen maar erger op. Hoewel er goede argumenten zijn om misdaden als drugshandel hard te bestraffen, is er geen twijfel over mogelijk dat het strafrechtelijke systeem ineffectief is en vaak een averechts effect heeft op verslaafden. Mijn ervaring is daar slechts een voorbeeld van.

Een verslaving wordt niet per se bepaald door de afhankelijkheid van een bepaalde substantie om te kunnen functioneren, of door eenvoudigweg een obsessie voor het middel waaraan je verslaafd bent. Als dat zo was, dan zou het waarschijnlijk inderdaad helpen om iemand gewoon een tijdje op te sluiten.

Maar zo zit het niet. Een verslaving betekent dat je totaal dwangmatig een middel moet gebruiken, ondanks de negatieve consequenties die ermee gepaard gaan. En 'negatieve consequenties' is in feite een iets minder beladen term voor 'straf', wat in feite gewoon precies hetzelfde is. In andere woorden: als straf inderdaad zou werken om een verslaving tegen te gaan, zou die hele verslaving nooit bestaan. Volg je me nog?

Denk er een over na: verslaafden blijven drugs gebruiken terwijl ze er alles door verliezen: hun baan, geliefden, kinderen, dromen en soms zelfs ledematen. Ik ging door met gebruiken nadat ik een ziekte had opgelopen die me het gevoel gaf alsof ik vergiftigd was. Ik ging door met gebruiken ondanks dat ik daardoor van school werd getrapt – de school waar ik mijn hele leven van had gedroomd en voor had gewerkt om daar aangenomen te worden. Ik ging zelfs door met gebruiken ondanks dat ik wist dat ik elke dag een risico liep op een overdosis en aids. Nadat ik bijna was overleden aan een overdosis en hepatitis had opgelopen, ging ik door. Ondanks dat de cocaïne me paranoïde en doodsbang maakte, alsof ik op het punt stond te sterven, ging ik ermee door.

Straffen werkt dus voor geen meter. Bovendien toont een reeks van onderzoeken aan dat het brein van verslaafden anders reageert op beloning en straf, ongeacht waar ze aan verslaafd zijn. Een onderzoek wees uit dat ongeveer twee derde van de mensen die verslaafd zijn aan een bepaald middel een verhoogde emotionele reactie vertoonde op beloning. Deze groep reageerde echter normaal op straf. Net zoals bij tieners, zij ze dus harder op zoek naar beloningen, terwijl ze niet echt nadenken over de eventuele straffen. Nóg interessanter: de overige deelnemers – een derde – uit het onderzoek reageerde helemaal niet op straffen. Zelfs wanneer ze hadden geleerd dat een bepaalde kaart van een kaartenspel tot meer verlies leed, bleven ze dit type kaart kiezen. Dit toont de volharding aan om door te zetten, zelfs als het evident is dat er een straf op volgt. Op dezelfde manier wezen andere onderzoeken uit dat er een mindere hersenactiviteit gemeten werd tijdens een straf bij cocaïne- en amfetamineverslaafden.

Dus waarom blijven zoveel mensen denken dat je een verslaving eindigt wanneer mensen alles (dreigen te) verliezen, en dat het criminaliseren van drugsgebruik dit tegengaat? Laten we kijken naar hoe we moeten omgaan met drugsdealers die niet verslaafd zijn en welke straffen of consequenties bij illegale verkoop passend zijn. Mijn punt is vooral dat de manier waarop men met verslaafden omgaat, op een bepaald moralistische en bestraffende manier, er helemaal niet toe leidt dat verslaving beschouwd wordt als een ziekte – ook al wordt dat wel vaak geclaimd. Er wordt op dezelfde manier naar gekeken als dat politie en justitie dat doet: iets dat je keihard aan moet pakken en dan komt het wel goed.

Ooit zijn we mensen gaan straffen om een aandoening te verhelpen – ondanks dat die aandoening juist inherent is aan het niks aantrekken van straffen. Dat is sindsdien de gangbare manier geworden om verslavingen te zien. Terwijl er genoeg bewijs is om te zeggen dat hier geen snars van klopt.