Lege theaterzaal, leeg podium
Foto via wikimedia commons, beeldbewerking door de auteur. 
Cultuur

Waarom minder geld voor kunst uiteindelijk leidt tot slechtere Netflix-series

We spraken jonge theatermakers over waarom er ook nu geld naar cultuur moet. "Genieën komen ergens vandaan, uit het arthouse-circuit bijvoorbeeld."
07 mei 2020, 8:35am

“We zullen doorgaan...” het koor van theatermakers zingt steeds een toontje hoger, totdat de stembanden tot het uiterste zijn opgerekt, en dan nog hoger, totdat sommigen van hen het niet meer kunnen bijbenen. Er wordt een gigantische theaterventilator aangezet, die woest over het gezang heen brult, terwijl de zang steeds ijler en schorrer klinkt. Steeds meer zangers raken buiten adem, totdat ze uiteindelijk stoppen.

Het is geen artistieke interpretatie van de coronacrisis maar de grande finale van een solidariteitsavond voor de theaterwereld, begin maart. Theaterbonzen als Eric de Vroedt van het Nationaal Theater en Componist des Vaderlands Calliope Tsoupaki geven een speech, en het doel van de avond is, plat gezegd, meer geld en waardering vragen voor cultuur. Al jarenlang is de cultuurwereld stelselmatig verzwakt door bezuinigingen, terwijl de sector (met hulp van iets meer dan een miljard subsidie) goed is voor bijna 3,8 procent van het BNP – zo’n 31 miljard euro en meer dan 300.000 banen – en dus niet alleen kunstenaars, maar ook bijvoorbeeld barpersoneel en schoonmakers in theaters aan het werk houdt. Nu het economisch lekker ging vonden de theatermakers het tijd dat Rutte weer wat van dat opgespaarde geld liet terugvloeien naar de cultuursector. Meer in ieder geval dan het geplande schijntje van 80 miljoen extra per jaar dat over de hele sector zal worden uitgesmeerd.

Helaas vliegt het bezuinigde geld er nu weer met bakken uit om bijvoorbeeld KLM te redden (kosten: 2 tot 4 miljard, terwijl de totale luchtvaart goed is voor 3,2 procent van het BBP) en om politieagenten te laten controleren of mensen wel genoeg afstand houden. Ondertussen zijn alle theaters en kunstinstellingen dicht. Het verwachte verlies vanwege de coronacrisis loopt daardoor al tegen de miljard, maar de overheid kwam slechts met een mager noodpakket van 300 miljoen over de brug. Ik sprak met jonge theatermakers Kyrian Esser en Lisanne van Aert (beiden betrokken bij het collectief Aanvang!, dat de solidariteitsavond mede organiseerde) over wat chronisch geldgebrek met de cultuursector heeft gedaan, en hoe het verder moet. Is het coronavirus misschien ook een kans om de kunstwereld nieuw elan te geven?

Het coronavirus is vooral dodelijk voor patiënten die al onderliggende kwalen hebben, en datzelfde lijkt op te gaan op economisch vlak. De kunstensector ligt rochelend in bed met een zware auto-immuunziekte. Sinds PVV-Kamerlid Martin Bosma cultuursubsidies een “linkse hobby” noemde, heeft de VVD dat frame dankbaar aangegrepen als excuus om in 2012 een vijfde van de totale kunstbegroting te schrappen. Inmiddels is dat idee er zo ingesleten dat veel kunstenaars zelf zijn gaan geloven dat hun belang voor de maatschappij verwaarloosbaar is. Het idee van de solidariteitsavond was om gezamenlijk te pleiten voor een gunstiger kunstklimaat. Maar nu alles in het teken staat van het voorkomen van zoveel mogelijk corona-doden en het klimmen uit het economische ravijn dat ons te wachten staat, is het nog makkelijker om kunst af te doen als een onnodige frivoliteit. De problemen in de kunstsector zijn er ondertussen ook nog steeds, en als we niet met zijn allen anders gaan nadenken over kunst, zullen ze alleen maar erger worden.

Het woord ‘solidariteit’ had voor de coronacrisis nog een linksig VARA-bijsmaakje, maar de theatermakers zagen het als de enige oplossing. De kunstsector was verworden tot een genieën-wedstrijd met een heel klein jackpotje. Door een beperkte subsidiepot en wat grote prijzen was het idee dat talent gestimuleerd zou worden om meer uit zichzelf te halen, maar volgens Esser gaat er zo juist veel genialiteit verloren. Hij gelooft er niet in dat een genie zomaar ontstaat: het kost veel tijd en geld om jezelf als kunstenaar te ontwikkelen.

Minder geld voor de cultuursector is dus niet alleen vervelend voor de kunstenaars, die vast ook liever een extra gratis theatershow hadden gegeven dan een solidariteitsavond. Ik had ze zelfs een champagnefeest gegund, omdat ze die kunst uiteindelijk niet voor zichzelf maken, maar voor ons, de toeschouwers. Vooral wij lopen allerlei moois en leuks mis door een karige cultuurbegroting, want er wordt onnodig veel op safe gespeeld.

Experimenten en extremen worden namelijk moeilijker, volgens Esser. “Er zijn gezelschappen in toneel, die twintig jaar lang veel kritiek kregen op hun spelkwaliteiten, maar inmiddels in de canon zitten. Ze hadden iets nieuws gevonden dat pas achteraf werd omarmd.” Dat soort risico’s kun je alleen nemen als er een vangnet is. Tot 2012 konden kunstenaars bijvoorbeeld doorwerken terwijl ze een uitkering kregen, zodat een eventuele financiële tegenvaller – een voorstelling die weinig werd bezocht omdat hij te controversieel of te moeilijk bleek voor het grote publiek, bijvoorbeeld – er niet meteen toe leidde dat ze ander werk hoefden te zoeken. Maar dat is afgeschaft. Esser: “Wij vinden het in Nederland blijkbaar erger dat een paar mensen van zo'n uitkering een lelijk schilderij maken dat we niet goed vinden of een beetje lui, dan dat het gros van de keihard werkende professionals met een heleboel vakkennis elke maand bestaansonzekerheid heeft.”

Door die onzekerheid is het moeilijk voor kunstenaars om kritisch te zijn op elkaar. “Wij houden erg van polemiek,” zegt Esser over zijn theatergezelschap De Theatertroep. Ze schreven onder een pseudoniem een tijd lang extreem vernietigende recensies over hun eigen en andere voorstellingen, gewoon, om de boel een beetje op te schudden. “De hoogste beoordeling die we ooit gaven was een halve ster. Maar op een gegeven moment merk je dat het effect heeft: dan kom je in de omstreden lijstjes, en niet in de toplijstjes. Ik vind het niet erg om omstreden te zijn – graag zelfs. Maar als het betekent dat je je kunst niet kunt blijven maken, dan ga je misschien je kritiek wegschrijven.” Lisanne van Aert vult aan: “Ik denk dat je een bepaalde veiligheid en geborgenheid nodig hebt om te kunnen clashen. Als die basis er niet is, raakt iedereen juist totaal verstard en durven ze niks meer te zeggen. En dat is eng.”

Je kunt je afvragen of het idee van het prijswinnende, alom bewierookte genie niet vooral tot behaagzieke in plaats van geniale kunst leidt. Er is een financiële prikkel om braaf te zijn en in de smaak te vallen bij prijzen-uitdelers en de subsidieverstrekkers. Subsidie krijg je namelijk niet zomaar: je moet uitgebreide plannen indienen die aan allerlei eisen moeten voldoen. Niet alleen artistieke criteria spelen daarbij een rol. Vaak wordt maatschappelijk relevante kunst gestimuleerd: instellingen moeten bijvoorbeeld aantonen dat ze een brede doelgroep bedienen. Daarbovenop wordt er ook nog “ondernemerschap” verwacht van kunstenaars: altijd moet je kunnen laten zien dat je ook buiten de subsidie om genoeg geld verdient.

Esser vergelijkt de subsidie-eisen met hoepels waar de kunstenaar “voor een hongerloon” doorheen moet springen, en ook hij doet eraan mee. “Je moet wel. Absoluut. Het heeft dagelijks invloed op mijn praktijk, wat er van je geëist wordt.” Hij beschrijft hoe veel kunstenaars zich in allerlei bochten wringen om aan de voorwaarden te voldoen. “Om het percentage eigen inkomen te halen, schrijven veel mensen bijvoorbeeld minder uren dan ze daadwerkelijk maken. Zo houd je de kosten laag.” En zelfs als de subsidie eenmaal binnen is, moet je je achteraf verantwoorden. Esser: “Je schrijft een fondsaanvraag soms twee jaar voordat je begint te repeteren aan een voorstelling, en voor je het weet voer je dat dan uit.” Als je nog iets wil veranderen om je show aan te passen aan veranderde tijden, of er op het laatst achterkomt dat je alles om wilt gooien, heb je wat uit te leggen. “Achteraf gaan ze je aanvraag ernaast leggen om te kijken of het wel is wat je beloofd had.”

We gaan er natuurlijk vanuit dat er kundige mensen bij de fondsen werken, maar uiteindelijk kunnen zij namens ons bepalen dat iets te raar of te maatschappelijk ontwrichtend is om geld te krijgen. Want de fondsen moeten op hun beurt ook weer verantwoording afleggen aan de politiek. In de praktijk gaat het vaak genoeg goed, maar in de kern stimuleert het systeem maatschappelijk verantwoorde kunst, waar potentieel een groot publiek voor is. Precies het soort kunst dat ook zonder subsidie tot stand zou kunnen komen. Het leuke aan kunst subsidiëren is namelijk dat er kunst kan ontstaan die weinig kans heeft om populair te worden. Kunst die zich niet hoeft aan te passen aan de markt. Wat mij betreft zou elke kunstenaar op kosten van de belastingbetaler de vrijheid mogen krijgen om pijnlijke, nare, schandalige, impopulaire en choquerende kunst aan de mensen op te dringen, en niet alleen kunstenaars die toevallig toegang hebben tot een flinke zak privé-kapitaal.

Naast de subsidievoorwaarden heeft een competitief en financieel schraal kunstklimaat ook invloed op wat voor kunst er wordt gemaakt. Aan de onderwerpen die Van Aert koos in haar oeuvre kun je dat goed zien. Ze studeerde af met een toneeltekst over keizerin Sissi die in een obscure nachtclub met de Dood flirt, en maakte daarna met haar collectief Het Pijpcollectief een show over het overvloedige all-inclusive-paradijs Preston Palace. “We hebben nu een voorstelling met onze werkloze moeders gemaakt over werkloosheid, getiteld De wereld heeft ons failliet verklaard,” zegt ze. “Die was er niet gekomen als ik werk had gehad. De thema's in je eigen leven zijn belangrijk, en ik denk dat arbeidsvoorwaarden in mijn hoofd een groot thema zijn. Ik had het erover met een theaterschrijver die werk heeft voor de komende vijf jaar. Hij zei: ik schaam me er een beetje voor, maar ik voel weinig noodzaak om naar zo'n solidariteitsavond te gaan. Hij is wars van enige maatschappelijke duiding. Het is een privilege om daar niet over na te hoeven denken. Je krijgt er heel andere kunst van, denk ik. Een soort speelsheid, fantasie. Daar krijg je pas ruimte voor als het kan.”

Van Aerts nieuwe voorstelling is vanwege de coronacrisis niet in premiere gegaan. “Dat was wel even vervelend. Het is raar om zo intens naar iets toe te werken en dat het dan ineens voorbij is. En dat je ook geen idee hebt wanneer het ooit nog gaat gebeuren. Het is wel de intentie dat het ooit nog gaat gebeuren.” Het thema van het stuk is daarnaast alleen maar relevanter geworden. “Ja, we zijn nu allemaal failliet verklaard.” In haar show zou ze op zoek gaan naar ‘radicale gezelligheid’. “Wij zouden op zoek gaan naar waar de grenzen van loyaliteit liggen. Bestaat er alleen maar handelen uit eigenbelang of kun je elkaar echt daadwerkelijk helpen?” Ook het werkloosheidsthema is urgenter geworden. “Ik heb helemaal geen werk meer. Ik had een bijbaan bij een bloemist, maar daar kan ik nu ook niet werken. Als ik uiteindelijk die uitkering voor zzp'ers krijg, dan is dat voor mijn levensstandaard genoeg. Er ontstaat daardoor ruimte, al is het ook een angstige periode.”

Van Aert merkt dat de drang om constant te produceren is weggevallen. “Je hebt normaal gesproken toch het gevoel dat je altijd een beetje in de picture moet blijven. Je hebt een soort neoliberaal systeem geïnternaliseerd: ik ben alleen maar waardig als ik werk.” Van Aert en Esser organiseren nu videobelletjes met verschillende groepen in de kunstwereld. “Afgelopen week bijvoorbeeld de mimespelers.” Dat geeft hoop. Esser: “Veel mensen zijn even uit de concurrentie-achtbaan gestapt. Aan de andere kant zie ik dat de race wie het snelste corona-proof uit de crisis kan raken weer hard bezig is." Wie als winnaar uit de crisis komt en wie niet, heeft ermee te maken of je veel subsidie hebt van het Rijk of niet, maar ook met geluk. "Wij hebben toevallig net een subsidie binnen voor een project. Dat kunnen we nu uitsmeren, waardoor ik ruimte heb om na te denken. Maar ook mensen in mijn circuit zijn grotendeels afhankelijk van de ticketverkoop.”

Esser is bang dat het kunstbeleid dat voor de coronacrisis is ingezet gewoon zal worden voortgezet. Daarbij zou de ruggengraat van de kunstwereld gevormd worden door zogenaamde basisinstellingen. Dit kleine aantal grote instituten zal de minister sowieso door de coronacrisis heen slepen, en het idee is dan dat andere kunstenaars daar vanzelf weer bij kunnen aanhaken. “Ik ben niet zo'n fan van het feniks-uit-de-as-scenario, omdat ik het kabinet niet toevertrouw dat ze enige visie op cultuur hebben.” Esser is bang dat het zo niet werkt, omdat velen tegen die tijd al ander werk gezocht zullen hebben. Een klein aantal basisinstellingen die kunst naar de mensen brengt, dat is handig, overzichtelijk en efficiënt. Maar efficiëntie is niet per se goed, illustreert Esser aan de hand van een supermarktvergelijking: “In veel dorpen heeft geen enkele kleine ondernemer een winkel, er zijn alleen wat Albert Heijns. Dat vind ik niet echt een ideaalbeeld, hoe efficiënt het ook is.” Ik breng in dat veel mensen het helaas waarschijnlijk prima vinden om alleen maar te Netflixen en af en toe naar een Joop van de Ende-musical te gaan.

“We moeten niet doen alsof de vrije producenten en de gesubsidieerde theaterwereld gescheiden werelden zijn,” zegt hij. “We maken onderdeel uit van hetzelfde ecosysteem.” Zelfs, en misschien zelfs vooral, grotere vrije producenten, die dus sowieso geen subsidie krijgen, lijden zware verliezen door de coronacrisis en worden tot nu toe amper gecompenseerd. “En die ‘genieën’ die series maken voor Netflix zijn niet door Netflix gemaakt. Dat is talent, en dat kopen zij in. Dat talent is ergens anders opgebloeid, in het arthouse-circuit bijvoorbeeld.” Zo was Carice van Houten misschien helemaal geen Game-of-Thrones-ster geworden als ze niet eerst in het (gedeeltelijk) gesubsidieerde Nederlandse filmcircuit ervaring op had gedaan.

Er is goede hoop dat de minister het noodfonds nog gaat uitbreiden, volgens Esser. “Ze zei dat de 300 miljoen die nu is toegekend bedoeld is tot en met mei. Dat impliceert dat er daarna waarschijnlijk meer geld komt.”

Ondertussen wordt daar bovendien voor gelobbyd, en ook veel Kamerleden zien gelukkig het belang in van meer geld voor kunst. Voor nu zit er niet veel meer in dan damage control, en Rutte zal straks bij de verkiezingen vast weer gaan opscheppen hoe hij het land succesvol door de crisis geloodst heeft. Laten we dan vooral de kunst niet vergeten die ons, ondanks zijn karige cultuurbeleid, vreugde, entertainment en gelukzalige verwarring hebben geschonken in deze oersaaie tijden.

Headerfoto via wikimedia commons, beeldbewerking door de auteur.