Corona

Waarom we over de coronacrisis praten alsof we in oorlog zijn

“Oorlog is de fundering geweest van onze beschaving, dus die termen liggen binnen handbereik.”
23 maart 2020, 4:43pm
oorlogstaal
Breakthrough at Chipyong-Ni. Detail Amerikaanse propagandaposter.

“We staan voor de grootste uitdaging sinds de Tweede Wereldoorlog,” zei de Duitse bondskanselier Merkel vorige week over de corona-crisis met een stem die nog plechtstatiger klonk dan normaal. De Franse president Macron ging nog verder en verklaarde dat Frankrijk “in staat van oorlog tegen het coronavirus” verkeert. Onze eigen minister-president hield het relatief luchtig en vergeleek de crisis met een achtbaan, maar dat neemt niet weg dat er ook in Nederlandse media een uitgesproken oorlogachtige sfeer hangt. Woorden als ‘tactiek’ en ‘strategie’ worden aangewend om te beschrijven hoe we het ‘oprukkende’ virus kunnen ‘bestrijden’ (en hopelijk ‘verslaan’). Wie een boodschapje doet voor een broze buurman, ‘draagt bij aan de strijd tegen corona’; artsen en verplegers worden omschreven als ‘strijders’ die hun werk verrichten aan ‘de frontlinie’, oftewel het ziekenhuis.

Sommige mensen worden hier zichtbaar enthousiast van, zoals amateurontwerpers op Reddit die van de gelegenheid gebruik maken om zelfgemaakte propagandaposters vol gasmaskernostalgie te delen. Anderen, zoals longarts Thijs Feuth, voelen zich minder op hun gemak bij het gebruik van oorlogstermen:

Maar waarom wordt er in de berichtgeving over corona zo kwistig gebruik gemaakt van dit soort militaire metaforen? Volgens mediacriticus Kelly Mostert, die in de podcast Het Redelijke Midden onlangs uitgebreid over dit onderwerp sprak, is het in dit geval in de eerste plaats erg nuttig omdat de enorme schaal en het gevaar van corona om een soort oorlogstactiek vraagt. “Regeringsleiders en virologen kunnen uit oorlogsmetaforen putten om de ernst van de situatie duidelijk te maken,” zegt Mostert. “Onze beschaving is op oorlog gefundeerd, dus dit soort termen liggen als het ware binnen handbereik.” We begrijpen allemaal hoe gevaarlijk een oorlogssituatie is, dus door de coronacrisis daarmee te vergelijken zullen mensen sneller bereid zijn om actie te ondernemen (of in dit geval, om binnen te blijven). Daarbij creëert het een gevoel van saamhorigheid − we zijn allemaal verenigd tegen een gemeenschappelijke, onzichtbare vijand, dus we kunnen elkaar maar beter een beetje bijstaan.

Mostert wijst me op Metaphors We Live By, een invloedrijk boek uit 1980 dat geschreven werd door taalwetenschappers George Lakoff en Mark Johnson. Metaforen zijn veel meer dan poëtische stijlfiguren, stellen zij: metaforen spelen een fundamentele rol in hoe wij onszelf en de wereld om ons heen waarnemen en ervaren. Een metafoor heeft simpel gezegd invloed op hoe we over bepaalde zaken nadenken. Op die manier kan beeldspraak doorsijpelen naar de realiteit.

Dat kan handig en inzichtelijk zijn, maar soms is het vervelend. Bij een veelvoorkomende ernstige ziekte als kanker wordt ook vaak gebruik gemaakt van oorlogsmetaforen, waarbij kankercellen als een vijandige troepenmacht een lichaam binnenvallen, waartegen patiënten dapper de strijd aangaan. Voor sommigen is dit een behulpzame analogie, die ze helpt om de moed erin te houden. Maar er is ook onderzoek waaruit blijkt dat het gebruik van oorlogstaal kan zorgen voor psychologische druk op kankerpatiënten, waardoor ze juist fatalistisch worden. Het kan namelijk impliceren dat mensen die uiteindelijk niet genezen, niet hard genoeg gevochten hebben.

Ook aan het gebruik van oorlogsmetaforen in de coronacrisis zit een mogelijk negatieve kant. “Het kan zijn dat we ook de minder leuke dingen die bij oorlog horen makkelijker gaan accepteren,” aldus Mostert. Er is bijvoorbeeld een opleving van nationalistische gevoelens: ineens zitten we allemaal ademloos naar een toespraak van de koning te luisteren, en wordt minister-president Rutte aan alle kanten van het politieke spectrum bejubeld als de gedroomde staatsman. Dat is tot op zekere hoogte prettig, want het biedt troost en een gevoel van eendrachtigheid. Maar het moet wel mogelijk blijven om een kritische houding aan te kunnen nemen − want de dingen die je voor de coronacrisis niet leuk vond aan het koningshuis, bestaan nog steeds.

Daarbij komt dat er bij oorlog traditioneel gezien nogal nadruk komt te liggen op sterke mannen. “Het militaire domein is erg masculien, waardoor er niet vanzelfsprekend ruimte is voor vrouwen en lhbt-personen,” zegt Mostert. Toen Petra Stienen, Eerste Kamerlid voor D66, zich op Twitter hardop afvroeg of er ergens aandacht werd besteed aan gendergelijkheid tijdens de coronacrisis, volgde er een stortvloed van seksistische verontwaardiging. ‘Nu is niet de tijd voor identiteitspolitiek’, was de tendens, alsof emancipatie van vrouwen en minderheden een luxe gebakje is dat we ons alleen in tijden van absolute welvaart kunnen veroorloven.

“Het is niet per se goed of slecht om oorlogsmetaforen te gebruiken. Maar het is belangrijk om je ervan bewust te zijn welke dingen zo’n metafoor benadrukt, en welke dingen juist op de achtergrond blijven,” aldus Mostert. Uiteindelijk is een pandemie niet precies hetzelfde als een oorlog − ook al zijn de overeenkomsten soms treffend, op een gegeven moment gaat de vergelijking niet meer op.