Identiteit

Alle shit waar je mee te maken krijgt tijdens een transitie in de gevangenis

Ik was de eerste in mijn gevangenis die gediagnosticeerd werd met genderdysforie.

door Ethan Ybabes; zoals verteld aan Page Dukes; illustraties door Matt Chinworth
18 juni 2018, 2:22pm

Toen ik besloot om aan hormoontherapie te beginnen, moest ik nog een jaar wachten voordat ik bij een specialist terecht kon. De meeste gevangenissen hebben wel een eigen arts, maar geen endocrinoloog. Dus vertrok ik, met kettingen om m’n benen en middel, in een busje met drie bewakers en een andere transman richting een ander gevangenisziekenhuis in Georgia. Toen de dokter me vroeg waarom ik thuis nooit in transitie ben gegaan, vertelde ik dat het met de invloed van mijn familie te maken heeft, maar dat ik me niet langer druk maak om hun acceptatie. Daar nam hij genoegen mee. Hij schreef me een tweewekelijkse injectie van 100mg testosteron voor.

Aangezien we zelf niet met naalden in de weer mogen, moeten de injecties toegediend worden door de medische staf van het ziekenhuis. Maar toen ik langskwam voor mijn afspraak, was de dokter in de war. Toen ze naar mijn testosteronniveaus keek, dacht ze dat ik mijn injectie al had gehad, waardoor ik uit moest leggen dat ik een geslachtsklieraandoening heb, een conditie die zorgt voor een overschot aan mannelijke hormonen. Maar dat had ze ook gewoon kunnen lezen, mijn medische geschiedenis lag op tafel. Ze wendde zich tot de zuster om mijn eerste injectie te plannen. “Op welke dag kan ze, ik bedoel hij…” stamelde de dokter. “Nouja, voorlopig ben je toch nog een zij.” “Het,” zei de zuster lachend.

De conclusie was dat ik mijn injectie op woensdag zou krijgen. Hoewel ik me gekleineerd voelde, bedankte ik ze.

Waarom zou je een mens “het” noemen? Zelfs een hond noem je hij of zij. Als ze niet wisten hoe ze me aan moesten spreken, hadden ze dat gewoon kunnen vragen. Maar ik besloot het ze te vergeven, het is voor hen tenslotte ook wennen.

Toen ik mijn moeder over de telefoon vertelde over de zuster die me “het” noemde was ze volledig over de rooie. “Wat? HET?!” Maar toen ze wat kalmeerde, maande ze me om vooral niet in de problemen te komen. Ik zei dat ze zich geen zorgen hoefde te maken.

Op woensdag zorgde ik dat ik pas over het incident begon nadat ik mijn injectie kreeg. Aangezien de dosis zo hoog was, had de dokter voorgesteld om het in m’n heup te doen. Ik voelde er bijna niets van. Naderhand vertelde ik de zuster wat er door me heen gaat als iemand me “het” noemt. Ze bood haar excuses aan, en zei dat ze geen kwade bedoelingen had. Ik legde uit dat het me 35 jaar had gekost om tot dit punt te komen, omdat ik bang was voor de reacties die ik zou krijgen, en dat ik voor mezelf op moet blijven komen zodat ik niet terug in mijn schulp kruip.

Voor zover ik weet was ik de eerste in de gevangenis die een diagnose kreeg van genderdysforie. In het begin maakte ik me zorgen om de transitie. Ik had gehoord dat er gezondheidsrisico’s vastkleven aan hormoontherapie, en ik wist niet of ik ooit het geld zou hebben voor een operatie. Daarnaast had ik niet het idee dat ik genoeg informatie had, dus bleef ik het uitstellen. Zelfs de dokters waar ik naartoe kon hadden weinig informatie, omdat ze vooral bekend waren met vrouwelijke transities.

Daarom las ik alles wat erover te lezen viel. Een kapelaan gaf me het boek “Becoming a Visible Man” van trans-activist Jamison Green. Het werd mijn bijbel, ik heb hem ongeveer in z’n geheel gehighlight. Dat was de eerste keer dat ik een levensverhaal las dat op het mijne leek – eindelijk iemand die me volledig zou kunnen begrijpen.

Al de transmannen in mijn gevangenis die met een transitie bezig waren tastten tot het lezen van dat boek eigenlijk in het donker. We stuitten op zoveel dingen waar we nog nooit over gepraat hadden. Eerst waren we te timide om te vragen of elkaars menstruatiecyclussen al gestopt waren, maar na het boek waren er geen grenzen meer. We groeiden uit tot een enorm hechte gemeenschap.

Toen ik aankwam in het rehabilitatiehuis en werk ging zoeken, realiseerde ik me dat het hier moeilijker zou worden. Hier golden namelijk andere gendernormen. Ze namen mee naar een donatiecentrum, een soort Leger des Heils, waar ze alleen vrouwenkleding hadden. Ik dacht: shit, ik zou gewoon weer terug naar de gevangenis willen, het is daar een stuk makkelijker om trans te zijn.

In de gevangenis is men het wel gewend om mensen zoals ik te zien. Maar in de vrije wereld staren mensen de hele dag. In het begin dacht ik dat ik misschien een beetje paranoia was. Maar daarna besefte ik dat ze keken om erachter te komen of ik nou man of vrouw was. Sommigen waren respectvol genoeg om het gewoon te vragen. Dat vind ik ook gemakkelijker. Een van de jongens waarmee ik werk kwam naar me toe en vroeg me: “Dit is misschien een beetje ongemakkelijk, maar heb je liever dat ik naar je verwijs als hij of zij?” Ik antwoordde: “Dat vind ik niet ongemakkelijk. Ik heb liever dat je hij zegt.” En sindsdien kunnen we goed met elkaar overweg.

Een andere collega weet dat ik trans ben, maar noemt me nog steeds een ‘zij’, waardoor ik hem telkens moet corrigeren. Het is een regel dat we geen gezichtshaar mogen hebben op werk, maar laatst zei ik tegen hem dat ik m’n baard zou laten staan zodat hij eindelijk eens zou stoppen met naar me verwijzen met zij. Als hij zegt: “Dankjewel, mevrouw,” dan zeg ik: “Geen dank, mevrouw.” Want als ik zo reageer, zegt hij: “Wat?” en dan zeg ik weer: “Precies. Zo voel ik me namelijk ook als jij mij mevrouw noemt.” Ik probeer het altijd zo rustig mogelijk uit te leggen. Ik oordeel zelf van nature niet zo snel over anderen, dat maakt het makkelijker voor me om met mensen om te gaan die er geen reet van snappen.

Er zijn al miljoenen hele persoonlijke vragen aan me gesteld. Het voornaamste dat mensen willen weten is hoe het nou zit met mijn geslachtsdelen. Ben je onder het mes gegaan? Hoe ziet het eruit? Mag ik het zien? Ze denken niet na over hoe gek die vraag eigenlijk is, ze zijn gewoon heel nieuwsgierig. Meestal beantwoord ik hun vragen wel. Maar op een gegeven moment houdt het op, en zeg ik: “Weet je, je kan een heleboel ook online vinden.” Ik probeer mensen aan te moedigen om zich in te lezen. Ik wil niet als een lul reageren omdat ik geen verkeerd voorbeeld wil zijn. Het zou namelijk best kunnen zijn dat ik de eerste transpersoon ben die ze tegenkomen. Sommige religieuze mensen zeggen weleens: “God heeft jou gemaakt zoals je bent, dus je zou dat niet moeten willen veranderen.” Maar God weet ook hoe ik altijd al ben geweest, en heeft gewacht totdat ik zelf heb ontdekt wie ik wil zijn, om zo een fijn en volwaardig bestaan te leiden.

Het moeilijkst vind ik de situatie met m’n familie, omdat ze me al een lange tijd niet hebben gezien. Ik heb een oudere broer die ik al twaalf jaar niet heb gezien. Als we elkaar spreken aan de telefoon zegt hij: “Je moet gewoon een man hebben. Je hebt mannenangst, dat is jouw probleem.” Ik heb nachtmerries gehad over dat mijn zonen het contact zouden verbreken als ik vrij zou komen, omdat het te raar voor ze zou zijn. Maar ze zijn heel open-minded. Mijn oudste, nu 21, zei: “Mam, het is 2018. Er is een hele genderrevolutie aan de gang.” En toen ik mijn zwager zag, maakte ‘t hem niet uit. Maar hij heeft ook tien jaar vast gezeten. Misschien snapt hij het daarom ook beter. Als je je omringt met zoveel verschillende mensen in zo’n beperkte omgeving, word je minder veroordelend over anderen.

Mijn moeder heeft het steeds minder moeilijk. Toen ik haar voor het eerst schreef over mijn genderdysforie, erkende ze het niet. Daarom vind ik de situatie met m’n familie ook moeilijk. Als ze iets ongemakkelijk vinden, dan wordt er niet over gepraat. Het is geen wonder dat ik deed alsof die man die in me zit niet bestond. Maar als ik weer onderdeel word van m’n familie, kan ik het niet meer onder het tapijt schuiven. Dat tapijt is er niet meer. De vloer is niet meer bedekt. Dit ben ik.

Ethan Ybabes (37) zit een twaalfjarige straf voor een gewapende overval uit in Lee Arrendale Transitional Center in Georgia.