Identiteit

Dankzij Corry worden vrouwen in Nederland niet meer ontslagen als ze trouwen

Het eerste vrouwelijke PvdA-kamerlid zorgde er ook voor dat vrouwen in Nederland zelfstandig contracten mochten ondertekenen, en dat vrouwen in Suriname kiesrecht kregen.

door Amarens Eggeraat
07 augustus 2019, 2:48pm

Foto via Wikipedia, beeldbewerking door Dymphie Huijssen

De petitie om een standbeeld van politicus Corry Tendeloo in Den Haag te laten plaatsen loopt sinds afgelopen juni en tot 20 augustus, en is inmiddels door meer dan 12.000 mensen ondertekend. Journalist Madeleijn van den Nieuwenhuizen, die onder de naam Zeikschrift de rol van het geweten van de Nederlandse media op zich heeft genomen, begon de petitie omdat ze vindt dat er veel te weinig bekend is over het politieke werk van Tendeloo, en ze veel te weinig geëerd wordt. “Wie we eren, zegt iets over de verhalen die we belangrijk vinden om te vertellen,” is het motto van de petitie.

De naam Tendeloo is nu inderdaad grotendeels verdwenen: er wordt niet over haar onderwezen op school en er is bijna niets naar haar vernoemd – op een paar afgelegen straten en deze brug in Amsterdam Nieuw-West na. Tijdens haar leven was dat wel anders: ze haalde om de haverklap het nieuws, met haar ferme uitspraken en daadkrachtige optredens.

Corry Tendeloo (1897-1956) werd politiek actief in de jaren dertig. Daarvoor was ze een tijdje leraar Engels geweest aan een Mulo (‘meer uitgebreid lager onderwijs’), maar dat vond ze zo geestdodend dat ze besloot zelf weer naar school te gaan en rechten te studeren in Utrecht. Ook werd ze lid van de Nederlandse Vrouwenraad, een organisatie waarbinnen diverse vrouwenverenigingen bijeenkwamen om de “geestelijken, zedelijken, lichamelijken, maatschappelijken, economischen en rechtstoestand van de Nederlandsche vrouw” te verbeteren.

Tendeloo was dus al relatief vroeg betrokken bij de vrouwenzaak, en dat werd nog sterker toen ze in 1925 als advocaat begon te werken in Amsterdam. Naast haar praktijk bood ze als vrijwilliger juridische bijstand aan ‘onbemiddelden’– mensen uit de armste laag van de bevolking, die nergens anders meer terechtkonden met hun problemen. Ze merkte dat vooral vrouwen in verstikkende situaties terechtkwamen, doordat ze binnen de Nederlandse wetgeving niet gelijk waren aan mannen. Tendeloo kon dit soort onrecht kennelijk slecht verteren, want ze werd al maar feministischer. Ze sloot zich aan bij diverse vrouwenclubs en -verenigingen, waaronder de Nederlandse Vrouwenclub in Amsterdam en de Nederlandse Vereniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap.

Na de internationale economische crisis in de jaren dertig, verloren ook veel mensen in Nederland hun baan. In 1935, het ergste jaar, had ruim 19 procent van de beroepsbevolking geen werk. (Ter vergelijking: in de jaren tachtig, toen jongeren die klaar waren met school massaal buttons met ‘no future’ door al hun beschikbare kraakbeen lieten spelden, was de werkloosheid op z’n hoogtepunt ruim 10 procent.) Sommige conservatieve politici zagen hier een kans in om werkende vrouwen weer terug het huishouden in te jagen.

Carl Romme, de minister van Sociale Zaken, stelde in 1937 voor om de arbeid van getrouwde vrouwen te verbieden, om zo meer banen vrij te maken voor werkloze mannen. Romme beweerde daarbij dat vrouwen die er naast hun gezin een baantje op nahielden, automatisch slechte moeders werden die hun kinderen en huishouden verwaarloosden. Dit radicale voorstel, dat bekend kwam te staan als ‘Wetsontwerp Romme’, riep een golf van protest op: “Eeuwenlang heeft de vrouw in ketens geleefd, en met het voorstel van Romme zal de vrouw opnieuw een afhankelijk schepsel worden,” schreef een woedende lezer van Het Volksdagblad op 5 februari 1938. “Vrijheid willen we, gelijkberechtiging met de mannen! Gelijk loon voor gelijke arbeid! (…) Het is niet uit nobele overwegingen, dat men deze wet maakt, maar om aan de wens van een reactionair soort gezinsverheerlijkers en kapitalisten tegemoet te komen.”

Ook voor Tendeloo was het voorstel van Romme een reden om actie te ondernemen. Ze was inmiddels bestuurslid geworden van een politieke partij, de Vrijzinnig Democratische Bond, omdat ze daar beter terecht kon met haar activistische ideeën. Op woensdag 27 april 1938 opende ze als voorzitter de vergadering van het Comité tot Verdediging van de Vrijheid van de Vrouw in Hotel Krasnapolsky. Dit Comité bestond uit een brede collectie vrouwenverenigingen, van antifascistenclubs tot verenigingen voor huishoudelijk personeel.

Tendeloo zette de toon door te stellen dat minister Romme geen enkel bewijs had voor zijn stelling dat werkende moeders slecht zouden zijn voor hun gezin. Vervolgens kwamen er een aantal werkende moeders – waaronder een dokter en een maatschappelijk werker – en een vrijzinnige predikant aan het woord. De vergadering werd besloten met het opstellen van een telegram, dat namens alle aanwezigen vrouwen aan minister Romme werd verstuurd. “(Er) is gebleken, dat de gehuwde werkende vrouw als regel haar gezinsplichten op uitmuntende wijze vervult, zodat het uitgangspunt van bedoeld wetsontwerp, als zou zij zich aan haar gezinstaak onttrekken, niet in overeenstemming met de werkelijkheid is.”

Deze acties hadden aanvankelijk het gewenste effect: het wetsontwerp van Romme werd ingetrokken. Maar het werk van Corry Tendeloo was nog maar net begonnen. Na de oorlog ging de Vrijzinnig Democratische Bond op in de Partij van de Arbeid. In 1946 werd ze rechtstreeks verkozen tot het eerste – en enige – vrouwelijke Kamerlid van de PvdA. Vrijwel onmiddellijk begon ze te pleiten voor de rechten van de vrouw: in 1948 stelde ze voor dat vrouwen in Suriname ook kiesrecht verdienden, waarna dat ook daadwerkelijk werd ingevoerd.

Ook vond Tendeloo het onzin dat de man automatisch als hoofd van het gezin gold, en dat vrouwen hun handelingsbekwaamheid verloren zodra ze in het huwelijk traden – waardoor ze bijvoorbeeld niet meer zelfstandig een bankrekening mochten openen. Haar analyse klonk een beetje als een ‘It’s the economy, stupid’ avant la lettre: ze vond dat ideologische en religieuze opvattingen over de rol van de vrouw als mantel door de overheid werden misbruikt om economische doeleinden te verbloemen. “Steeds is het zo geweest, dat de economische op- en neergang bepalend is geweest voor de houding van de overheid. Het argument, dat de vrouw in haar gezin hoort, was daarbij altijd alleen een motief voor de buitenkant,” zei ze in 1955 in Het Vrije Volk. “Het is net ‘In spin, de bocht gaat in, uit spuit, de bocht gaat uit.’”

In 1952 had Tendeloo al borstkanker gekregen, maar dat hield haar geenszins tegen. In 1955 diende ze een motie in, waarmee ze opriep om alle overheidsbemoeienis met het al dan niet werken van gehuwde vrouwen te staken. En alsof het de climax van een Disney-film was, stemden alle vrouwen in de Kamer, van welke partij dan ook, vóór de motie.

Op 27 april 1956, een half jaar voor haar dood, kwam het tot een intense parlementsbijeenkomst. Het wetsontwerp voor de opheffing van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw was door de Tweede Kamer aangenomen, maar de mannen zouden nog altijd het hoofd van hun gezin blijven. Tendeloo hield een vurige toespraak tegen dit principe, waarin ze stelde dat in een huwelijk geen meerdere en geen mindere zou moeten zijn. “U bent allemaal bang,” riep ze toen een aantal mannen aan de zijkant van de zaal begonnen te joelen.

Over haar persoonlijk leven is weinig te vinden, dus waar haar overtuigingen precies vandaan kwamen blijft een beetje speculeren. Het kan zijn dat ze voor haar tijd buitengewoon veel van vrouwen hield. Haar vader, een welgestelde bestuursambtenaar in Indonesië, overleed toen Tendeloo vijf jaar oud was – ze werd opgevoed door haar moeder. Ook in haar volwassen leven koos ze ervoor om zonder mannen te leven: ze woonde lange tijd aan het Roelof Hartplein in Amsterdam, in een gebouw van een woonvereniging voor ongehuwde vrouwen (waarvan ze uiteraard ook weer voorzitter was). Ze at elke avond met haar huishoudelijke hulp aan tafel, ook al werden haar bezoekers daar soms een beetje ongemakkelijk van.

Tendeloo heeft altijd ontzettend veel gewerkt: tot 1952 hield ze naast al haar politieke werkzaamheden ook haar advocatenpraktijk open, ze was voorzitter van talloze verenigingen en ze stortte zich op elke zaak die ze tegenkwam. En op geen van die plekken was ze bang om haar mening te geven. Dat ze als vrouw zo zeker was van haar eigen kunnen, en zo’n rotsvast geloof had in het kunnen van andere vrouwen, was heel uitzonderlijk. Alleen daarom al verdient Corry Tendeloo haar standbeeld.