Advertentie
ecologisch wonen

Was ik maar nooit met mijn hele gezin in de natuur gaan wonen

We wilden ons eigen huisje in de bergen bouwen, maar ons plan eindigde in een misère van modder, half afgebouwde buitenmuren en jengelende kinderen.

door Daisy Jean
21 januari 2020, 10:43am

Foto met dank aan de auteur

Ik wilde ver weg zijn van de stad en vervuiling, ondergedompeld in natuur. Mijn partner had de vaardigheden en het gereedschap om ons droomhuis te bouwen, maar er is een verschil tussen dromen en de realiteit. Door drie jaar zelfvoorzienend in een camper te leven, heb ik geleerd hoe groot de kloof tussen die twee kan zijn.

Het begon zo: een vriend bood ons een fantastische deal aan voor een groot stuk land, vlak bij een rustiek stadje in Ohio. Op dat moment huurden we nog een huis, en het was alsof onze gebeden verhoord werden: het was een prachtig, bebost stuk land van 28 hectare, dat we ‘Serenity’ noemden. Er waren esdoorn- en eikenbomen, dennenbossen, heuvels en valleien. Je had een fantastisch uitzicht en er kronkelde een beekje door het landschap. Er was zelfs een dieper gedeelte, waar je kon zwemmen. Ik stelde me voor hoe ik daar zou afkoelen na uren zwoegen in de tuin. Lang geleden waren er twee aardgasputten gegraven, wat een fantastische hulpbron zou zijn als we ons huis eenmaal hadden gebouwd.

Er was namelijk nog geen huis – of oprit, of toegang tot het elektriciteitsnet. Maar dat maakte het juist zo spannend. We zouden ons droomhuis bouwen, met hout van ons eigen land. Wat die oprit betreft, we zouden gewoon een auto met vierwielaandrijving gebruiken, of desnoods de benenwagen. Totdat we grind zouden kunnen betalen natuurlijk.

Onze kinderen waren nog zo jong dat ze zich niet druk maakten over zaken als privacy of de maatschappij. Wat we misten aan infrastructuur en woonruimte maakten we meer dan goed met onze vrijheid. We waren niet langer slaaf van het systeem; we zouden krachtige, moderne pioniers zijn, die niets gaven om sanitaire voorzieningen of verlichting. Elke keer dat we in een emmer moesten poepen zou gelden als een opgestoken middelvinger naar de gevestigde orde.

Omdat er nog geen huis was, kampeerden we op de top van een heuvel, ongeveer anderhalve kilometer van de weg. Een van de gasbronnen bevond zich hier, en we zouden op deze plek onze toekomstige woning bouwen. In de zomer was alles oké: we konden regelrecht met onze auto naar onze camper rijden en op blote voeten rondrennen over de harde, aangekoekte aarde die onze tuin was. Maar de rest van het jaar was het verre van oké. We leefden in wezen in een dikke bruine soep, waaraan niet te ontsnappen was. Ons hele leefsituatie – in wezen een bouwput – veranderde al snel in een modderige hel.

De heuvel oprijden was verschrikkelijk. De gigantische modderpartij werd elke keer groter als we een van onze voertuigen naar de top probeerden te dwingen. Er begonnen enorme zinkgaten te verschijnen, en onze auto kreeg klappen te verduren. Toen we niet meer omhoog konden komen met onze auto, begonnen simpele dingen als boodschappen doen of naar de wasserette gaan een enorm uithoudingsvermogen te vergen. We sleurden zwaar beladen winkelwagentjes door de drek. We misten voortdurend afspraken en sociale verplichtingen, omdat onze auto in de modder was weggezakt.

Na een jaar ging ik minder activiteiten ondernemen, omdat ik niet langer de energie had om tegen de modder te vechten. De modder had de vreugde uit mijn hart gezogen, zoals het ook de laarzen van mijn voeten zoog. Ik had gedroomd van meer onafhankelijkheid, maar ik was minder onafhankelijk dan ooit. Ik had er een hekel aan dat ik gedwongen werd om op mijn partner te vertrouwen om ons constant te “redden”, omdat hij de enige was die de grote machines kon besturen om ons los te krijgen. Ik was geestelijk uitgeput en voelde me bitter worden.

De modder achtervolgde me. Hoe hard ik het ook probeerde te vermijden, onze kleren waren doordrongen van vuil, onze schoenen zaten eronder en onze auto droop ervan. In de eerste instantie droegen we de modder als een ereteken, maar tegen het tweede jaar was het een teken van schaamte geworden.

Toen we begonnen, hadden we een camper van 10,5 meter, met een luifel eraan. De camper was onze slaapkamer en mijn atelier om papier te maken. Onze auto – een Chevrolet uit 1980 – diende als de slaapkamer voor de kinderen. En we hadden een oud schuurtje voor extra opslagruimte. We hadden meegenomen wat we konden en deden ons best om alles droog te houden.

Dat mislukte.

Die zomer dachten we echt dat we het huis voor de winter af zouden hebben, maar we hadden te weinig tijd en geld. Toen het eenmaal winter was, zaten we nog steeds in onze camper. Dus doken we voor de houtkachel, en het waren best knusse dagen. We lazen boeken en keken vanuit onze warme camper naar de besneeuwde boomtoppen, gingen sleeën en maakten warme chocolademelk op de kachel.

Maar er waren ook dagen waarop ik me begraven voelde in mijn sneeuwschoenen en winterjas; dagen waarop ik huilde, omdat er geen ruimte was om kunst te maken, en ik alleen wilde zijn maar nergens naartoe kon. Dagen dat ik gewoon even wilde douchen, naar de wc wilde zonder dat mijn familie het zou horen of ruiken, of niet uit bed kon komen omdat ik het gewoon niet meer kon.

Toen de winter voorbij was kwamen we uit onze camper als mijnwerkers die uit een mijnschacht waren gered. Dit nooit meer, zeiden we.

De lente ging voorbij, en daarna ook de zomer en de herfst. De volgende winter was alweer bijna zover, wat je niet bepaald kon zeggen van ons huis. We groeven een waterbron, bouwden de fundering voor het huis, bouwden een kleine schuur voor de geiten en de kippen en zetten een dak op het badhuis. We kochten een tweede camper, waardoor ik eindelijk weer kunst kon maken. Zolang het water niet bevroor konden we nu douchen, en onze woonruimte was twee keer zo groot. We konden min of meer rond een tafel met elkaar zitten om te eten. Er was een camper voor de kinderen en eentje voor de volwassenen. Vooruitgang!

Het was nog steeds verschrikkelijk.

De kindercamper was koud en vochtig. Onze oudste dochter verlangde erg naar een normale slaapkamer, waar ze haar vrienden kon uitnodigen. Ze wilde normaal zijn en smeekte ons om te verhuizen. Ondertussen was het alsnog propvol – een kerstboom was ondenkbaar. Het was niet altijd mogelijk om eropuit te trekken, omdat de weg of bevroren of heel modderig was. We droomden van een huis, een warm bad en ruimte. En toen was de winter weer voorbij en werd het lente.

In dat jaar maakten we best wat progressie; het huis kreeg wat balken, buitenmuren, ramen en dakramen. Maar over het algemeen was alles in staat van verval, en was mijn partner vooral druk bezig om de boel overeind te houden. Campers zijn niet ontworpen om constant bewoond te worden, en die van ons viel dan ook uit elkaar. Ook de voertuigen waren er slecht aan toe, dus als hij niet met het hekwerk bezig was of een huis probeerde te bouwen, lag hij in de modder daaraan te werken.

Als hij pauze nodig had, verstopte hij zich in een donker hoekje om aan mijn blik te ontsnappen. Ik gaf hem de schuld van onze ellende. Zelf kon ik niet aan het huis werken, enkel tuinieren en zeuren. Mijn droom was rust en sereniteit geweest, in plaats daarvan zat ik tussen de trucks, gereedschap en modder. Mijn ogen deden pijn van alle lelijkheid.

Bij ieder nieuw probleem werd de druk op zijn schouders een paar kilo’s zwaarder, en toch bleef hij recht overeind.

Tegen beter weten in besloten we het nog één winter de kans te geven. En we kwamen erdoorheen, misschien zelfs makkelijker dan de voorgaande jaren, vanwege de dingen die waren gebouwd. Maar ondanks deze laatste poging om het huis gereed te krijgen wisten we dat het ons niet zou lukken. Dit nooit meer, zeiden we weer tegen elkaar, en dit keer bleken we het ook echt te menen.

Ons hart deed pijn, maar het luchtte ook op. Ik was helemaal kapot. We waren allemaal helemaal kapot.

We bedachten een nieuw plan. We zetten Serenity op pauze en zochten een huis waarin we konden wonen terwijl we het ondertussen zouden opknappen. We vonden een tweehonderd jaar oude omgebouwde kerk, inclusief historische begraafplaats. Het ‘Kerkhuis’, zoals we het noemden, zat midden in een boerenlandschap in een landelijke omgeving – iets te landelijk, eerlijk gezegd, aangezien we op 40 minuten van de dichtstbijzijnde supermarkt zaten. Maar aangezien we nu over de luxe van bad- en slaapkamers beschikten had ik dat er graag voor over.

Nu we het Kerkhuis wat opknapten voelde ik me een stuk nuttiger. Ook ik kan best wat muren neerhalen en verf verwijderen. En nu we daadwerkelijk ademruimte hadden konden we wat meer de tijd nemen en een beetje lol trappen. De druk was ervan af – eindelijk.

Serenity loopt ondertussen niet weg, mochten we nog een keer terug willen keren. En misschien doen we dat ook wel. Ik mis de bomen, en de mogelijkheden die we er kunnen benutten. Maar wat ik niet mis is hoe zwaar het was, en hoeveel modder overal lag. Hoe dan ook hebben we een mooi avontuur beleefd, dat ons ook heeft verrijkt en dankbaarder heeft gemaakt.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op VICE Australië

Tagged:
modder
wonen
zelfvoorzienend