Op zoek naar Limburgse geheimen in de tunnels onder Valkenburg

In de mergelgrotten ontdekte ik sporen van uitbuiting, drugs, neonazi’s, illuminati en naakte vrouwen.

door Tim Fraanje; foto's door Raymond van Mil
|
10 april 2019, 2:49pm

Of je nou warm wordt van Rembrandt, van opgezette dieren of van dakpannen, er is voor iedere smaak een museum. Deze hele week is de Nationale Museumweek , en daarom besteden we de komende tijd extra aandacht aan de immense diversiteit aan musea die Nederland te bieden heeft.

In tijden van surveillance-kapitalisme is er maar één manier om dingen geheim te houden: ondergronds gaan. Alleen in de wifi-loze diepte kan Mark Zuckerbergs alziende oog niet doordringen. Vorige week werd er onder de Utrechtse straat waar ik een tijd gewoond heb een onderaardse tunnel gevonden waar de media massaal bovenop doken, maar waarvan niemand kon ontrafelen wat er daar precies gebeurd was.

Kampioen dingen verstoppen in tunnels zijn de Limburgers. Onder het plaatsje Valkenburg strekt zich een kilometerslang gangenstelsel uit waarin al eeuwenlang van alles gebeurt dat het daglicht niet kan verdragen. Maar wat? Ik ging erheen om daarachter te komen.

In de grot

De Fluweelengrot is niet meer de spannendste grot sinds ze een nooduitgang en anti-inbraaksystemen hebben geïnstalleerd omdat er enorm veel mensen net als ik de geheimen van de Limburgers willen ontrafelen, maar het is zeker één van de spectaculairste. We worden rondgeleid door gids Jo. Met zijn zaklamp schijnt hij op alle spannende dingen, en ondanks dat de lamp soms spontaan in strobo-stand springt, krijg ik een onvervalst Indiana Jones-gevoel. “Soms hingen ze hier met zijn tienen aan het plafond, meer dood dan levend.” zegt Jo, terwijl hij een onheilspellende uitstulping in de grot uitlicht. “Watervleermuizen in winterslaap.”

een limburgse dino
Een Limburgse dino

Er zijn meer sporen van obscure flora en fauna te vinden in de grot. Fossielen van schelpen, uit de tijd dat Limburg een subtropische zee was. Er zijn ook versteende dinoresten gevonden, en een plaatselijke kunstenaar heeft op basis daarvan een reliëf gemaakt van de “hainosaurus”. Het is een soort krokodil met lippenstift en een hele vervaarlijke bek. Een man die met zijn kinderen de rondleiding volgt, vraagt ongelovig of de Limburgse dino’s er wel écht zo uitzagen, maar gids Jo houdt het mysterie graag in stand: “Dat weet niemand precies, dit is een interpretatie.” Ik vraag of er nu nog steeds gevaarlijke krokodilachtigen of andere dieren huizen in de grot. Maar het valt tegen: “Soms een marter, maar vooral spinnen.” Een huivering gaat desalniettemin door de groep.

Zelf huiver ik vooral van de verhalen die loskomen als we langs de mijnwerkers-werktuigen (zoals de opzetzaag en de blokzaag) lopen. “Er werkten hier ook kinderen toch?” vraagt een vrouw die ook meeloopt met de rondleiding nog voor Jo er wat over kan vertellen. Het is de enige vraag die ze zal stellen, maar het is een scherpe, dat mag gezegd. “Ja, misschien wel, maar dat was dan voor het kinderwetje van van Houten.” antwoordt de gids geruststellend. Toch waren de arbeidsomstandigheden beschamend slecht – daar kunnen Deliveroo en Uber nog een puntje aan zuigen. “Een goede mergelmijnwerker kon zeven blokken per week uithakken, die hij voor 5 cent per blok kon verkopen.” 5 cent was vroeger meer waard dan nu, maar een stuiver was alsnog niet heel veel, en het was ook geen pure winst: “Van die 5 cent moest ook nog een gedeelte naar de eigenaar van de grot, meestal degene die naast de ingang woonde.”

Ik ben triest geworden van deze banale verhalen over (zelf)uitbuiting. En het wordt niet beter: we komen bij portretten van de geallieerde soldaten die hier in de oorlog ondergedoken zaten om niet door de nazi’s vermoord te worden. De portretten, of eigenlijk silhouetten, zijn op de muur geschilderd en zitten achter metalen roosters. “Niet zo mooi, maar helaas wel nodig,” zegt Jo “Want er is hier iets vreselijks gebeurd!” Nu komt het dan: een griezelverhaal over de geesten van gekgeworden soldaten die met volle maan bloed van dorpsmaagden aan hun eigen portretten komen smeren. De realiteit blijkt nog veel enger: “Iemand vond het nodig om hier tijdens een rondleiding hakenkruisen op te tekenen.” zegt onze gids verdrietig. Achterdochtig kijk ik de rondleidingsgroep rond, en al lijken er op het eerste gezicht geen neonazi’s tussen te zitten, ik vertrouw niemand meer.

de groep
Zit er een stiekeme neonazi in de groep?


Leuk is het niet, dat mensen hakenkruisen willen tekenen, maar ik vind het niet raar: de grotmuren nodigen nu eenmaal uit tot artistieke en baldadige uitspattingen. Maar de amateurkunstenaars, geallieerdenschilderaars en neonazi’s hebben qua creativiteit nooit kunnen tippen aan de Franse priesters die hier na de Franse Revolutie naartoe kwamen. Zij bouwden een ondergrondse kerk, compleet met altaar en biechtstoel. De kerk heeft een zeer trendy gothicsfeer, maar dat was niet de reden dat de priesters hier kwamen. Ze moesten trouw zweren aan de Republiek in plaats van aan God, en zaten hier met gevaar voor eigen leven gelovig te zijn.

Het alziend oog
Is dit het oog van God?


Tenminste, dat is het verhaal dat me verteld wordt, maar dan merk ik opeens dat ik aangestaard wordt door het oog van God. Dat oog ziet je wel in meer kerken, maar is natuurlijk ook een symbool van de Illuminati, die geheime sekte die de sleutel heeft tot de wereldmacht. Waren die “rebelse priesters” niet stiekem leden van de lokale afdeling, en worden er misschien nog altijd obscure rituelen uitgevoerd? Ik verlies mezelf volledig in het bedenken van Dan Brown-theorieën en vergeet de tijd. Gebiologeerd onderzoek ik de muurschildering, die wordt uitgelicht door spotjes en flakkerende nep-kaarsen. Als ik uiteindelijk achterom kijk is het aardedonker: de gids is weg, en vanuit de verte hoor ik een klagelijke vrouwenstem door de spelonk schallen, die zeker niet van iemand uit de rondleidingsgroep afkomstig is. Ik weet niet of God op deze plek zonder techkapitalisten echt een oogje in het zeil houdt, maar uit beleefdheid doe ik snel een schietgebedje bij het altaar. Wie weet wat voor gevaar me nog te wachten staat.

Bij het altaar

Ik probeer de groep terug te vinden, en de vrouwenstem komt dichterbij. Is het een spook? Is het een jaren lang verloren gewaande toeriste, helemaal uitgemergeld (no pun intended) door haar dieet van spinnen en vleermuizen? Is het een sirene die mij met haar aanlokkelijke gezang voor altijd in deze grot wil laten verdwalen? Hijgend ren ik een hoek om, en vind daar gelukkig geen spook, maar onze gids. De stem blijkt uit een luidsprekertje te komen en ik kan de woorden nu onderscheiden: “Bedankt voor uw bezoek. Vergeet niet uw gids te bedanken die VRIJWILLIG deze tours geeft.”

Er is ook een Duitse variant van de grotstem, en er staat ook letterlijk vier keer in twee talen op de mergelmuren gekalkt dat we aan de gids moeten denken en dat het geven van “trinkgeld” toegestaan is. Terwijl hij mij en fotograaf Raymond als laatste de grot uitlaat, krijg ik de gedachte dat ik fooi moet geven met geen blokzaag meer uit mijn hoofd gehakt, en het is dus best wel ongemakkelijk dat ik geen kleingeld op zak heb. Ik wil Jo nog van alles vragen, maar sta in plaats daarvan met een opengesperde lege portemonnee tegenover hem in de opening van de grot.

Onze gids blijkt, ondanks mijn moeizame gedrag, niet te beroerd om wat extra info te geven over nog meer geheime dingen die in de grot gebeurd zijn. “Je kunt hier op avontuur, je kunt hier van alles uitspoken. Dat deden wij ook, vroeger, maar we deden het nog een beetje beschaafd.” Hij vertelt hoe hij als kleine jongen bommetjes maakte van carbid en die dan afstak in de mijnschacht. Maar voor de jeugd van tegenwoordig is dat soort onschuldig vermaak niet spannend genoeg, blijkbaar: “Er is hier heel vaak ingebroken. Ik heb meegemaakt dat ik hier aankwam ‘s morgens. En dan waren er gewoon party’s met naakte vrouwen, en drugs enzo.” Fotograaf Raymond vraagt hem of Jo weleens met zijn eigen vrouw in de grot is geweest om stoute dingen te doen. “Mijn vrouw? Die krijg ik daar niet naar binnen. Die is claustrofobisch.”

Ik word juist weer claustrofobisch als we uit de grot-uitgang komen, waar de lentezon onbarmhartig op mijn gezicht beukt. De weidse en fantasievolle gedachtenwereld die ik onder de grond heb ervaren wordt meteen weer een gedachtentunnel met “Wat zou er gebeurd zijn op facebook en instagram?” als enige lichtpuntje aan het eind. Dat er ook nog een kasteelruïne te bewonderen is kan daar niks aan veranderen en ik laat me willoos via het museumrestaurant naar buiten leiden, terug naar de bovenwereld.