verboden toegang

Ik ging op visite bij het crematorium voor paarden en mensen

“Mensen vinden het toch geen leuk idee om in een dierenoven te liggen, maar het is in principe natuurlijk hetzelfde.”

door Laura van der Haar
05 juni 2018, 8:55am

Alle foto's door Reva Beek

In de serie Verboden Toegang gaan we naar de verborgen plekken op de wereld waar de natuur plaats heeft gemaakt voor technologie. In aflevering 5: het paarden- en mensencrematorium van Beverwijk.

Op weg naar Wijk aan Zee wordt mijn aandacht steevast getrokken door het bord ‘PAARDENCREMATORIUM’ rechts van de rotonde. Wowowow denk ik meestal, hóé dan, zo’n paard weegt wel… aaaaah yes strand!

Tijd dus om in plaats van linksaf naar zee eens rechtsaf te slaan. Een onverwacht mooi laantje leidt langs een gewoontegetrouw met graffiti versierde oorlogsbunker. Uit het woekerende struikgewas eromheen beukt een torenhoge schoorsteen omhoog.

Terwijl ik bij de receptie op Rob (een van de eigenaren van het crematorium) wacht, lees ik een brochure over as in kettinkjes. Als ik die uit heb lees ik het laatste nummer van de Dierkoerier, waarin onder meer staat dat de Dierenambulance van Purmerend is uitgerukt voor een nepvogelspin. Op het glazen bijzettafeltje brandt een kaars, ernaast staat een bamboe tissuehouder. Collectief in de oven is maar dertig euro goedkoper dan de oven alleen voor jouw hond laten vlammen, leer ik van de prijslijst.

Als ik alle folders en brochures en flyers uit heb - ook de hele urnencatalogus met gouden Ming-achtige urnen en kaarsjesurnen en piramidevormige urnen en vensterbankkatachtige urnen en kleurrijke urnen voor precies 0,16 gram as – ga ik bij Manon van de receptie hangen.

“Het is eigenlijk begonnen als pension,” antwoordt ze op de vraag waarom je in hemelsnaam een crematorium zou beginnen.

“Voor levende dieren dus?”

“Ja, gewoon opvang. Die hebben we hierachter nog steeds. Toen ontstond langzaam het idee om te gaan cremeren. En van kleine huisdieren zijn we doorgegroeid naar paarden, en uiteindelijk naar mensen.”

Westerhout is het enige crematorium in Nederland waar naast dieren ook zwaarlijvige mensen gecremeerd kunnen worden. Om de doodsimpele reden dat hun lichamen niet in de standaard crematie-ovens passen.

“Dat kwam eigenlijk vanuit een klant,” legt Manon uit. “Diegene vroeg of wij misschien met een bijzondere crematie konden helpen, omdat onze paardenoven zo groot was. En toen zijn we ons er eens in gaan verdiepen.”

“Maar hoe deden ze dat vroeger dan, zwaarlijvigen?”

“Geen idee! Daar probeer ik maar niet over na te denken…”

In de afscheidskamer naast de hal staat de opbaartafel al klaar, een mosgroen lakentje is er zorgvuldig overheen gedrapeerd. Erbovenop: een rieten mandje met een soort antidoorlekluier. Misschien verbeeld ik het me, maar het lijkt wel een beetje naar de dood te ruiken.

Volgens Manon kan dat niet. “De schoorsteen is heel hoog hè? En we zitten hier pal naast Tata Steel, dus áls je al iets ruikt, dan zijn zij dat waarschijnlijk.”

Is het niet moeilijk, elke dag zo veel dood en verdriet?

Hangt er vanaf volgens Manon, want iedereen gaat er weer anders mee om. “Je past je aan. Sommige mensen worden kattig, sommige storten volledig in. Daar moet je rustig de tijd voor nemen. Weet je wie daar heel goed in is? Rob. Kijk, daar komt-ie net aan.”

Achter een Australian shepherd die wild kwispelend de hal in stuift, komt Rob binnen – geen oudere man zoals ik vanwege zijn naam gecombineerd met zijn beroep in gedachten had – maar gewoon iemand van mijn eigen leeftijd.

“Met een groot stuk land is het niet erg als er een dood paard ligt, maar op een manege met allemaal paardenmeisjes wil je die niet te lang onder een deken in de berm hebben liggen.”

“Sorry, ik heb uiteindelijk toch niet veel tijd, want de paardenbusiness is nogal ad hoc. We hebben ineens twee paarden vandaag, en gisteren hadden we er ook al twee. Dit is Sky. Goed zo Sky, even rustig nu.”

“Hoi Sky! Is die paardenbusiness stressvoller dan de mensenbusiness?”

“Ja, zeker, want bij mensen weet je het vaak al een poos van tevoren. Die kun je prima inplannen. Maar bij een paard is het echt last-minutewerk. Loop maar even mee, dan gaan we gelijk naar het paardendeel, waar ook de mensenoven staat.”

Paarden zijn dus het meest intensieve werk. Ze moeten op stel en sprong worden opgehaald, want een paard blaast – zeker met dit weer – vrij snel op. “Gaan de benen zo staan.” Rob maakt met zijn armen een v in de lucht. “Meestal zijn we er dus wel binnen een uurtje.”

De trailer waar ze het paard dan mee ophalen heeft een mobiele bodemvloer, die er als plaat in zijn geheel uit kan. Die plaat leg je aan de rugzijde van het paard, vervolgens schuif je het paard erop en door middel van een lier trek je die plaat dan met paard en al de wagen in. Met zijn tweeën natuurlijk, want een gemiddeld paard weegt al gauw vijfhonderd kilo. Ze staan ook altijd stand-by. “Met een groot stuk land is het niet zo erg als een dood paard daar even achter de heg ligt, maar op een manege met allemaal paardenmeisjes wil je die niet te lang onder een deken in de berm hebben liggen.”

“Het zou ook een beetje hypocriet zijn om roken hierbinnen te verbieden hè, met die grote schoorsteen hierboven.”

Over het keurig aangeharkte grindpad knerpen we naar het gebouw met zowel de paardenoven als de (grote)mensenoven. Sky cirkelt vrolijk voor ons uit.

“Sorry, er wordt hier gerookt.” Rob knikt verontschuldigend richting de brandschone asbak die ik in combinatie met de hoogglans houten tafel in de ontvangsthal als kunst had geïnterpreteerd.

“Mijn vader rookt, dus ja.” Het crematorium is een familiebedrijf, en Rob is de jongste telg. “Maar het zou ook een beetje hypocriet zijn om roken hierbinnen te verbieden hè, met die grote schoorsteen hierboven.”

Is het paard hier eenmaal afgeleverd op het terrein, dan wordt het gekoeld als de planning vol is, anders gaat het gelijk de oven in. Ook dat is niet in een oogwenk gepiept: de oven staat afhankelijk van de grootte van het paard een behoorlijke tijd aan, en daarna moet alles eerst nog afkoelen voor je het eruit kunt halen. Die berg as kan oplopen tot wel vijfentwintig kilo.

“Als je vroeg begint en doorgaat tot ’s avonds laat, dan kun je er twee op een dag doen, want alles bij elkaar ben je minstens acht uur met een paard bezig.”

Ook vandaag is de planning nogal strak, want straks wordt er een paard gebracht en vanavond komt er een afscheid van een persoon. “Dan wil je niet de paardenoven aan hebben staan. Of dat er nog een paard in de gang klaarligt.”

In de gigantische en stijlvol vormgegeven hal – die wel wat op een paardenbak lijkt maar dan betegeld – staan twee ovens, de één nog reusachtiger dan de ander. De allergrootste staat te loeien.

“Wat je nu hoort is de paardenoven.” Rob drukt op een felgroen knopje naast de stalen deur en daarna op een geel of oranje lampje. De oven loeit rustig door.

“Mensen die écht absoluut niet pasten, die moesten dan gewoon begraven worden.”

“Dus hier ligt nu een paard in?”

“Ja.”

Het combineren van mensen en dieren, daar is Westerhout de eerste en enige in.

“Het ontstond ook een beetje bij de klanten, die hun paard hier hadden gebracht. ‘Ik wil hier zelf ook wel gecremeerd worden!’ riepen ze dan heel vaak.”

“Dus dachten jullie: komt voor de bakker?”

“Ja, fysiek hádden we de ruimte voor een extra oven. Dus zijn we ons gaan verdiepen in de humane branche. En toen we toch een nieuwe oven gingen bouwen, konden we net zo goed gelijk een slag groter doen, zodat we ook afwijkende formaten kunnen bedienen. Net als je wisselende formaten paarden hebt, heb je natuurlijk ook wisselende formaten mensen.”

Zo hebben ze bij Westerhout een nieuwe markt aangeboord. Alhoewel, écht veel extreem dikke mensen komen er niet. Misschien vijf of zes per jaar – waarbij echt extreem dik dan ook meer dan driehonderd kilo betekent.

“En extreem lange mensen, die passen soms ook niet in de reguliere oven.”

“Hoe deden zij dat vroeger dan?” probeer ik nog een keertje.

“Ja, op zich kán het natuurlijk wel passen, maar het is gewoon niet zo handig. En mensen die écht absoluut niet pasten, die moesten dan gewoon begraven worden.”

Rob hoopt eigenlijk dat onze omgang met de dood iets losser wordt. “Het mag allemaal wel iets normaler, we gaan er nu vaak zo krampachtig mee om. Een poosje geleden heeft mijn vader bijvoorbeeld het crematiecertificaat bedacht.”

“Heel af en toe gaat er een dwerghamstertje in.”

“Het watte?”

“Precies wat het is eigenlijk, een certificaat om mee gecremeerd te kunnen worden.”

“Die koop je voor je eigen crematie?”

“Ja, je betaalt eenmalig een bedrag, en dan maakt het niet uit wanneer je je crematie komt innen – die blijft altijd even duur. Dus ook al kom jij pas over vijftig jaar; je crematie is verzekerd.”

“Gewoon een papiertje?”

“Een certificaat ja. Het is trouwens ook op naam overdraagbaar.

“Dus dan kun je er ook iemand anders mee cremeren?”

“In principe wel ja. We hebben er in het begin letterlijk mee op de markt gestaan.”

“Tussen de bloemenstal en de kaasboer?”

“Mensen vinden het toch geen leuk idee om in een dierenoven te liggen, maar het is in principe natuurlijk hetzelfde.”

“Ja.”

“Met tickets? Voor een crematie?”

“Certificaten, ja. We hadden gewoon een kraampje gehuurd om ze te verkopen.”

“En als je je papiertje dan kwijtraakt voor je dood bent?”

“Ja, dan heb je pech.”

Ze zijn wel aan strenge regels gebonden met het verbranden van zowel dieren als mensen. Dieren mogen niet in de mensenoven, andersom evenmin. Allemaal regulering: voor de mensenoven zijn de eisen qua uitstoot bijvoorbeeld veel strenger, ook al is de mensenuitstoot vele malen kleiner dan die van een paard.

“Maar het is natuurlijk ook een ethisch verhaal. Mensen vinden het toch geen leuk idee om in een dierenoven te liggen. Het is in principe natuurlijk hetzelfde, maar als je bijvoorbeeld niet van honden houdt…”

Daarom hebben ze drie ovens: de ‘kleine’ oven voor honden, katten en konijnen (“En heel af en toe gaat er een dwerghamstertje in.”), de paardenoven en de mensenoven.

“Deze week hadden we acht paarden en tien mensen. Niet zo’n hoge doorloop, en dat willen we ook niet. Anders wordt het lopendebandwerk. Als mensen dan bijvoorbeeld toch wat langer afscheid willen nemen en de nieuwe aanvoer staat al klaar…”

“Aanvoer?”

“Aanvoer is dat iemand wordt gebracht – sorry, vaktaal; gebracht door een chauffeur, zonder naasten. Invoer is met familie erbij. Ik laat je de familiekamer wel even zien.”

De familiekamer is een zijvleugel van het reusachtige stalachtige gebouw. Een zware houten schuifdeur naar buiten en een schuifdeur naar de oven, kinderkopjes op de vloer. Er staan zes hoge zwarte stoelen rond een houten tafel en er brandt alvast een kaarsje: er komt zo dadelijk een persoon aan.

“Je wil geen paard horen hinniken tijdens een afscheid.”

“De rouwwagen gaat zo hier staan.” Rob wijst op het parkeervak. “De familie tilt de kist dan zelf naar binnen. Dan spelen ze muziek af, is er een klein afscheid, dan doen we de deuren open en gaan we naar de oven.”

“En dan?”

“Ik laat de mensen het meestal zo veel mogelijk zelf doen. De knop indrukken, de deur sluiten. Alleen het vuur niet, in verband met de veiligheid.”

“Zie je dat ook?”

“Nee.”

Ik meen me te herinneren dat ik bij mijn oma wél vlammen zag toen de kist op de rails in de oven verdween. En dat kan op zich volgens Rob, als die oven al de hele dag heeft staan fikken. “Dan wordt de ruimte zo heet dat de kist direct al vlam vat. Maar wij willen dat hier niet. Wij willen de rust. Bovendien; als het zo snel gaat ruik je misschien nog wat.”

Tegenover de familiekamer is de kamer waar (nog) levende paarden geëuthanaseerd worden. Op zo’n twintig meter van de oven waar ze na hun spuitje in zullen verdwijnen. De veearts geeft de injectie, waar de baas bij is, en het meest kritieke punt van euthanasie ter plekke is volgens Rob hoe het paard reageert op die eerste spuit. “Als het een goeie dierenarts is gaat dat meestal wel goed, maar soms raakt een paard in paniek.” Daarom bestaat de vloer ook uit matten, voor de veiligheid. Als het paard die eerste spuit heeft gehad en rustig is, krijgt hij de spuit voor het hart, en dan is het gauw gedaan. Ook daarom houden ze alle aanvoer goed van elkaar gescheiden, want “Je wil geen paard horen hinniken tijdens een afscheid.”

Ik benadruk nog eens hoe mooi het hier eigenlijk is. Ruim, hoog en licht, alles van steen en hout; zo anders dan de systeemplafonds en Leen Bakker-tapijten die ik van crematies gewend ben.

“Ja, je zou hier ook kunnen trouwen als je wilt. De geluidsinstallatie is hartstikke goed.”

Sky komt weer aangestoven; hij is er bijna altijd bij volgens Rob. “Behalve als er een mensencrematie is. Maar we hebben hier ook een katertje lopen en die loopt wel overal rond. Die is ook al een keer op de kist gesprongen tijdens een afscheid, dat was echt een schot in de roos. ‘Typisch Loes!’ riepen de nabestaanden.” En als iemand zelf zijn hond mee wil nemen naar de crematie, dan kan dat natuurlijk gewoon. “We zijn ingericht op paarden, dus alles is toch al makkelijk schoon te houden. Gisteren waren er nog mensen die zelf hun moeder kwamen brengen – invoer dus. Ze hadden haar poedeltje mee, en die zetten ze ook op de kist, dat was eigenlijk heel gezellig. Oh, die mensen daar staan al te wachten zie ik, die mevrouw komt een persoon brengen, dus ik wil niet vervelend doen, maar nu moet je weg.” Rob bonjourt me met lichte dwang het gebouw uit, geeft me een hand en spoedt zich terug naar de receptie. Sky zoeft weer voor hem uit.

Bij het achterliggende pension slaat een aantal honden aan. De hoge schoorsteen staat te roken en naast mijn auto is een bestelbusje geparkeerd. ‘Drimmy’s kwispelservice,’ staat er met plakletters op de zijkant. ‘Laat je hondendromen uitkomen.’

Volg Motherboard op Facebook, Twitter en Flipboard.