Advertentie
nieuws

Een reis naar Srebrenica

Voor dit artikel reisden twee jonge Serviërs naar Srebrenica, om los van alle politiek gekleurde verhalen met eigen ogen te zien hoe dorp er nu bij ligt.

door Petra Zivic en Stefan Veselinovic
10 juli 2015, 11:34am

Tijdens het bloedbad van Srebrenica werden zo'n achtduizend moslimmannen en –jongens, formeel onder bescherming van een Nederlands VN-bataljon, gedood door militairen van het Bosnisch-Servische leger. Dit gebeurde op 11 juli 1995, en het is de grootste misdaad die in Europa is gepleegd sinds de Tweede Wereldoorlog. Twee internationale gerechtshoven hebben de massamoord erkend als genocide, maar die benaming is nog altijd onderwerp van verwoede debatten.

Voor dit artikel reisden Petra en Stefan, twee jonge Serviërs, naar Srebrenica, om los van alle verhalen, mythes en veroordelingen, gewoon eens met eigen ogen te zien hoe het leven in het dorp er nu uitziet.

Toen de gebeurtenissen van Srebrenica in 1995 plaatsvonden, hadden wij ongeveer net ontdekt hoe stoepkrijt werkt. Inmiddels zijn we ouder, en hebben we onze interesse voor stoepkrijt ingewisseld voor een milde interesse in politiek. Daarom wilden we graag zelf een keer naar Srebrenica, nog voordat we zouden worden gecorrumpeerd door alle politiek gekleurde verhalen over het bloedbad. We verwachtten al dat het moeilijk zou worden om iedere vorm van politiek buiten de deur te houden, en ja hoor: precies op de dag dat we vertrokken werd een voormalige commandant van het Bosnisch-Servische leger gearresteerd in Zwitserland. En dan hebben we het nog niet eens over de resolutie van de VN-veiligheidsraad, die al wekenlang een veelbesproken onderwerp was in het nieuws.

Sowieso waren we eigenlijk al vóór onze reis verpest. Hoewel we slechts peuters waren toen de oorlog plaatsvond, zijn onze jonge Servische breinen al van jongs af aan beschadigd door de semi-informatie en politieke propaganda die elk jaar rond deze tijd weer herhaald wordt.

Aangezien er nog steeds mensen in ons land zijn die t-shirts dragen van Ratko Mladic als held, en die mensen waarschijnlijk net zo weinig van het echte leven in Srebrenica weten als wij, besloten we naar oost-Bosnië af te reizen met één duidelijke vraag – de vraag die elk jaar onbeantwoord blijft in al het gelul omtrent dit onderwerp. Die vraag is: wie zijn de mensen die zijn teruggegaan naar Srebrenica, en hoe is het leven er vandaag de dag?

We kwamen er al snel achter dat het vreselijk naïef van ons was om ons niet met politieke zaken in te willen laten. Hoe hard we het ook probeerden – in Srebrenica ging elk gesprek binnen een paar seconden over de gebeurtenissen van elf juli. Het is onmogelijk om de oorlog niet te noemen, en daarom is het ook onmogelijk om het niet over politiek te hebben. In dit gedeelte van Bosnië komen die twee namelijk altijd op hetzelfde neer.

Al meteen aan het begin van onze reis gebeurde er iets vreemds. Srebrenica ligt op nog geen tweehonderd kilometer van Belgrado, maar toch konden we letterlijk niemand van boven de veertig vinden die ons kon vertellen hoe we er moesten komen. We hebben meer dan tien mensen gesproken die er ooit zijn geweest, of er zelfs hebben gewoond, maar ze hadden allemaal twee dingen met elkaar gemeen: sinds de oorlog zijn ze nooit meer in Srebrenica geweest, en ze praten er niet graag over.

We besloten dus maar om op Google Maps te vertrouwen, maar ook dat bleek achteraf een vrij naïeve beslissing te zijn. Het gaf wel aan wat de kortste route zou zijn, maar de app hield geen rekening met het hoe het Servische wegennet erbij ligt – als je het überhaupt al over wegen mag hebben. Het gebrek aan verkeersborden en verharde paden zorgde ervoor dat de reis bijna twee uur langer duurde. Toen we bij de grens met Bosnië aankwamen, zei een douaneagent ijskoud dat we uit de auto moesten stappen en onze persoonlijke eigendommen mee moesten nemen. "Gewoon een routinecontrole," zei hij.

Het was een voorbode van de ziekste routinecontrole die we ooit hadden meegemaakt. Elke centimeter van ons lichaam werd onderworpen aan een minutieuze controle. Al onze tassen en zakken werden binnenstebuiten gekeerd, en al ons geld werd geteld en gecontroleerd op echtheid. Vervolgens werd onze auto nog onderworpen aan zeer nauwkeurig geïnspecteerd.

Toen ze eindelijk klaar waren wensten ze ons nog een fijne reis, en konden we eindelijk de Drina-rivier oversteken. We hoopten dat het aan de Bosnische kant van de grens iets vlotter zou gaan. "Onze Servische collega's zeiden dat we jullie auto moesten controleren," zei de Bosnische agent. We schrokken ons dood, maar vervolgens lachte hij en zei hij: "Welkom." We waren nu de grens over.

Het eerste dorpje waar we aankwamen was Bratunac. Sinds de inname van Srebrenica in 1995 is het voornamelijk bevolkt door Bosnische Serven die uit andere gebieden van het land zijn gevlucht. In veel Balkanlanden is het dorp bovendien bekend van de beroemde uitspraak "Op naar Bratunac!" uit de propagandavideo waar troepen van Mladic Srebrenica binnendrongen. Het dorp werd toen verklaard als gift aan het Servische volk.

Toen we uit Bratunac wegreden stopten we al snel om een lifter mee te nemen – er was ons verteld dat dat in deze regio door de gebrekkige voorzieningen een belangrijke manier van vervoer is. Zo namen we Vasilije mee, die ook onderweg was naar Srebrenica. Hij keek ons raar aan toen we zeiden dat we daar ook naartoe gingen. "Er is helemaal niets daar," zei hij.

"Echt, helemaal niets?" vroegen we. "Wat doen jullie daar dan de hele tijd? Er moet toch wel een café zijn of zo?" "Er zijn wel een paar bars", zei hij, "maar we gaan altijd standaard naar Bratunac. Je gaat wel zien waarom."

We ontdekten al snel dat Vasilije niet had gelogen. Srebrenica is helemaal leeg. Het oude socialistische dorpje is weliswaar niet meer één grote ruïne zoals vroeger, maar veel meer is het ook niet. Er is een hoofdstraat en wat huizen op de heuvels, maar dat is het wel zo'n beetje.

Vóór de oorlog van 1992 tot 1995, was het een van de meest welvarende dorpen van Bosnië, met mensen die hard werkten in de mijnen, de industrie, en in een beroemd kuuroord. Anno 2015 zijn er maar drie fabrieken, één supermarkt, drie winkeltjes en een kleine markt. Ook is er een bank – de enige plek waar we ons geld konden inruilen voor Bosnische marken.

"Ik weet niet of jullie er al iets over gehoord hebben," zei Vasilije, "maar de Universiteit van Sarajevo heeft hier sinds kort een faculteit geopend. Geen idee wie de fuck daar studeert."

Waar we ook kwamen waren er mensen naar ons aan het staren. Het is een klein gehucht waar iedereen elkaar kent, dus iedereen wilde alles van ons weten. Alles wat we er de eerste paar uur zagen leek op de kleine dorpen waar we zijn opgegroeid, in het oosten van Servië. Mensen zijn er ongeveer even depressief als waar wij vandaan kwamen, en voor even vergaten we dat we rondliepen over wat ooit bekend stond als 'de velden des doods'. Soms waren er huizen met kogelgaten erin, maar dat was het enige wat ons aan de bloedige geschiedenis van het dorp herinnerde. Een paar kilometer verderop, in Potocari, is er een herdenkingscentrum, maar in Srebrenica zelf is er niet één bordje of gedenksteen dat is gewijd aan het bloedbad. "We zijn zelf een levend monument," zei een bewoner toen we er iets over vroegen.

Het is de schuld van de mooie gedichten

We realiseerden ons al snel dat het niet veel zin zou hebben om met de lokale politici te gaan praten: zij zouden ons niet kunnen vertellen waarom Srebrenica er nog steeds zo slecht uitziet, en waar al het geld van buitenlandse donaties naartoe is gegaan. Daarom gingen we op zoek naar de meest doorsnee inwoners van Srebrenica, wat nog vrij moeilijk bleek want er was nauwelijks iemand op straat.

We dronken koffie in een bar, waar we een Nederlander ontmoetten, die Marcus heette. Hij was de enige gast daar, en hij bezat kennelijk een van de fabrieken in het dorp. Zijn personeel bestond uit net zoveel Bosniërs als Serviërs. Hij stond erop dat hij ons op wat koffie en ijs kon trakteren. Toen Marcus een jaar geleden zijn fabriek opende kwam er zowaar weer even wat leven in de brouwerij in Srebrenica. Terwijl hij vertelde over hoe zijn Servische vrouw hem had overtuigd om hier naartoe te komen, schoven een paar van zijn werknemers bij ons aan. Tegen die tijd leek het alsof iedereen in Srebrenica wist dat we journalisten waren, en iedereen had wel wat te vragen.

"En? Hoe vind je het hier?" was de vraag die bijna iedereen stelde.

"Het lijkt alsof men hier volledig de hoop heeft opgegeven," zeiden we dan.

Dat was altijd het punt dat de oorlog meteen ter sprake kwam. "Als het geld van alle donaties die naar Srebrenica zijn gegaan ook echt hier naartoe was gegaan, en niet naar de zakken van politici en andere eikels, dan waren de wegen hier nu met goud bestraat," aldus Dragan, een van arbeiders in Marcus' fabriek. "Ik werk hier puur zodat ik mijn kinderen kan voeden en genoeg geld opzij kan leggen om ze naar een goede school te sturen. Als dat gelukt is, stamp ik een 'Te Koop'-bord in mijn tuin en ben ik weg hier."

Als je in Srebrenica een baan hebt, dan vervaagt het onderscheid tussen Serviërs en Bosniërs onmiddellijk. Dat was precies hoe het voor de oorlog ging, werd ons verteld."Wat kunnen we anders doen? We hebben allemaal dezelfde problemen – geen banen en geen geld. Als we werken, dan werken we met zijn allen, en dan is er geen ruimte om een lul te zijn," aldus Dragan.

Marcus' werknemers verorberen hun lunch

Dragan is nu een van de managers in de fabriek. Toen de oorlog begon stopte hij met zijn studie aan de universiteit in Belgrado en kwam hij terug naar Sarajevo om zich bij het Bosnisch-Servische leger aan te sluiten. "Ik werd erin gezogen," zei hij. "Al die Servische gedichten, weet je wel, over dapperheid, en vechten voor wat van jou is... Het klonk allemaal zo schitterend." Nu werkt hij samen met de mensen waar hij ooit zijn wapen op moest richten. Marcus knikt, en zegt dat dat helemaal geen problemen oplevert in de fabriek. Dit is echt een klassiek verhaal, en over de hele Balkan hoor je over zulke taferelen.

"Oog om oog"

Het aanvankelijke plan was om pas naar het Potocari-herdenkcentrum te gaan nadat we wat tijd in Srebrenica hadden doorgebracht. We wilden er een indruk van krijgen zoals je van zoveel dorpjes een indruk krijgt. Het probleem was alleen dat Srebrenica niet is als zoveel dorpen.

Bij de ingang van het centrum hadden we een portier verwacht, of iets wat daarop leek, maar die was er niet. Daarom besloten we maar op eigen initiatief naar binnen te gaan. We kwamen terecht bij een grote open ruimte, vlak voor een eindeloze zee aan witte grafstenen.

Toen we er een tijdje rondliepen kregen we de drang iets te zeggen, maar de oorverdovende stilte op het terrein staat dat niet toe. We zagen dat het minstens veertig minuten zou kosten om helemaal om alle graven heen te lopen. Seconden voelden als minuten, en halverwege de begraafplaats begon het echt naar en pijnlijk te worden. Al die namen op al die graven – op een gegeven moment wordt het moeilijk om vol te houden en wil je er weg.Als je je dan bedenkt dat er dit jaar nog een paar duizend lichamen begraven worden, wordt alles wat je al die tijd op tv hebt gezien ineens heel levendig en echt.

Het gedenkcentrum is uitgestorven. Er was bijna niemand, behalve wij en twee schoonmakers die zorgden dat de stenen er netjes uit bleven zien. In het middelste gedeelte was te zien dat men al bezig was met de voorbereidingen van de herdenking van deze maand. Er stonden stoelen klaar voor een gebed, en op een daarvan zat een oude vrouw. We vroegen haar of er voor vandaag nog een bepaalde ceremonie gepland stond. Ze vertelde ons dat haar zoon en vijf neven hier begraven lagen. Ze vroeg waar we vandaan kwamen, en zei dat ze heel blij was dat we hier waren gekomen.

Aan de andere kant van de weg was er nog een herdenkingsruimte, in een gebouw dat vroeger een batterijfabriek was. Tijdens de oorlog waren de soldaten van de Verenigde Naties hier gestationeerd. Er lag een gastenboek bij de ingang – zonder ook maar één Servische naam erin. We pakten een pen en schreven dat we hoopten dat zoiets nooit meer zou gebeuren.

Onder: beeld uit de herdenkingsruimte

Ook hier was verder niemand te bekennen, dus wandelden we er op ons eigen houtje doorheen. Het was geen lange wandeling – er waren alleen maar een paar foto's. In de beschrijvingen kwamen woorden als 'agressie' en 'genocide' geregeld voorbij. Na de tour besloten we nog één keer in het gastenboek te kijken, en tot onze verbazing was er iets onder ons bericht geschreven. Er stond "oog om oog", ondertekend H.H.

Dat was echt fucking bizar. Dit was niet een of andere comment van een opgefokte internetkrijger op Youtube of Facebook – dit was echt hele oprechte haat. Op een plek die is ontworpen om mensen te herinneren aan wat haat teweeg kan brengen, was er kennelijk maar een kwartier voor nodig voordat iemand duidelijk maakte dat hij ons haatte. Om misselijk van te worden.

De laatste les

Als je als journalist naar Srebrenica komt, krijg je als eerst de indruk dat iedereen met wie je praat zich enorm aan je ergert. Je krijgt een soort raar schuldgevoel omdat je, intentioneel of niet, aan het graven bent in wonden die nog altijd bij lange na niet genezen zijn. Toch zullen deze mensen er vast aan gewend zijn, omdat er – helemaal rond deze tijd – busladingen aan journalisten naar dit gehucht afreizen.

De enige plek waar je nog het gevoel kreeg dat er iets aan het gebeuren was was onze Bed and Breakfast, met de naam Misirlije. Het wordt gerund door Avdo Purkovic. Hij had maar een paar minuten voor ons, want de zaken gingen goed en Avdo had het erg druk. "Wij, en daarmee bedoel ik: de gewone mensen hier, leiden een vrij normaal leven. Voor de rest is niets normaal hier. Heel Oost-Bosnië is een grote bak ellende. Dat komt allemaal door het destructieve beleid van onze deelstaat, de Republiek Srpska, en van de federale overheid. Dat is echt allemaal één pot nat, geloof me."

We antwoordden dat het in Servië min of meer hetzelfde was.

"Ja, dat geloof ik wel. Maar ik ben een etnische Bosniër die in de republiek Srpska woont. En ik vraag je: zou jij je veilig voelen als ik je vertel dat er laatst nog een gast is gearresteerd, puur omdat hij door de stad Banja Luka heen wandelde met een vlag van Bosnië-Herzegovina in zijn handen? Ik denk het niet. Mensen zijn hier nog steeds als de dood voor mensen in camouflageuniforms, allemaal te danken aan die dag in juli."

Avdo's vader werkte als militair instructeur in het team dat onderhandelingen deed met Ratko Mladic, de toenmalige commandant van de Bosnische Serviërs. Dat heeft uiteindelijk zijn leven gered. Ook was hij lid van Artsen Zonder Grenzen.

Avdo liet ons een youtubevideo zien van zijn vader, opgenomen op 11 juli 1995 op de basis van de Verenigde Naties. Onder hevige dreiging zegt zijn vader dat de Bosniërs Mladic zeer dankbaar zijn omdat hij ze heeft "gered" van moslimterroristen. De video was adembenemend, Avdo glimlachte.

Serviërs in Srebrenica vertellen hun kant van het verhaal. Het label 'genocide' is nog te veel voor ze. Niemand ontkent dat de mannen van de vrouwen en kinderen werden gescheiden, om daarna in koelen bloede vermoord te worden. De onenigheid zit hem in de cijfers. Dragan: "Hun waarheid is dat Bosniërs nu lijken uit andere delen van het land hier naartoe brengen, en doen alsof ze hier zijn gedood. Voor hen zijn we een genocidenatie." Niemand ontkent dat er in Srebrenica misdaden zijn begaan. De Serviërs zijn alleen nog bitter omdat elk jaar de ogen van de gehele internationale gemeenschap zijn gericht op Potocari, en niet op Bratunac, waar elk jaar de gestorven Serviërs worden herdacht. Er heerst een sentiment dat de Bosniërs vertroeteld worden, en dat ze meer rechten hebben in de gemeente Srebrenica. Beide partijen heb dus nog de nodige grieven.

Terug bij het hotel van Avdo, ontmoetten we een Oostenrijkse journalist. Voor hem was het niet de eerste keer dat hij hier was. "Het verhaal dat ik nu ga schrijven, heb ik vijf jaar al eens geschreven. Ik hoef helaas alleen maar de datum aan te passen."

Ratko Mladic aan de muur

Vrijdag, onze laatste dag, gingen we nog eens naar Bratunac. Overal klonk luide muziek, en het was druk in alle bars op de hoofdstraat. We kwamen een paar gasten tegen die we eerder in Srebrenica waren tegengekomen. We groetten elkaar alsof we elkaar al jaren kenden – ze waren hier net als wij gekomen voor een avondje stappen.

Naar goeie Servische traditie was iedereen aan het roken, en overal hoorde je teringslechte folkmuziek. We dronken een paar biertjes en het was best gezellig. Toen we zochten naar een barman om te betalen, viel ons ineens iets op. Aan de muur vlak naast de bar hing een portret van Ratko fucking Mladic! En daarnaast eentje van Poetin. Olieverf op doek.

Het leeft dus nog steeds allemaal heel erg. We besloten dat dit een mooi moment was om een eind aan de avond te maken en terug te gaan naar het hotel.

Er is geen afsluiting

... En het ziet er naar uit alsof die er de komende tijd nog niet gaat komen. Oorlogsherinneringen, -wonden en –emoties zijn nog steeds duidelijk te voelen in Srebrenica. Dat komt omdat als mensen praten over Srebrenica, het altijd over politiek gaat. De gebeurtenissen van 11 juli hebben een groot gedeelte van de ziel van dit stadje vermoord. Het deel dat nog over is, zal waarschijnlijk ten onder gaan door het eindeloze gelul over politiek.