Woorden van Meningsuiting

Wat er gebeurt wanneer terrorisme routine wordt

Na Brussel waren geen Belgische vlaggen te zien op profielfoto's, en geen herdenkingsdiensten op alle Europese pleinen. Zijn we hardvochtig aan het worden?

door Sam Kriss
07 april 2016, 2:58pm

Militairen en politie op de straten van Brussel in maart. Foto door Bertrand Vandeloise

Dit artikel verscheen eerder op VICE UK.

Een van de vreselijke dingen aan terrorisme is de manier waarop het plotseling, abrupt en nietsontziend, het banale betekenisvol maakt. Ongeacht de mythische waanideeën van de aanslagplegers, is het doelwit bijna altijd het gewone dagelijks leven. Mensen worden vermoord terwijl ze verveeld uit het raam staren op weg naar hun werk, tijdens een eindeloos lange vlucht naar een zonnig oord, terwijl ze eten en andere noodzakelijke boodschappen inslaan, tijdens een avondje stappen met vrienden. Terrorisme snijdt dwars door de veilige anonimiteit van het normale leven en geeft dat moment een gruwelijke betekenis. Daarom is het zo angstaanjagend. Je hoort over mensen die worden vermoord, niet op gevaarlijke plekken of in verre oorlogsgebieden, maar gewoon terwijl ze de meest alledaagse dingen aan het doen zijn, en je denkt: ik doe dat ook, ik doe dat elke dag, ik had dat ook kunnen zijn. Wanneer persoonlijke geschiedenis verandert in wereldgeschiedenis is dat altijd monsterlijk.

Maar het werkt niet altijd. De reeks aanslagen in Brussel op 22 maart – de twee explosies op luchthaven Zaventem, de bom bij metrostation Maalbeek, 32 doden, honderden gewonden, die lugubere en huiveringwekkende nachtmerrie waar we allemaal bang voor waren – was ook opmerkelijk vanwege wat er níet gebeurde. Na de aanslagen in Parijs in november leek het normale leven uit medeleven even stil te staan; het voelde onmogelijk, of in ieder geval beledigend, om door te gaan met al die schandalig banale dingen waar we normaal onze dagen mee vullen terwijl deze enorme tragedie had plaatsgevonden. Maar bij Brussel, zo lijkt het, was dat anders. Zijn we steeds hardvochtiger aan het worden? Je had nog steeds de paniekerige nieuwsberichten en de plechtige steunbetuigingen van politici. Extreemrechts gebruikte de aanslagen nog steeds om nog eens goed te roepen dat de grenzen dicht moeten en alle moslims het land uit moeten – waarbij je de indruk krijgt dat ze stiekem blij zijn dat dit is gebeurd – die stekelige overtuiging die diep in hun woede genesteld zit: die mensen stierven met als enig doel om te bewijzen dat ik al die tijd gelijk had – alsof het niet genoeg bewijst dat je het al die tijd mis had als je zoiets zegt.

Misschien voelde het in België heel anders, maar hier in Engeland voelde het in ieder geval niet alsof de aarde even was gestopt met draaien. Natuurlijk is dit gevoel subjectief, maar er waren wel concrete aanwijzingen dat de emotionele en sociale impact van de aanslagen minder was. Er was geen filter van de Belgische vlag voor over je profielfoto op Facebook. Na de aanslagen in Parijs zijn duizenden mensen bij elkaar gekomen op een van de bekendste pleinen van Londen [Trafalgar Square] om steun te betuigen aan de slachtoffers; deze keer legden maar een paar mensen bloemen neer voor de Belgische ambassade.

De cijfers van contentanalist Buzzsumo zijn ook een teken aan de wand. In de 24 uur na de aanslagen in Parijs plaatsten diverse media meer dan 172.000 Facebookberichten waarin zij het woord ''Parijs'' gebruikten. In hetzelfde tijdsbestek na de aanslagen in Brussel werden er rond de 45.000 publieke berichten geplaatst waarin ''Brussel'' werd genoemd.

Dit kan zijn omdat het als buitenstaander voelde alsof de aanslagen een voortzetting of het staartje van de aanslagen in Parijs waren – het gebeurde tenslotte kort na de arrestatie van Salah Abdeslam door de Belgische politie. Maar het is meer dan dat: terrorisme, wat eenmalig en uniek en wereldschokkend hoort te zijn, begint normaal te worden. Iets soortgelijks gebeurde toen het Iers Republikeins Leger (IRA) in de jaren zeventig een golf van bomaanslagen pleegde in Engeland – zoveel bomaanslagen dat ze uiteindelijk onderdeel gingen uitmaken van dezelfde sociale structuur die ze probeerden te vernietigen. De terreur begint te vervagen naar de achtergrond: gewoon één van zoveel zorgen, één van zoveel angsten.

Dit heet compassiemoeheid. Het is een bekend verschijnsel onder verpleegkundigen en ambulancebroeders: mensen die beginnen met een diepe afkeer voor al het onrecht en lijden in de wereld en vastberaden zijn om hier iets aan te doen, maar na een tijdje begint er iets te vervagen, en dan worden ze cynisch. Besteed te veel tijd omringd door de dood en het wordt normaal. Maar nu is dit bij iedereen aan het gebeuren. Neem bijvoorbeeld Syrië, of de vluchtelingencrisis. Aan het begin van de Syrische burgeroorlog kreeg elk bloedbad nog de verontwaardiging en solidariteit die het verdiende. Toen er boten begonnen te zinken in de Middellandse Zee, waren mensen echt zo geschokt als ze horen te zijn door de wrede en zinloze vernietiging van zoveel onschuldige mensenlevens. Maar als er nu een bom ontploft op een markt in Damascus en er dertig mensen overlijden, dan wordt het bijna niet opgemerkt. De gebeurtenis wordt opgenomen in de constante stroom van gruwelijkheden, de aanhoudende schreeuw die wij proberen niet te horen; dat is nou eenmaal wat er daar gebeurt. Aanslagen in Europa hebben dat stadium nog niet bereikt, maar het is niet moeilijk te zien dat dit langzamerhand wel gaat gebeuren. Hoeveel mensen zullen er nog sterven voordat hun dood de voorpagina van de kranten niet meer haalt, voordat dit gesensationaliseerde geweld als net zo onspectaculair wordt gezien als verkeersongelukken, of dakloosheid, of andere dingen die honderden levens ten gronde richten zonder dat iemand de noodzaak voelt om er iets aan te doen?

En dit is monsterlijk. De waarde van iemands leven zou niet mogen afhangen van waar ze wonen, of dat er al iets soortgelijks met iemand anders is gebeurd. De enige denkbare ethische reactie zou zijn om nooit te stoppen met je druk te maken over het lijden van anderen. Maar het probleem hiermee is dat dit gewoon niet te doen is. Zoals Derrida het zegt: "Het gaat slecht met de wereld, hij stompt af terwijl hij groeit." Miljoenen sterven van de honger, miljoenen leven zonder hoop. Elke dag worden er nieuwe lijken uitgespuugd door een schijnbaar onpersoonlijk systeem dat zijn wortels diep in de kern van de aarde heeft gegraven. Als je bij elk slachtoffer moet rouwen met het verdriet dat hij of zij verdient, maakt dat het onmogelijk om daadwerkelijk te leven. Het is bijna godslasterlijk om gewoon door te gaan met je dag, als het alledaagse zo systematisch uiteen is gerukt, of om zelfs ooit nog plezier te hebben terwijl de tragedie nooit stopt. Daarom is de zelfgenoegzaamheid van de verdrietpolitie die zo nu en dan de kop op steekt ook zo wreed. "Waarom vind je het erg als dit in Europa gebeurt, maar kan het je niet schelen wanneer het in Afrika is?"

Omdat het allemaal gewoon te veel is. Compassiemoeheid is een zelfverdedigingsmechanisme, een schild tegen de wereld, de enige bunker waarin je nog kan overleven.

Het trieste hieraan is dat medelijden tonen met de slachtoffers van tragedie, hoe moreel noodzakelijk ook, niet echt iets verandert. Het angstaanjagende feit is dat de wereld niet zo hoeft te zijn. En dat is angstaanjagend omdat het de onmogelijke taak van oneindig mededogen vervangt door een taak die wel haalbaar maar zeer moeilijk is: erachter komen waarom alles zo kut is, en er ook daadwerkelijk iets aan doen.