FYI.

This story is over 5 years old.

The Fashion Issue 2012

Controversieel, sjiek en stinkend rijk

We interviewden de oprichter en hoofdontwerper van iconisch modemerk Pierre Cardin, Pierre Cardin.
3.4.12

Iedereen kent de naam Pierre Cardin, zelfs als je geen idee hebt wat hij precies doet of hoe hij eruit ziet. Mocht je zo iemand zijn: hij is de oprichter en hoofdontwerper van modemerk Pierre Cardin en de bedenker van een van de bekendste logo’s ter wereld. De innig verstrengelde P en C sieren inmiddels meer dan achthonderd producten. Stropdassen, vouwfietsen, autointerieurs, chocolade, braadpannen… je kunt het zo gek niet bedenken of Pierre Cardin heeft er een versie van ontworpen. Cardin is inmiddels 89 jaar oud en begon zijn modecarrière als kleermaker in de Franse stad Vichy. Hij was een van de eerste ontwerpers die een prêt-à-porter-collectie lanceerde en in de jaren ‘60 ontwierp hij de bizarste futuristische outfits. In de jaren daarop ontwikkelde hij zich tot één van de bekendste en commercieel succesvolste ontwerpers ter wereld. Landen als Rusland, Japan en China stonden te trappelen om overal een Pierre Cardin-logo op te plakken en betaalden de ontwerper miljoenen om zijn naam te mogen gebruiken. Hoewel hij al tientallen jaren enorm succesvol is, heeft hij zijn controversiële imago nooit achter zich gelaten. Ondanks geruchten over liefdesrelaties met het bloedmooie fotomodel Jeanne Moreau en zijn knappe mannelijke assistent Andre Olivier, weigert Cardin nog altijd om de wereld van zijn seksuele voorkeur op de hoogte te stellen. Zoals het een echte modeontwerper betaamt doet hij nog steeds dingen die andere mensen dwarszitten, al houdt hij zich tegenwoordig bezig met onroerend goed. De afgelopen tien jaar was hij druk in de weer met de restoratie van een beroemd kasteel in de Franse stad Lacoste, waarin de Markies de Sade ooit woonde. Ook probeert hij al het land rondom het kasteel te kopen, wat hem door de inwoners van het slaperige Franse plaatsje niet in dank wordt afgenomen. Alsof dat nog niet genoeg is, heeft Cardin ook plannen in Venetië, waar hij een gigantisch groot en luxe appartementencomplex à la Dubai wil bouwen. Op een zonnige ochtend in januari ging ik op bezoek bij Cardin, die voor een rijkaard een zeer bescheiden kantoor heeft. De beroemde ontwerper zetelt in het achtste arrondissement van Parijs, in een rommelige kamer waarvan de vloer bezaaid was met paperclips en verfrommelde papieren. Overal stonden kartonnen dozen met papierwerk dat waarschijnlijk al jaren geleden weg had gekund, en aan de muren hingen fotocollages en souvenirs: Cardin met Fidel Castro, Paus Johannes-Paulus de Tweede, en alle andere beroemde en belangrijke mensen uit de 20ste eeuw. “Ik kende ze allemaal,” zei Cardin, die niet bepaald bekend staat om zijn bescheidenheid. “Ik ontwerp al ‘70 jaar, langer dan wie dan ook. Ik ben de enige over wie nog gepraat wordt.” Cardin zag er verrassend morsig en verkreukeld uit in het echt. Het enige waaraan ik kon zien dat hij de jongste niet meer is waren zijn merkloze zwarte gezondheidsschoenen. Hij schakelde moeiteloos heen en weer tussen Engels en Frans en drentelde door de kamer. Cardin mag dan op leeftijd zijn, hij is nog zo scherp als een scheermes. VICE: U bent de afgelopen tijd in het nieuws geweest naar aanleiding van de restoratie van het kasteel in Lacoste. De inwoners van die stad lijken op hun achterste benen te staan, alsof de Markies de Sade hoogstpersoonlijk hun rustige plattelandsleventje is komen verstoren.
Pierre Cardin: Voordat ik er aankwam was het kasteel een ruïne, en nu is het prachtig. De mensen daar zijn jaloers omdat ik zoveel goed werk heb gedaan. Dankzij mij zijn er in Lacoste nu galeries en een jaarlijks festival. Er gebeurt een hoop. Misschien heeft de woede van sommige inwoners met hun hoge leeftijd te maken. Denkt u dat ze verbaasd waren over het feit dat iemand van hun eigen leeftijd—of misschien zelfs wel iets ouder—verantwoordelijk was voor al het tumult?
Nou, daar hebben ze niks over gezegd. Ik kwam daar met veel lawaai binnen en schudde de boel op. Dat vonden ze niet leuk. Nu beginnen ze eindelijk te begrijpen dat ik goede bedoelingen heb. U geniet ervan om mensen op stang te jagen, klopt dat? Of het nu om de boze lokale bevolking van Lacoste gaat, of de aanschaf van een gerespecteerd Parijs restaurant als Maxim’s, waarvan u de naam vervolgens als merk bent gaan gebruiken. Er gebeurt altijd wel iets controversieels als u in de buurt bent.
Ik ben niet bang om te provoceren. Je moet blijven verrassen. Een goed idee hoort mensen dwars te zitten. Dat is met mijn kleding ook gebeurd. Een mooi of decoratief ontwerp is passief en roept maar één vraag op: “Vind ik dit wel of niet mooi?” Ik kan ook niet tegen de term ‘goede smaak’. Dat betekent niks. Wie kan het wat schelen? Het maakt u duidelijk niets uit. In de parfumwereld ontstond een paar jaar geleden grote ophef nadat u ingeblikte sardientjes op de markt bracht met daarop het Pierre Cardin-logo.
Ik heb de oorlog meegemaakt! We hadden honger! Het is ronduit belachelijk dat iemand die parfum maakt geen sardientjes mag verkopen. Van parfum alleen kan ik niet leven. Als ik daarnaast ook Pierre Cardin-sardientjes wil maken, dan kan niemand me tegenhouden. Rond de tijd dat u in Venetië werd geboren, riepen de Italiaanse futuristen dingen als: “We willen niets meer met het verleden te maken hebben!” U lijkt die mening op jonge leeftijd te hebben overgenomen.
Absoluut. Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in de toekomst. Mijn manier van kleding ontwerpen is daar voor een deel op gebaseerd. Vergeet niet dat de avant-garde in volle gang was toen ik begon met ontwerpen. Toen u in 1944 in Parijs aankwam, was u slechts een kleermaker uit Vichy. Kort daarna kreeg u een baan bij het modehuis Paquin en ontwierp u de kostuums voor Jean Cocteau’s uitvoering van Beauty and the Beast. Hoe ging dat in zijn werk?
Ik wilde eigenlijk het toneel op, maar tijdens mijn eerste dag in Parijs, een zaterdag, ontmoette ik de man die me bij Paquin introduceerde. Die maandag ontmoette ik Christian Dior en via Paquin leerde ik Jean Cocteau kennen. Ik had geen geld om dans- of acteerlessen te volgen, dus richtte ik me op mode. Toen ik net begon, was het essentieel dat ik die mensen leerde kennen en ik heb ze allemaal ontmoet: Picasso, Visconti, Balenciaga… U was in de twintig en had geen ervaring toen u daar aankwam, maar uw vrienden waren allemaal rond de veertig en vijftig jaar oud. Hoe kreeg u het voor elkaar om zo snel een van hen te worden?
Ik werkte hard en zij waren erg genereus. Balenciaga vond ik erg inspirerend, omdat hij na de oorlog terugkeerde naar Parijs en daar begon te ontwerpen voor de nieuwe middenklasse. De belangrijkste persoon in mijn leven was echter Christian Dior. Hij werkte in die tijd aan de New Look, een revolutie die de modewereld voor altijd zou veranderen, en hij heette me welkom in zijn modehuis. Als hij dat niet had gedaan, was ik nu een heel ander persoon geweest. Toch zie ik geen invloeden van de stijl van Dior terug in uw werk. Waar moet ik zijn invloed zoeken?
Ik ben eigenlijk nooit door wie dan ook beïnvloed. Ik heb mijn eigen stijl en ik heb liever dat mensen mij nadoen dan dat ik anderen kopieer. Uw eerste beroemde ontwerp was de Bubble Dress in 1954. Deze jurk werd gezien als te radicaal, omdat het ronde ontwerp het silhouet van de vrouw vervormt.
Ik was toentertijd meer geïnteresseerd in beeldhouwkunst dan in mode en dat zie je terug in mijn werk. Die jurk was mijn visie op de cirkelvorm. Ik ben geobsedeerd door ronde vormen: de maan, de borst, het leven. Ik keer altijd weer terug naar dat concept omdat het oneindig is; voor mij staat het in verband met de kosmos. De oneindigheid van het heelal geeft mij meer inspiratie dan welke persoon dan ook. Dat kwam luid en duidelijk naar voren in uw collectie Cosmocorps in de jaren ‘60, die gebaseerd was op Russische astronauten. U probeerde met die collectie te voorspellen wat we in de toekomst zouden dragen. Waarom lopen we op dit moment niet allemaal rond in synthetische Star Trek-pakken met asymmetrische ritsen?
Cosmocorps was niet bedoeld als voorspelling van hoe mode zich zou gaan ontwikkelen, het was mijn visie op hoe mode eruit zou moeten zien. Mijn werk is een weergave van mijn eigen visie, niemand anders. Ik probeer eerlijk te zijn over wie ik ben, ik ben Pierre Cardin en niemand anders. U hebt een concept klaarliggen voor een enorme woontoren in Venetië, die onderdak moet gaan bieden aan honderden mensen. Het gebouw ziet eruit alsof het in Dubai of een surreële droom thuishoort. Gaat het ook echt gebouwd worden?
Ik noem het een bewoonbare sculptuur en het is beter dan welk gebouw in Dubai dan ook. Ik heb ook een aantal huizen ontworpen in de vorm van paddenstoelen. Die zullen rondom de toren worden gebouwd, voor mensen die niet hoog in de lucht willen wonen. Paddenstoelen? Zoals uw Bubbelpaleis? [Cardins Star Wars-achtige ‘Palais Bulles’ aan de Franse Rivièra bestaat uit bruine, cementen koepels, red.]
Ja, waarom niet? Het is een organische vorm, ideaal om in te wonen. Daar ga ik weer, terug naar de cirkeljurk, terug naar de cirkel. In de jaren ‘50 ging u naar Japan en was u de eerste Westerse ontwerper die een Japans model—Hiroko Matsumoto—over de catwalk liet lopen. Denkt u dat u invloed heeft gehad op ontwerpers in Japan in de jaren ‘70 en ‘80?
Natuurlijk. Toen ik er aankwam, moest Japan vanaf de grond worden opgebouwd na Hiroshima en de Tweede Wereldoorlog. Er was geen mode, alleen maar kimono’s, dus Japanse ontwerpers hadden naast mij geen enkel referentiekader. In China was het hetzelfde verhaal. [Cardin ging in 1978 voor het eerst naar China, red.] Ze droegen daar Mao-uniformen of klederdracht. Ik haalde de inspiratie voor de schouders van mijn pakken uit de vorm van pagodes, terwijl anderen slechts de details van de Mao-jasjes kopieerden: de kraag, de zakken, enzovoorts. U heeft zoveel verschillende interesses en zo’n drukke agenda, is het moeilijk om rust te vinden in dagelijkse routine?
De eerste afspraak die ik ‘s ochtends heb, is met mijn bank. Mijn eigen bank, waarvan ik de eigenaar ben, begrijp je. Ik doe alle financiën binnen mijn bedrijf. Dat heb ik geleerd in de Tweede Wereldoorlog, toen ik accountant was bij het Rode Kruis. Daarna heb ik vergaderingen met iedere afdeling en ondertusen schets ik ontwerpen voor kledingstukken en nieuwe ideeën. Op die manier heb ik bijvoorbeeld een lijn radiatoren ontworpen. Ik vind standaard kantoorradiatoren maar lelijk. [Cardin wijst naar een standaard radiator naast het bureau in zijn kantoor, red.] Ik heb vijftig verschillende soorten futuristische rode en blauwe radiatoren laten maken, da’s veel spannender. Wat vindt u van de modeontwerpers van tegenwoordig?
Er is te veel aandacht voor ‘stijl’, er zijn te veel referenties naar films en het verleden. Als ik mode maak, creëer ik iets nieuws. Mensen vinden de dingen die ik maak misschien niet altijd mooi, maar het is belangrijk om trends naast je neer te leggen. Dat is makkelijk voor u. In tegenstelling tot de rest van de modewereld bent u de eigenaar van uw eigen bedrijf. Er zijn geen investeerders van buitenaf die u druk opleggen.
Dat klopt, en vergeet niet: mijn modehuis telt op commercieel vlak nog steeds mee. Dat moet wel door mijn talent komen. Toen Yves Saint Laurent in de jaren ‘50 aan de slag ging bij Christian Dior, zei men: “Die Cardin, daar horen we over drie jaar niets meer van.” Zoals je ziet ben ik er nog steeds. Paul Gorman is schrijver en cultureel commentator. Zijn nieuwe boek Mr. Freedom: Tommy Roberts—British Design Hero komt in april uit bij Adelita. Voor meer informatie over Paul, zie paulgormanis.com.