FYI.

This story is over 5 years old.

nieuws

Het is crisis in de Centraal-Afrikaanse Republiek

Islamitische milities en christelijke antimilities gaan elkaar en de bevolking te lijf, en er lijkt nog lang geen einde te komen aan het geweld.
13.12.13

Alle foto’s en video’s door Robert King

Ze vluchtten naar het vliegveld toen de slachtpartijen begonnen. De inwoners van Bangui, de hoofdstad van de Centraal-Afrikaanse Republiek, wisten dat er Franse soldaten gestationeerd waren op het vliegveld van Bangui, M’poko. Dus toen er weer gevochten werd in de stad, vluchtten de inwoners naar het vliegveld in de hoop veiligheid te vinden bij de soldaten. Vijf dagen later landden wij op M’Poko.

Advertentie

Door de sektarische conflicten bevindt de republiek, een van de armste landen ter wereld, zich op het randje van de afgrond. De strijd begon afgelopen maart, toen Michel Djotodia en zijn rebellen (bekend als Séléka) Bangui binnenvielen en daar president François Bozizé afzetten. Djotodia benoemde zichzelf tot president en probeerde Séléka in het leger te integreren. Dat lukte niet. Zelfs Djotodia gaf toe dat hij over het grootste deel van zijn eigen rebellengroep geen controle had. Van deze rebellen wordt gezegd dat het huurlingen uit het naburige Tsjaad en Sudan zijn.

Groepen met voornamelijk islamitische Séléka-leden terroriseren nu het overwegend christelijke land. Tijdens hun rooftocht verkrachten en vermoorden ze burgers. De burgers hebben hun eigen anti-balakastrijdgroepen opgericht – ‘balaka’ betekent zwaard of machete – om terug te vechten. Ondertussen vinden diegenen die niet meevechten toevlucht op de enige plek waarvan ze denken dat ze veilig zijn: hun gebedshuis. De islamitische burgers vrezen tegelijkertijd wraak vanuit de anti-balakagroeperingen, na negen maanden onder de terreur van Séléka te hebben geleefd.

Je moet daarbij wel weten dat we, via mensen die er middenin zitten, hoorden dat het religieuze aspect van het conflict – de islamitische rebellen tegenover de christelijke burgers – wat wordt overdreven. Ons werd verteld dat de oorlog niet om ideologie draait, maar een strijd om identiteit is – eentje die al vele generaties lang woedt. Ongeacht de achterliggende oorzaak veronderstellen de Verenigde Naties en andere ngo’s dat de situatie nog veel verder uit de hand kan lopen.

“Een logistieke nachtmerrie”

Sterker nog: de situatie is waarschijnlijk nog veel ernstiger buiten de hoofdstad, ver verwijderd van het beetje veiligheid dat het Franse leger biedt en de medische hulp van ngo’s. Maar het land is zo groot en de bevolking zo verspreid, dat de werkelijke omvang van het geweld moeilijk in te schatten is. Veel dorpen zijn verlaten omdat inwoners de bossen in zijn gevlucht om aan de oorlog te ontsnappen. Ze lopen veel risico – waaronder een grote kans op malaria en ondervoeding.

Advertentie

“Het is een logistieke nachtmerrie,” zei Romain Gaduchon van ECHO (European Community Humanitarian Aid Office), die onlangs hulpverlening heeft georganiseerd via vliegdiensten. Hij omschreef de Centraal-Afrikaanse Republiek als het slechts bereikbare land in Afrika, door het gebrek aan infrastructuur en zeehavens, en door de dichtbegroeide jungle.

Met deze ECHO-vliegtuigen kwamen behalve hulptroepen ook journalisten mee – waaronder wij. Halverwege de vlucht kregen we een update van één van de werknemers van de organisatie: het gebied buiten het vliegveld was niet veilig. De avond ervoor waren er twee Franse soldaten vermoord. Als reactie daarop hadden christenen een moslimwijk geplunderd en burgers gedood.

Toen we geland waren, zagen we de geïmproviseerde sloppenwijken en de vluchtelingkampen aan de rand van het vliegveld.  Overal liepen Franse soldaten. Vluchtelingen hielden borden omhoog waarop ze Djotodia afkraakten en zongen: “Bedankt, president Hollande. Bedankt, Frans leger.”

Franse journalisten vertelden ons dat de houding naar de media heel plotseling leek te zijn veranderd. Toen zij die dag door islamitische buurten liepen, kregen ze vuile blikken en sommige burgers maakten zelfs gebaren alsof ze hun keel doorsneden.

Wij trokken er de volgende dag op uit en werden juist heel hartelijk ontvangen. We gingen naar een klooster dat net als de meeste gebedshuizen een inoffocieel kamp voor ontheemden was geworden. Broeder Yeelen Waongo vertelde ons dat daar nu vijftienduizend mensen verbleven. Hij beschuldigde alleen de politiek van al het geweld, en vond dat de religeuze toewijding van mensen werd misbruikt door figuren die daarmee aan de macht wilden komen.

Advertentie

Emmanuel Teka, een rechtenstudent die toevlucht had gezocht in het klooster, gaf de huidige president de schuld van alle problemen. “De Franse troepen moeten de wapens van Séléka en anti-balaka afnemen,” zei hij. En hoe stond hij tegenover wraak? “Het is niet goed, maar mensen hier willen het wel graag.”

Volgens Teka is het aan de president om te zorgen voor vrede. Elders in het kamp zongen vrouwen en kinderen liedjes over zijn aftreden.

“Er was hier altijd vrede”

Hoewel Bangui nog kampt met veel problemen, lijkt de situatie enigszins gestabiliseerd. De winkels zijn nog gesloten, maar mensen lopen over straat en gaan verder met hun normale leven – een enorme verandering vergeleken met de week daarvoor. We zagen een paar leden van Séléka op straat, en wat jongens die “vrede, vrede!” riepen.

Toch zijn er nog veel spanningen voelbaar, zoals op een Franse controlepost in een gevaarlijke wijk. Toen we daar aankwamen, lag er een jonge man op een zelfgeknutselde brancard met een hevig bloedend been. Zijn vrienden vertelden ons dat hij was aangevallen met een machete door rebellen van Séléka. Ze schreeuwden om wraak.

Vervolgens benaderde dokter Andre Gombako de mannen. Hij vertelde dat zijn broer enkele nachten terug was vermoord door leden van Séléka. Hij benadrukte hoe belangrijk het was dat hij deze gruwelijkheden zou vergeven, en waarschuwde iedereen om vooral geen geweld te gebruiken, ondanks de aanvallen. “Mijn hart kent geen woede,” zei hij. “In ons land is er altijd vrede geweest tussen de christenen en moslims.”

Advertentie

 Gombako liet ons weten dat het land twee dingen nodig heeft om van al het geweld af te komen: een algemene ontwapening, en de verdrijving van alle buitenlandse strijders die met Djotodia zijn meegekomen uit Tsjaad en Sudan.

Even later reed er een bestelwagen de controlepost binnen, vol met zwaarbewapende soldaten van de vredeshandhaving van de Multinational Force of Central Africa (FOMAC). Er werd gemompeld in de menigte, en sommige mensen reageerden boos. Inwoners vertelden ons dat sommige strijders uit Tsjaad, die het land zijn binnengedrongen samen met Séléka, zich hadden aangesloten bij de FOMAC. Ze waren bang dat ze binnenkort aan zouden vallen.

In een moslimwijk spraken we bewoners die de beweringen dat Séléka-leden uit Tsjaad en Sudan kwamen juist tegenspraken. Zij vertelden dat de Franse troepen lukraak alle moslims aanpakten, maar niet de wapens van leden van de anti-balaka afnamen. Daardoor waren de moslims heel kwetsbaar geworden voor represailles. “De Franse troepen gaan niet achter de christelijke gemeenschap aan, alleen achter de moslims,” vertelde iemand. “We hebben de Verenigde Naties nodig.”

Onder de islamitische bevolking waren de meningen over Séléka verdeeld. Maar ook die mensen drukten ons allemaal op het hart dat de verhouding tussen moslims en christenen goed was, voordat Séléka op kwam dagen. “We weten niet waarom we dit probleem hebben,” zei een man.

Moslims hebben vooral de neiging om het geweld aan de anti-balaka toe te schrijven, en zeiden dat het beeld dat van hen wordt geschetst – dat ze een voor zichzelf opkomende militie van dorpelingen zijn – misleidend is. De anti-balaka zijn volgens hen trouw aan voormalig president Bozizé, en worden gemanipuleerd door politieke machten. “De christenen verloren hun macht, maar ze willen hun nederlaag niet accepteren,” vertelde een man, genaamd Ali.

Door de hele stad worden verschillende partijen als dader aangewezen: óf de anti-balaka zouden het conflict zijn begonnen, óf Séléka. De langdurige spanningen tussen religeuze gemeenschappen zouden ten grondslag liggen aan het conflict, óf religieuze spanningen zouden niet bestaan hebben vóór het conflict. De Tsjadiërs zijn de schuldigen. Of de inwoners van Darfur. Of de Fransen.

Oftewel: niemand kan precies uitleggen waarom de inwoners – die altijd vredig als buren samenleefden – elkaar ineens zijn gaan vermoorden, of waarom meer dan 100.00 mensen in Bangui zich niet meer veilig voelen in hun eigen huis.