Stank

Een kleine geschiedenis van de immense stank van Amsterdam

Iedereen loopt altijd maar te zeuren over de hoofdstad, maar vroeger was het er pas echt geen pretje.

door Laura van der Haar
08 november 2017, 11:56am

Het allergoorst vond ik Amsterdam zo'n vijftien jaar geleden, toen Pakhuis Afrika nog geen kantoorpand achter de Piet Heinkade was maar een gekraakt rijksmonument met af en toe een technofeest. Ik wilde er van het toilet gebruik maken, een genderneutraal toilet was dat toen al, met houten klapdeurtjes maar zonder slot, en in de pot tekende zich een layercake af van afwisselend stevige hompen stront en proppen toiletpapier en glibberige lagen poep en vellen toiletpapier en dan weer vaste delen poep afgeblust met vlokken piesdoordrenkt toiletpapier en tot slot toch nog weer een klein sliertje poep – of was het kots? Ik weet het niet meer! In ieder geval zo'n constellatie, tot in het oneindige binnen de grenzen van een porseleinen pot. Of nee, ook erbuiten.

Mijn goorste Amsterdam was toen, daar. Maar inmiddels weet ik dat hoe goor de stad nu soms ook zijn kan, dat in geen enkele verhouding staat met vroeger. Want in een tijd ver voor de technofeesten was Amsterdam zó vies, dat de rijken ieder jaar hun hele huis leeghaalden om het tijdens de stinkzomers elders te zoeken. Dichter Menno Wigman schreef het al: "'s Zomers stinken alle steden", en Amsterdam misschien wel het hardst. Hoe die gorigheid vroeger precies rook is nergens opgeslagen, ik weet niet of daar een "helaas" of "gelukkig" voor hoort, maar wie daar heerlijk over kan vertellen is Lodewijk Wagenaar.

"Kom binnen! Wat leuk! Ik heb al wat boeken voor je klaargelegd, wacht even hoor, eerst wat hulpmiddelen aan," Wagenaar draait aan het apparaat naast zijn oor. "Kom maar even aan deze kant zitten, ja ouder worden is verder helemaal niet erg hoor!" De historicus, universitair docent en voormalig conservator van het Amsterdam Museum heeft ook na zijn pensioen nog een werkkamer op de UvA. "Dus jij wilt weten hoe vies het vroeger was. Draai je even om."
Onze ergonomische bureaustoelen maken een halve cirkel naar het raam, zodat we uitkijken op het water van de Kloveniersburgwal en de panden aan de overkant.

"Wij zitten hier nu precíes op de grens van het Amsterdam van 1570. Daar kwam de nieuwe stad," hij wijst naar buiten. In mijn blikveld: trap- en klokgevels van statige herenhuizen. Toen de overkant van de gracht nog uit weilanden bestond, steeg de bevolking exponentieel. En bevolkingsdichtheid is een van de belangrijkste factoren voor smerigheid in een stad. Wagenaar haalt een verfrommeld briefje uit zijn portemonnee met daarop de inwonersaantallen. "Dertigduizend in 1570, dertig jaar later zeker het dubbele. Dát is een gigantisch probleem: al die mensen willen schoon drinkwater, maar ze willen ook allemaal poepen."

De honderden jaren oude drek wordt weer zacht en vloeibaar met als wonderlijkste uitwerking dat die oude stront zijn eigen geur weer hervindt.

Zelf dacht ik altijd dat Amsterdam in de middeleeuwen op zijn allergoorst zou zijn, in die donkere eeuwen van ratten en de pest en smeulend afval en builen met pus op ieders gezicht, maar die periode is helemaal niet zo duister en smerig als mijn associaties. Amsterdam had in de middeleeuwen nog een grotendeels landelijke uitstraling en verstedelijkte pas echt in het allerlaatste staartje ervan. Dr. Roos van Oosten, universitair docent Urban & Medieval Archaeology in Leiden, stelt in haar proefschrift dan ook dat de term "middeleeuwse toestanden" eigenlijk wel vervangen mag worden door "19e-eeuwse toestanden". Zij onderzocht hoe stedelijke samenlevingen omgingen met hun groeiende berg menselijke fecaliën (stront en pies en kots dus) en volgens haar zijn er drie perioden die qua gorigheid met elkaar vergeleken kunnen worden: de late middeleeuwen, de 17e eeuw en de 19e eeuw, waarvan de 19e eeuw in haar ogen de ellendigste is.

Die groeiende berg stront en dergelijke dumpte men vroeger in de meeste steden in beerputten en tijden mijn eigen studie archeologie heb ik daar voor de Amsterdamse Haarlemmerbuurt een deel van onderzocht. De inhoud van die grotendeels 16e en 17e-eeuwse beerputten lag in plastic zakken in de opslag, die weer in emmers bewaard werden. Mijn taak: die emmers openen, de inhoud van de zak leegschudden op een zeefmachine van taartvormachtige zeven met een steeds kleiner wordende maaswijdte en daar dan boven de spoelbak de hete douchestraal op richten. Wat er dan gebeurt is dat de honderden jaren oude drek weer zacht en vloeibaar wordt, dat het uiteenvalt in steeds kleiner wordende brokjes en stukjes en pitjes en zaadjes en klontjes om onder de microscoop te bekijken met als wonderlijkste uitwerking dat die honderden jaren oude stront zijn eigen geur weer hervindt.

Lodewijk Wagenaar zou als hij moest kiezen de 17e eeuw bestempelen als allergoorst, de Gouden Eeuw dus goeddeels. "Die stinkeeuw!" roept hij uit. "Een vreselijke stinkstinkstínkeeuw. Eén grote toestand van gorigheid was Amsterdam toen." Men leefde veel te dicht op elkaar, en soms letterlijk boven het riool. "Ze hadden een houten plaat uit de muur boven de gracht en PLOP daar gingen de drollen. Stel het je maar even voor, nu kent de Jordaan 20.000 inwoners, maar in de Gouden Eeuw waren dat er 90.000."

Ik stel me negentigduizend poepende mensen in de Jordaan voor.

Plop.

"Dat was één grote gore narigheid. Mensenpakhuizen, overal werden verdiepinkjes tussen geplempt. Steeds maar weer cholera!" Cholera is een zogenaamde waterborne disease met symptomen als hevige waterige diarree, kotsen, en een visachtige geur aan de ontlasting. Uitbraken van dergelijke epidemieën (naast cholera kwamen ook de pest, de Engelse zweetziekte, malaria en de 'gewone' mazelen veel voor) zijn inderdaad indicatoren dat het er slecht voor stond met de hygiëne. "Dempen die hap," roept Wagenaar. "Dat is te erg. De Herengracht bijvoorbeeld! Was het fijn om daar te wonen?"

Zoals het vroeger rook in Amsterdam, zo ruikt het niet meer. Het is een uitgestorven geur.

"Ik denk het wel."

"Nee! Dat was vreselijk! 's Zomers stonk het daar als de ziekte. De rijkelui zetten alle meubels uit hun grachtenpand op een dekschuit en smeerden hem dan naar een van de buitens en daar bleven ze ook maandenlang want het stonk stonk stónk!"
"Waar kun je die geur mee vergelijken?"

"Niets. Die geur die kennen wij niet meer. Ja, in Sri Lanka, waar ik voor mijn werk veel kwam, daar op de vuilnisbelt komt het misschien in de buurt. Een mestvaalt. Nee," besluit hij toch, het is een uitgestorven geur, en dan vertelt hij over de visgratenfabriek waar hij in zijn jeugd (jaren veertig/vijftig) naast woonde, waar de graten werden verwerkt tot lijm. Vislijm dus. "Dat is ook zo'n stank die helemaal niet meer bestaat. Oh wacht ik weet iets!" Hij tikt fanatiek met twee vingers in het zoekvenster van Google.

"Ja! Dit is leuk voor de beeldvorming. Mensen kunnen het zich misschien nog herinneren, de staking van de stadsreiniging. In 2005 was dat geloof ik. Wat er dan gebeurt in een buurt, als het vuilnis blijft liggen. Maar als je het echt wilt ruiken: houd je vuilniszak eens een poos in de container. Zo vol mogelijk, met wat vlees of vis erbij. En dan niet op het balkon zetten, maar lekker binnenhouden in de warmte met het deksel er stevig op. En dan na een week of twee trek je de zak open. Dat is de geur van vroeger, dan snap je hoe het vroeger méúrde, dat is een woord waar ik niet van houd, maar zo was het eenvoudigweg wel."

Ik vraag of de mensen er misschien aan gewend raakten.

"Ik weet niet hoe een reukorgaan en de hersenen samenwerken, of er gewenning optreedt, maar ik ken wel de historische beschrijvingen van buitenlanders die de stad bezochten. Handelsreizigers en dergelijke, zij noemen het stuk voor stuk: het is te erg. Al-les in Amsterdam stinkt. Dat water. Huuuuuu."

Nina Linde Jaspers, aardewerkspecialist en archeologe, heeft ontzettend veel beerputonderzoek uitgevoerd en wijst me op het feit dat viezigheid bovendien niet discrimineerde tussen arm en rijk. "Zoek de aarsmade maar eens op." Ik doe dat meteen en heb nog steeds spijt dat ik ook op Google Afbeeldingen klikte waar iemand het nodig vond deze specifieke made in zijn natuurlijke habitat te fotograferen. De aarsmade kwam veel voor in het beerputmateriaal dat Jaspers onderzocht in onder meer Vlissingen, zelfs in de beerputten van de meest luxe huishoudens. Met een hand voor de ingezoomde afbeelding lees ik over de beestjes: het zijn kommavormige wormpjes die aan het einde van de menselijke dikke darm leven (in de tussen de massief vlezige billen ingebedde sluitspieren, zoals Wikipedia de anus a.k.a. aars a.k.a. poepgat beschrijft). Ze leggen hun eitjes rond de anus en worden door middel van aldaar krabben verspreid. Volgroeide exemplaren piepen vooral 's nachts naar buiten en in dat dubbele donker veroorzaken ze dan verschrikkelijke jeuk. Vroegmodern Vlissingen lag er massaal wakker van, en dat zal in Amsterdam niet anders zijn geweest.

De aarsmade, die bij iedereen 's nachts naar buiten kroop om te jeuken

"Ze werkten vroeger met een tonnensysteem," vervolgt Wagenaar, "Tot nog niet eens zo ontzettend lang geleden. Ken je de Kar van Boldoot?

"Nee."
"Ooh arme jonge mensen." Hoofdschuddend laat hij een plaatje zien. "Kijk. Dat is hem, de strontkar. Die kwam de poeptonnen ophalen aan huis." Die Strontkar van Boldoot is vernoemd naar parfumfabriek Boldoot – beter bekend van het Keuls Water, het goedkope parfum voor de gewone man – en reed zeker nog tot in de tijd van de fotocamera rond door de stad. "Dat waren dan houten tonnen vol stront die men vanaf de derde verdieping naar beneden moest dragen, en denk maar niet dat die tonnen nooit lekten op de trap. En vaak genoeg kletterde er eentje bonk bonk bonk helemaal naar beneden hup met al die kak over de trap. Dat kieperden ze dan over het richeltje en zo reed die stinkende strontkar vol poepdrollen door de stad. Weet je wat een plee is?

"Ja een wc?"

"Wat is het soms toch jammer om jong te zijn. Dít is een plee." Nieuw plaatje. "Een houten luik en daar ging je op zitten. En dan POEP!! In die emmer. Maar die poep werd heus niet elke dag opgehaald, dat lag daar maar in die emmer op de kar te wachten. Get ja daar heb je hem." Wagenaar klikt een nieuwe afbeelding open met de strontkar erop open. "Later kregen ze pas emaille emmers, die lekten minder maar geeeetverredemme."

In de rij voor de Strontkar van Boldoot, waar emmertjes vol stront met de blote handen in het reservoir werden gekiept.

Roos van Oosten, van de negentiende eeuwse toestanden, stuurt me een afbeelding van Haarlemse pispotten door. Overdag ging men dus naar de plee, maar 's nachts waren de bedden geflankeerd door pispotten. In de begindagen van de pispot waren die nog van aardewerk, soms ongeglazuurd en dus poreus, waardoor alle geurtjes er aan de ene kant lekker in konden trekken en er aan de andere kant lekker uit konden lekken. Ook was de bodem niet altijd perfect plat, waardoor er weleens eentje omkukelde. En aardewerk breekt natuurlijk. Houten vloeren. Niet vochtwerend. Enzovoort.

Haarlemse pispotten door de eeuwen heen, circa 1400 – 1650.

"Weet je wat een goed hulpmiddel is op een zoektocht door oud Amsterdam?" vraagt Wagenaar. "Google Maps." Hij zoomt in op het stadscentrum. "Hier staat het eigenlijk allemaal al. Je had bijvoorbeeld de Lakenramen. Denk maar aan Raamplein. Dat waren ramen waar de geverfde textiel te drogen hing, en alle rotzooi werd er onder het water in gemikt. Dit is een hele leuke manier van stad bekijken, we kunnen zo de stad opnieuw tekenen. De Brouwersgracht bijvoorbeeld, die naam zegt het ook al: daar haalden de brouwers hun water vandaan. Ook toen er nog geen getijdenwerking door de grachten trok, stilstaand grachtenwater dus, inclusief vuiligheid en pies en poep (pas met het stoomgemaal in Zeeburg aan het einde van de 19e eeuw werd de doorstroom van het grachtenwater mogelijk gemaakt). Of hier, de Verversstraat. En de Looiersgracht natuurlijk. Wat je trouwens altijd als eerste moet doen in jouw vak, is Jan Wagenaar pakken." Er ligt een grote Wagenaar-stapel klaar op het bureau.

"Is dat familie?"

"Nee." Hij bladert door de index van een van de in leer gebonden folio's. " Leerlooierijen. Eens zien. Leer. Leder. Looiers. Kijk. Looiers: Zie huidekopers."
Leerlooien was een ontzettend smerig en stinkend karwei. Als een dier geslacht was werd de huid gevild en de hoorns van de huid gesneden. Om de resten vlees en haar op die huid weg te krijgen hadden de leerlooiers, met hun nering in hartje Jordaan, zo hun trucjes. Die vleesrestenhuiden werden bijvoorbeeld eerst een paar weken in een bad met urine en kalk gelegd, zo losten het haar en het vet op. Dan werden de vleesresten en de haren er met een schaafijzer afgeschraapt en dán werden de huiden geweekt in een badje van water en poep. Om het lekker zacht te maken. En rond die rokende urinepoepbadjesschoorstenen woonden in de hoogtijdagen dus negentigduizend (afvalproducerende) mensen.

Hoorns en hoornpitten die bij een opgraving vaak duiden op een leerlooierij.

In de google maps-safari vliegen we langs de Bloedstraat in de Nieuwmarktbuurt – vernoemd naar de zogenaamde bloetcamer van het Minrebroedersklooster, de plek waar geopereerd werd maar mogelijk ook gemarteld. De Slijkstraat (de drassige toestanden), de Gedempte Huidenvettersloot (broer van de leerlooier), de Korsjespoortsteeg die ik eigenlijk helemaal niet wil opzoeken maar die gewoon vernoemd blijkt naar de 15e-eeuwse houtkoper Corsgen Jacobsz.

"Ken je Neel Doff?" vraagt Wagenaar tot slot. "Dagen van honger en ellende?"
"Nee?"
"Oké, hier." Hij drukt me een euro in handen. "Dat boekje kost één euro op boekwinkeltjes.nl.'
"Dat kan ik heus zelf wel betalen!" sputter ik tegen, maar Wagenaar is onverbiddelijk.
"Nee. Nee nee nee nee. Dit is de enige manier om je te dwingen dit te lezen. Zie het maar als een soort chantage, want nu moet je hem wel bestellen."

Het verslag van het 19e-eeuwse 'pauperkind' begint inderdaad veelbelovend:

Wij bewoonden één kamer in een onoogelijk slop van Amsterdam. Wij lagen op zakken van grof linnen, gevuld met haverdoppen, die tot poeder vergaan en doortrokken van kinder-urine, tot een vieze prikkelende massa waren geworden. Het linnen schuurde en brandde mijn huid; de vlooien plaagden mij verschrikkelijk; ik stikte bijna en kreeg oorsuizingen, waardoor ik mij allerlei dingen begon te verbeelden. Ik riep zachtjes aan moeder en zei, dat ik niet kon slapen, omdat ik de vlooien hoorde loopen.