Hoe het is om vegetariër te zijn als dochter van de dorpsslager

Ik hoorde bijna dagelijks “Of je worst lust.”
Slager
Alle foot's door de auteur

De slagerij waar ik opgroeide was een Twents familiebedrijf dat in 1926 door mijn overgrootvader werd opgericht. Mensen kwamen van ver voor “Worst van de Drost." Dagelijks racete ik samen met mijn zusjes en vrienden rond op de karretjes waar het vlees normaal op werd vervoerd, om af en toe een plakje ham te scoren. We konden toen nog enorm lachen om de opmerking “of je worst lust”, ook al begrepen we er niks van.

Advertentie

Elk jaar hadden we met de basisschool een kersttoneelstuk in de kerk. Het was mijn droom om Maria, een engel of een andere hoofdrol te spelen. Maar drie jaar op rij werd ik slager. Kennelijk was deze rol me op het lijf geschreven. Mijn ouders hesen me trots in de bedrijfskleding van Slagerij Droste en in mijn nek kreeg ik een stok met daaraan worsten die een paar uur daarvoor nog in de vitrine lagen. Als ik opkwam begon mensen altijd zacht te grinniken om mijn boze hoofd. Ik baalde als een stekker van mijn rol, maar dat kleine slagersdochtertje in een veel te grote overall en behangen met saucijzensieraden, moet hilarisch zijn geweest.

Ik was gek op dieren, maar in de grote hompen vlees boven de uitbeentafel kon ik geen beest herkennen. Rond mijn achtste begon dat te veranderen. Ik hield een tirade over hoe belachelijk het was om dieren te doden. Maar mijn ouders dachten waarschijnlijk dat deze bui wel zou overwaaien. Twee weken daarvoor had ik na het lezen van de kinderbijbel nog lopen huilen, omdat Jezus was gestorven voor de zonden van de mens.

1519047606022-IMG_0031-2

De slagerij in 1969

Op mijn dertiende raakte mijn vader arbeidsongeschikt door een beroerte. Na twee jaar doorkachelen besloot mijn moeder dat het welletjes was en stopten we met de slagerij. Ze kreeg een andere baan en ik zorgde 's avonds vaak voor het eten. Mijn vleesbehoefte werd steeds minder en ik kookte steeds vaker vegetarisch. Mijn ouders vonden dat je beter af en toe goed vlees kunt eten, dan veel slecht vlees. Ik at het alleen nog maar als iemand anders het voor me maakte: gehakt en spek in de bolognesesaus of een ribstuk dat mijn moeder uren in de oven gaarde.

Advertentie

Twee keer heb ik eerder geprobeerd om vegetariër te worden, maar beide keren waren van korte duur. De eerste keer was ik vijftien; ik zag een filmpje met jankende honden in miniscule hokjes die met het Chinese hondenfestival opgegeten zouden worden. Vijf jaar later probeerde ik het nog een keer. Ik had net konijn Iejoor als huisdier gekregen, toen ik een stuk konijnfilet in een Haags restaurant geserveerd kreeg. “Het is net Iejoor,” zei m’n toenmalige vriend. Het idee dat thuis zo’n beestje gelukkig op een sperzieboon lag te kauwen, terwijl zijn neefje hier rosé in plakjes tussen de haricots verts op mijn bord lag, maakte me misselijk. Ik ging die avond met honger naar huis.

1519054022725-iejoor-in-plakjes-site

Iejoor in plakjes

Allebei de keren voelde ik me de enige vegetariër in het dorp en ik bedacht me hoe vreemd het was om als slagersdochter geen vlees te eten. Ik was niet echt goed gewapend tegen alle vragen die ik van mijn omgeving kreeg over mijn nieuwe levensstijl. “Denk eens aan alle boeren hier in de omgeving,” hoorde ik vaak. Maar als iemand speciaal een stukje vlees voor me bakte, vond ik het toch moeilijk om te zeggen dat ik vegetariër was. Dus verviel ik weer in mijn oude eetpatroon.

De definitieve omslag kwam toen ik 21 was en net op mijzelf woonde in Hengelo. Tijdens een eindeloze scrollsessie op Facebook zag ik een Japans filmpje waarin een kikker anderhalve minuut levend werd gefileerd en in stukken werd gehakt. Een griet hield het tussen haar stokjes en peuzelde het met een brede grijns op. Ik keek in zijn grote bange ogen en wist zeker dat ik hem zag huilen. Dat was het moment waarop ik besloot te stoppen met vlees.

Advertentie

In het begin van mijn nieuwe vleesloze leven was ik bang dat iedereen me zou zien als die linkse betweter. Maar gelukkig steunden mijn ouders me onvoorwaardelijk. En dankzij de vrijheid die ze me altijd hebben gegeven, kon ik zelf de keus maken om wel of geen vlees te eten. Andere mensen begrepen het minder goed: “Hoe kan dat als slagersdochter? Waar ging het mis?” En bij barbecues kreeg ik niet meer de taak om het vlees te grillen. Ik was nu “die vegetariër” die met maïskolven en zelfgemaakte bietenburgers aan kwam zetten. “Of je worst lust” was ineens een stuk minder grappig en bij de plaatselijke bakker hoorde ik vaak: “Ben jij écht de dochter van slager Droste?”

Ook kreeg ik regelmatig de geniale grap te horen dat mijn vader Iejoor volgend jaar wel op het kerstmenu zou zetten. Maar deze kerst maakte ik een volledig vegetarisch vijfgangendiner. Voor mijn vader en zusje bakte ik nog wel een biefstuk. We eten thuis aanzienlijk minder vlees, maar van mijn vader krijg ik nog steeds soms lachend de vraag waarom ik het zo streng uit mijn leven heb verbannen. Dan zeg ik tegen hem dat ik er gewoon geen behoefte meer aan heb.

Grote stukken vlees schrikken me niet af, ik ben ertussen opgegroeid. Ik heb zelf nog nooit een dier kunnen doden en het voelt vreemd als iemand anders dat voor mij zou doen. Helemaal omdat ik vlees niet echt mis. Ik heb het zo veel gegeten in mijn leven dat ik het niet meer als een luxeproduct zie dat op je bord móét liggen.

De sterke geur van vlees vind ik niet eens smerig. Het doet me denken aan hoe mijn vader rook als ik op de bank tegen hem aan kroop als hij thuiskwam van zijn werk. Ik heb veel goede herinneringen aan de slagerij. Geen vlees meer eten is voor mij een weloverwogen keuze. Ik ben blij dat ik van mijn ouders heb meegekregen dat het belangrijk is om je bewust te zijn van wat er op je bord ligt. Of dat nou een veganistische curry, haring met uitjes of carpaccio is.