Advertentie
Dit artikel is meer dan vijf jaar oud.
nieuws

Zo is het leven in een Duits asielzoekerscentrum

Een Syrische vriend van een vriend van een vriend schreef een verslag van de tijd dat hij in afwachting van zijn verblijfsvergunning in een asielzoekerscentrum verbleef.

door VICE Staff
10 december 2013, 1:00pm

Het is lastig voor journalisten, familieleden of andere buitenstaanders om een asielzoekerscentrum te bezoeken, laat staan om er te filmen of fotograferen. Toch wilden we echt graag met eigen ogen zien hoe mensen uit Afghanistan, Tsjetsjenië, Servië, Kosovo, Syrië of Irak daar in een afgesloten ruimte samenleven en wachten op de resultaten van hun asielaanvraag. Daarom hebben onze broeders van VICE Duitsland contact gelegd met een Syrische vriend van een vriend van een vriend, die tot voor kort in een asielzoekerscentrum woonde en foto’s en video’s stuurde die hij in het asielzoekerscentrum had gemaakt. 

Dit verhaal is helemaal verteld door de voormalige asielzoeker. We hebben zijn tekst alleen vertaald, maar niets veranderd aan de inhoud.

(De video’s in dit stuk zijn gedeeltelijk ingekort en de namen van de personen zijn om privacy- en veiligheidsredenen gefingeerd.)

Het was al laat op dinsdagavond toen ik bij mijn nieuwe thuis aankwam: een voormalig ziekenhuis dat is omgebouwd tot een omheind vluchtelingenkamp voor honderden vluchtelingen.

Op het moment dat ik het gebouw binnenkwam en de metalen deuren achter mij dicht sloegen, kreeg ik het gevoel alsof ik in een gevangenis was aangekomen. Bij het achterlaten van mijn documenten op het beveiligingskantoor, leerde ik Jamal kennen. Hij was een jonge Syrische vluchteling uit Damascus die er nu al bijna een maand woonde. Het eerste dat hij (in het Arabisch) tegen mij zei was: “Als je geluk hebt, krijg je een bed in een tiental."
"Wat is een tiental?", vroeg ik.
"Een kamer met vijf stapelbedden,” zei hij, “dus met tien mensen per kamer." Hij voegde eraan toe: "De man die het bed boven mij had is vandaag overgebracht naar een ander huis. Dus we zijn nu met negentien in de kamer... Als je pech hebt, krijg je dat bed." Jamals laatste gok bleek juist te zijn. De bewaker gaf me witte lakens met vlekken en leidde me naar de kamer. Mijn bed stond vlak naast het raam – in de kamer hing een sterke geur.

Ik keek door het raam naar buiten en wilde eigenlijk het liefst slapen. In plaats daarvan voerde ik een gesprek met Jamal en kwam te weten dat hij uit Syrië was gevlucht om te voorkomen dat hij in het leger moest. Op een dag was de geheime dienst naar het huis van zijn ouders in Damascus gekomen, en had gevraagd waar hun zoon was. Zijn vader had geantwoord dat Jamal Syrië had verlaten. De volgende dag hadden ze zijn vader op weg naar zijn werk in het hoofd geschoten. “Hoe zal ik, zelfs als ik in Duitsland asiel krijg – iets waar veel Syriërs alleen maar van kunnen dromen – ooit een gelukkig leven kunnen leiden? Ik zal altijd de schuld van de dood van mijn vader met me meedragen. 

De volgende ochtend werd ik wakker gemaakt door een paar Syriërs. Ze boden me iets te eten aan en vroegen of ik een telefoon nodig had, om mijn familie te kunnen bellen. Ze wilden mijn verhaal horen en ze stelden me wel honderd vragen per minuut. “Ben je voor of tegen het regime van Assad? Via welke weg ben je gevlucht? Hoeveel heb je de smokkelaars betaald?” Ze wilden weten of ze waren afgezet of dat ze een goede deal hadden gesloten.

De meeste asielzoekers brengen hun tijd door met landgenoten. Maar ik heb ook Serviërs, Kosovaren, Afghanen, Tsjetsjenen, Albanezen, Irakezen en Iraniërs ontmoet. Het is niet makkelijk om in slaap te vallen in een kamer met negentien andere mensen die de hele nacht hoesten en snurken. Ik ben vaak wakker geworden als Ajmal ’s nachts huilde. Ajmal is een 25-jarige politieman uit Kabul, die is ontvoerd en gemarteld door de taliban. Hij heeft me zijn littekens laten zien en vertelde me alles over de vreselijke dingen die hem zijn aangedaan tijdens zijn detentie. Omdat hij was opgeleid door het Amerikaanse leger in Kabul spreekt hij vloeiend Engels. Toen we bij de asielprocedurebegeleiding om psychologische hulp voor Ajmal vroegen, werden we naar een centrum voor geestelijke gezondheidszorg voor vluchtelingen doorgestuurd, waar ze psychotherapie en begeleiding geven aan getraumatiseerde slachtoffers van oorlog, slachtoffers van seksueel geweld en slachtoffers van foltering.

Gezinnen hebben in de centra meestal recht op een eigen kamer, maar tijdens mijn tijd daar deelden meerdere families vaak een kamer omdat het huis overbelast was. Er is geen privacy en de bewakers komen zo vaak als ze willen de kamers binnen om inspecties uit te voeren, zonder te kloppen.

Elke van de vijf verdiepingen van het gebouw heeft twee grote badkamers met meerdere toiletten, die niet volledig afgesloten kunnen worden. In elke slaapkamer zijn vijf kasten die door vier mensen worden gedeeld. Bij mij zijn een broek, twee onderbroeken en een woordenboek gestolen. Omdat er geen stopcontacten in onze kamers zijn, moeten we onze mobiele telefoons in de badkamer opladen en daar wachten terwijl ze laden. Het stinkt er soms behoorlijk, maar dat is beter dan dat iemand je telefoon steelt als je er niet bij blijft. De gemeenschappelijke douches bevinden zich in een kamer op de begane grond, die een paar uur per dag geopend is. Het water is vaak koud.

Ik weet dat ik niet mag klagen over de slechte leefomstandigheden in het huis, want het was goed genoeg om te weten dat ik veilig was en dat ik leefde. Maar ondanks dat zag ik vaak dingen gebeuren die niet thuishoren in een beschaafde maatschappij. Malika uit Tsjetsjenië bracht bijvoorbeeld samen met haar moeder al haar tijd door in de wasruimte, om daar wat geld te verdienen in afwachting van de uitslag van hun asielaanvraag. Ik denk dat ze twaalf was, maar ik weet het niet zeker. Omdat Tsjetsjenië geen oorlogsgebied meer is, kreeg hun aanvraag geen prioriteit. Ik heb gehoord dat ze na zes maanden in het centrum teruggestuurd werd naar haar thuisland. Dat ze geld kregen voor het wassen weet ik van haar broer. Hij gebaarde me dat ze het daarvoor doen.

Aldus het management: “Voor sociale diensten (lichte werkzaamheden) in het centrum worden over het algemeen alleen volwassen bewoners gevraagd, die fit genoeg lijken om de klussen uit te voeren en zich vrijwillig hebben aangemeld. Het kan zijn dat iemand meldt dat zij een kind aan het werk hebben gezien (bijvoorbeeld in de wasruimte), maar dat gaat dan om kinderen die hun vader of moeder alleen maar willen helpen.” 

Toen ik een keer op mijn was stond te wachten leerde ik de 53-jarige Abu Saleem, zijn vrouw en zijn twee kinderen kennen. Ze kwamen uit Aleppo in Syrië en zijn via Egypte met 170 andere vluchtelingen (waarvan veertig kinderen) in zes dagen op een kleine boot zonder dak naar Italië gevaren. “Op de laatste dag raakte de benzine op. Op het moment dat mijn driejarige zoon en mijn vijfjarige dochter om eten huilden, zag ik in de verte een groot vrachtschip naderen. Het was een wonder. Gelukkig hebben ze ons in Italiaanse wateren gevonden. Het vrachtschip heeft ons aan land getrokken en redde daarmee ons leven.” Vanuit Italië namen ze de trein naar Duitsland. De constante luchtaanvallen en bloederige gevechten in Aleppo dwongen Abu Saleem en veel andere families naar Europa te vluchten, waar ze hopen op een beter leven voor hun kinderen.

Met een dergelijk lot in het achterhoofd lijkt het triviaal om te klagen over slechte voeding in het centrum, of gebreken aan de voorzieningen. Maar een vriend vertelde me over een groep vluchtelingen die na maanden van slechte voeding en talloze gevallen van voedselvergiftiging bij een mensenrechtenorganisatie hadden geklaagd. De organisatie adviseerde hen om te demonstreren. De ochtend na hun protest kregen ze geen eitje meer bij het ontbijt. De volgende dag protesteerden ze weer, waarna de porties nog kleiner werden.

Blijkbaar heeft de directie van het huis besloten in het voedsel te snijden nadat bewoners geklaagd hadden dat het te weinig en te slecht was. “De voedselvoorziening wordt niet verminderd als mensen klagen!” schrijft de leiding nadat we de beschuldigingen bij hen hadden neergelegd. “Als ze daarom vragen, krijgen asielzoekers zoveel porties als ze maar willen.” Onze vriend zei echter dat tweede porties niet verstrekt worden. Brood krijg je zoveel je wilt, maar geen tweede portie. Op deze video kun je zien hoe de keukenhulp zijn verzoek om een tweede portie afwijst. 

Ik at vaak samen met Jameel, een 37-jarige hoogleraar van de universiteit in Afghanistan. We oefenden vaak samen ons Duits. Nadat hij in München zijn masterdiploma had gehaald, besloot hij asiel aan te vragen en werd hij hier in huis geplaatst. Op een dag kwam er op straat een man op hem af die hem een elleboogstoot in zijn maag gaf en hem in zijn gezicht spuugde. Jameel zegt dat de man racistische opmerkingen maakte en zei dat hij terug moest naar waar hij vandaan kwam. Toen ik hem vroeg waarom hij de politie niet had gebeld, zei hij: "Heb ik als vluchteling daar überhaupt recht op?" 

Omdat er verschillende ploegendiensten in de keuken en bij het hek zijn, staan er altijd weer andere mensen. Sommige mensen die bij het centrum werken zijn heel onbeleefd en onaardig, maar er zitten ook veel leuke tussen. Sommigen verbeterden mijn Duits en begroetten me als ik ze tegenkwam op de gang. Anderen schreeuwen al als je om een boterham vraagt. Als ze bij willekeurige kamerzoekingen eten in de kamers vinden zeggen sommigen niets, terwijl anderen tegen je schreeuwen en het eten in beslag nemen. We durfden geen eigen eten te kopen.

Als je het huis wil verlaten kan je niet langer dan 24 uur wegblijven. Voor je vertrekt moet je eerst je ‘huiskaart’ bij het beveiligingskantoor afgeven en daarna worden je laden doorzocht en moet je door een metaaldetector. We mochten niet verder dan dertig kilometer van het huis weg. Bij terugkomst wacht je dezelfde procedure, en als ze op de kaart aflezen dat je langer dan 24 uur weggebleven bent, moet je een boete betalen en riskeer je dat je asielaanvraag wordt afgewezen. Ik had een aanvraag ingediend om een weekend lang een vriend in Berlijn te bezoeken, maar die werd afgewezen​.

Bij het wachten op een besluit over onze asielaanvragen – ver van oorlog en geweld, met het vooruitzicht op een vreedzaam en beschaafd leven in Duitsland – laten sommige van ons alles behalve een goede indruk achter. Op een nacht werd ik wakker van hard geschreeuw in de gang. Na een hoop alcohol was een groep Kosovaren zonder reden twee Serviërs aan te lijf gegaan. Eén had een gebroken neus, de ander brak zijn arm. Als we niet tussenbeide waren gekomen, was het zeker veel slechter afgelopen. Zameer, 23, en Ismet, 21 waren het gevecht begonnen. Ze waren drie maanden daarvoor naar Duitsland gekomen nadat hen in Denemarken asiel geweigerd was. Als ze niet in hun kamer zaten te kaarten, waren ze in het casino aan het gokken of goten ze zich helemaal vol.

De maandelijkse toelage van €137 is natuurlijk niet genoeg om elke avond te drinken en te gokken. Zameer liet me een foto zien waarop hij een Duitse vrouw kust die hij in een bar had ontmoet. Hij vertelde me in gebroken Engels: “I make girl love me, make baby, marriage, passport”, waar Ismet aan toevoegde: “I am also find friend.” Daarna gaven ze elkaar een high five. 

Toen we op een avond een verhitte discussie bij een talkshow op Al Jazeera (Al Ittijah al mu'akis) keken, brak een ander geschil uit tussen een Palestijn en een Irakees. De Irakees had commentaar op de show en zei: “Palestijnen zijn verraders. Ze hebben hun huizen net zo lang verkocht aan Joodse immigranten totdat ze van de kaart werden geveegd. En nu beweren ze dat Arabieren geen sterke houding hebben ten opzichte van Israël.” De Palestijn voelde zich aangesproken en zei: “wij zijn uit ons land verdreven. Wij zijn geen vrijwillige vluchtelingen. Als jij zo’n patriottische Arabier bent, waarom ben je dan uit Irak vertrokken? Jij bent dus net zo goed een verrader als ik.” Een gênant slappe discussie, die het aanhoren niet waard was.

Natuurlijk zijn er ook andere vluchtelingen met veel betere bedoelingen, zoals de mensen die hun best doen om snel weer een beroep uit te kunnen oefenen. De 21-jarige ambitieuze Koerdische Syriër Foad bijvoorbeeld. Hij studeert medicijnen en wil graag hartchirurg worden. Hij vluchtte uit de Syrische stad Qamishli nadat zijn huis was verwoest. Hij brengt zijn tijd door met studeren op zijn woordenschat van lichaamsdelen, uit een boek dat hij heeft meegebracht uit Syrië. “Mijn verstandskiezen komen door en dat doet veel pijn. Ik heb gevraagd of ik ze kan laten trekken, of op zijn minst wat pijnstillers kan krijgen. Ze hebben gezegd dat ik moet wachten tot ik een permanente verblijfsvergunning krijg – dat kan nog drie maanden duren. Zie je de ironie: ik wil niets liever dan mensen genezen, maar nu moet ik mensen smeken om mij te genezen, en krijg ik Panadol Extra.”

Iedereen hier is dankbaar om in Duitsland te zijn. Maar dat wij zonder stempel in ons paspoort in dit land aangekomen zijn, maakt ons niet minder menselijk dan anderen. De meesten van ons zijn hier niet vrijwillig naartoe gekomen. We moesten vluchten voor oorlog en geweld in onze landen.

Veel vluchtelingen waren er getuige van hoe hun familieleden werden gedood, zijn seksueel misbruikt of hebben hun huis verloren. Aan de andere kant zijn er ook gevluchte criminelen en oplichters die een ingang in deze samenleving proberen te krijgen. Dat maakt het voor de Duitsers moeilijk om de echte van de slechte asielaanvragen te scheiden – vooral wanneer veel vluchtelingen het land binnenkomen zonder identiteitsbewijs en hun achtergrond alleen met hun verhalen kunnen proberen te bewijzen.

Een ruimte delen met iemand die de martelingen van de taliban heeft overleefd en, voor zover ik weet, net zo goed zelf iemand kan hebben gemarteld, is zeker eng. Maar doordat ik enkele weken met hem en mijn andere achttien kamergenoten heb doorgebracht, hebben we ondanks onze verschillende achtergronden een relatie opgebouwd. Het was een waardevolle ervaring voor me, omdat ik de hoop van de anderen heb ervaren. Als ik depressief of gefrustreerd was door mijn situatie, was er altijd wel iemand die me heeft aangemoedigd. Als zelfs iemand die zijn familie heeft verloren in de oorlog kan glimlachen, heb ik geen reden om te klagen.