FYI.

This story is over 5 years old.

reizen

De regenwouden van Suriname gaan kapot aan goudkoorts

Een verhaal over hoe de regenwouden van Suriname kapot gaan aan goudkoorts. Er wordt lustig gegraven maar de mijnwerkers worden er niet rijker van.
25 juli 2012, 2:35pm

Het goudkamp Krikie Nigi vertegenwoordigt het Platonische ideaal van verwoesting van de natuur. Vanuit ons autoraam zien we modderpoelen, kraters gevuld met besmet water van buitenboordmotoren en enkele afgebrande bomen. Ploegen met de hand werkende mijnlieden zwermen over de wrakstukken, op zoek naar goudstof. Elke spatje modder aan de oppervlakte is opgegraven en doorgezift. Tieners nemen met verroeste graafmachines happen uit de aarde, als geflipte landschapsarchitecten die de hel op aarde proberen te creëren.

Dit was ooit een ongerept regenwoud, maar nu is het het laatste slachtoffer van de goudkoorts die Suriname verandert in een magneet voor gelukszoekers vanuit de hele wereld. Naar schatting zijn er 20.000 kleinschalige mijnwerkers in Suriname. Deze goudzoekers worden ondersteund door een legioen aan winkeleigenaren, koks en chauffeurs. De goudindustrie van het land produceert grofweg 16,5 ton aan goud per jaar, terwijl het water vergiftigd wordt en er ontelbare hectaren regenwoud worden vernietigd. We zijn naar Suriname gegaan om deze plundering met onze eigen ogen te bekijken, en erachter te komen of er iemand echt rijk wordt van deze explosieve groei.

Als we het kamp inrijden zien we een mokkakleurige vrouw de landweg afslenteren. Ze draagt een blauwe parasol in een hand en een sigaartje in de andere. Gilbert, onze gids en zelf ook mijnwerker, groet haar in het Portugees vanuit de auto. Ook dat is Suriname. Ze hebben binnenkort misschien geen natuur meer, maar daar krijgen ze dan wel mooi Braziliaanse prostituees voor terug.

Eerst wat geschiedenis. Nederland heeft na een halve eeuw strijd met de Britten in de 17e eeuw de controle over Suriname gewonnen. Onder Nederland werd Suriname een plantagestaat voor koffie, cacao en andere goederen die de Europeanen toentertijd belangrijker achtten dan een bagatel als menselijke waardigheid. De plantagebazen hebben de kolonie in die tijd bemand met arbeiders vanuit de hele wereld. Vandaar dat de bevolking van Suriname (560.000) zo divers is: de meeste volkeren zijn afstammelingen van een combinatie van slaven uit het westen van Afrika, Noord-Indiase arbeiders en Javaanse en Chinese koelies.

Onder Nederland is de goudindustrie in Suriname altijd klein gebleven. De sector kreeg een dipje toen het land naar onafhankelijkheid vorste in de jaren ’60 en ’70, tot Suriname deze kreeg in 1975. In de jaren ’80 en ’90 bloeide de goudhandel weer op, wat te danken was aan de armoede op het platteland. Die werd veroorzaakt door een achtjarige burgeroorlog en een toestroom van Braziliaanse goudmijnwerkers die lak hadden aan landsgrenzen. Na 9/11 zorgde de paniek in de wereld voor een enorme toename van de vraag naar goud. Prijzen schoten omhoog en een nieuwe lichting van kleinschalige mijnwerkers ging de bossen in om zich een weg naar een betere toekomst te graven.

We stappen de auto uit en zien dit aapje, dat zijn dagen vastgeketend aan een mini-afdakje slijt. Vergeleken met de hutten waar de mijnwerkers in wonen is het onderdak van het aapje stevig gebouwd, wat toch bewijst dat iemand van het kleine mannetje houdt. Wanneer we dichterbij komen maakt het aapje een knuffelgebaar.

“Aai hem,” zegt een langslopende mijnwerker. “Dat vindt hij leuk!”

We weigeren.

Krikie Nigi’s ‘Chinese Store’, die alles van ontbijtgranen tot benzine verkoopt, is nog steviger gebouwd dan het apekooitje. De muren zijn gemaakt van rood aluminium. Tralies bedekken de ramen en er hangt een industrieel slot aan de deur van traliewerk.

Zo’n beetje elk goudkamp in Suriname heeft een Chinese winkel, en alle winkels zijn op dezelfde manier versterkt. Als alles misgaat sluiten ze zich in. De eigenaars van de winkels zijn recente immigranten, die bekend staan als ‘echte Chinezen’. Echte Chinezen zijn anders dan de Chinese Surinamers, wier voorouders zich hier in de 19e eeuw hebben gevestigd.

Echte Chinezen wekken vijandigheid omdat ze de ondernemers zijn die verantwoordelijk zijn voor de winstgevende bevoorradingsketen die de Surinaamse mijnwerkers voedt en aan het werk houdt. We hebben deze Chinezen overal gezien, zelfs in de meest afgelegen goudkampen. Eén nacht zagen we in het maanlicht een plofboot uit de jaren ’50 aanmeren op het enige punt waar de mijnwerkers toegang hebben tot het Gunsi-goudkamp. Zonder een woord te wisselen overhandigde de Chinese kapitein drie vaten brandstof aan een Amerindiaanse concessiemanager, om daarna weer weg te varen (om waarschijnlijk zijn volgende lading af te leveren).

Krikie Nigi’s Chinese winkel accepteert geld, en daarmee is-ie anders dan veel andere winkels, die alleen maar goud accepteren. Afhankelijk van hoe ver je van de beschaving bent verwijderd kan een blikje cola tussen de 1 tot 5 decigram aan goud kosten (tussen de 5 en 25 dollar), en in een land waar slechts een paar asfaltwegen zijn ben je nogal snel verwijderd van de beschaving. Maar Krikie Nigi is twee uurtjes rijden naar Paramaribo, wat het een aantrekkelijke locatie maakt voor parttime werkers die hun frisdrank liever met Surinaamse dollars betalen.

Aan de rand van het kamp komen we de veertigplusser Jos en zijn vijftien jaar oude stiefzoon Cedric tegen. Cedric en Jos zijn van Marronse komaf, wat betekent dat hun voorvaderen weggelopen slaven waren die een nieuwe gemeenschap in het regenwoud zijn begonnen. Veel mijnwerk wordt op land gedaan dat informeel eigendom is van de Marrons (de waarheid van deze beweringen is discutabel) en er wordt van de mijnwerkers verwacht dat ze 10% van hun goud afstaan aan de Marronse families die hun mijntjes hebben goedgekeurd. Cedric en Jos krijgen een gratis ritje omdat dit gedeelte van Krigie Nigi eigendom is van Jos’ familie.

Cedric en Jos wonen in Paramaribo maar runnen in hun vakantie een kleinschalige mijn. Het is bijna schattig om ze samen te zien werken: terwijl Jos zijn blote handen gebruikt om kwik op de goudzeef te smeren, duikt Cedric in de besmette waterput om de zuigpomp bij te stellen. Geen van beiden is ervan overtuigd dat ze er dit keer rijk uit komen, maar ze zijn optimistisch genoeg om in ieder geval genoeg goud te vinden, zodat ze de reiskosten en apparatuur kunnen betalen. Ze zouden natuurlijk wel mazzel kunnen hebben, want Jos hoorde dat iemand vorige week 100 gram had gevonden, hier, in Krikie Nigi.

Het zakenmodel van de mijnwerker (graaf een gat, hoop op het beste) is misschien niet zo goed uitgedacht als het Chinese equivalent (bedenk wat mensen nodig hebben, vraag er veel voor), maar het heeft wel een bepaalde alles-of-niets-charme. En in een land als Suriname, waar grofweg 60% van de bevolking onder de armoedegrens leeft, is elke kans om rijk te worden—hoe klein ook—te aantrekkelijk om af te wijzen.

Op de weg terug naar de beschaving stoppen we bij een Chinees restaurant. Wanneer we onze te dure rijst eten bekijken de eigenaren ons bezorgd aan vanuit hun metalen kooi. Een paar goed gevulde Braziliaanse prostituees zit aan een tafeltje naast ons. Een van hen knuffelt een gigantische roze knuffelbeer, een cadeau van een klant. Ze vragen iedereen die binnenkomt of ze een ritje naar het volgende kamp mogen meeliften. Ze horen dat ze daar geld kunnen verdienen.

Tekst en foto’s door Eline Jongsma en Kel O’Neill.

Eline Jongsma en Kel O’Neill zijn de regisseurs van Empire, een documentaireserie over de onbedoelde consequenties van het Nederlandse kolonialisme. Volg hun trip over de wereld op sinisterhumanists.tumblr.com en bekijk hier de trailer voor hun film over Suriname.