Tech by VICE

Alles is innovatief als je het verleden negeert

In Silicon Valley wordt de toekomst geschapen, maar ingenieurs geven weinig om het verleden. Zijn ze bang voor wat ze daar zullen aantreffen?

door Aaron Gordon
11 maart 2020, 9:35am

Illustratie door Elijah Anderson

Anthony Levandowski is een slimme man, die veel domme dingen heeft gezegd en gedaan. Hij was ooit een briljante jonge ingenieur en een pionier op het gebied van zelfrijdende auto’s. Daarover werd toen gedacht dat die ongelooflijk belangrijk zouden worden. Halverwege de jaren nul hielp hij een zelfbalancerende motor te bouwen, die zichzelf kon besturen – althans, dat was de bedoeling. Hij werkte ook bijna tien jaar voor Google, waar hij aan Street View werkte en onderdeel uitmaakte van het team dat met zelfrijdende auto’s bezig was.

Zijn leidinggevenden hebben in verschillende bladen allemaal gezegd hoe briljant hij is. Ken Goldberg, zijn adviseur op Berkeley, zei over Levandowski bijvoorbeeld: “Anthony is waarschijnlijk de creatiefste student die ik in twintig jaar ben tegengekomen.”

Levandowski heeft wel een paar dubieuze dingen gedaan. Zo maakte hij bijvoorbeeld gebruik van experimentele software op de openbare weg, waardoor mensen gevaar liepen en hij een collega verwondde. Het ongeluk, en alle andere grenzen die hij heeft overschreden, was voor hem gewoon een “onschatbare bron van data” in zijn zoektocht om de wereld te veranderen en daar tegelijkertijd veel geld mee te verdienen.

Zijn creativiteit was ook terug te zien in zijn financiën. Toen hij bij Google werkte, maakte hij gebruik van licenties en producten van bedrijven waarvan hij zelf ook de eigenaar was – een soort financieel gesjoemel dat eerder bij iemand uit Trumps kabinet past dan bij een Google-ingenieur. Hij richtte Otto op, een bedrijf voor zelfrijdende vrachtwagens, dat hij voor 680 miljoen dollar aan Uber verkocht – ook al was Otto nog niet eens een jaar oud en had hij nog maar net ontslag genomen bij Google. Waymo, een dochterbedrijf voor zelfrijdende auto’s van Googles moederbedrijf Alphabet, klaagde Uber en Otto aan wegens het stelen van bedrijfsgeheimen. Er werd in 2018 een schikking getroffen. In augustus 2019 werd Levandowski door de Amerikaanse federale overheid aangeklaagd voor die vermeende diefstal. (Hij beweert dat hij onschuldig is en zegt dat hij niets fout heeft gedaan. De rechtszaak moet nog beginnen.)

Levandowski staat symbool voor de hoogmoed van Silicon Valley. In 2018 werd hij in The New Yorker omschreven als “een schoolvoorbeeld van de ethiek in Silicon Valley” – geen compliment.

Er werd in het stuk verwezen naar zijn vermeende misdrijf en financiële trucs, waarmee hij ongelooflijk rijk is geworden. Zijn dubbele agenda werd door zijn leidinggevenden steeds door de vingers gezien en beschouwd als een betreurenswaardig neveneffect van zijn wereldveranderende intelligentie. Levandowski was gewoon een moeilijke man in een wereld vol moeilijke mannen.

Maar dat is niet de enige, of zelfs belangrijkste reden dat Levandowski symbool staat voor de industrie die hem rijk heeft gemaakt. Hij is ook het gezicht van de zwakheden van de tech-industrie, vanwege zijn obsessie met de toekomst en minachting voor het verleden – wat vaker voorkomt in Silicon Valley. En als het verleden niet relevant is, is alles innovatief.

Levandowski doet niets halfslachtig. In 2015 richtte hij een kerk op, die hij Way of the Future noemde, oftewel WOTF. WOTF aanbidt een goddelijk AI-wezen dat “the Godhead” wordt genoemd. In 2017 vertelde Levandowski aan Wired dat het idee is dat de mensheid dadelijk niet meer de slimste soort is, maar een soort huisdier van onze AI-overheersers. En die overgang wil WOTF op een positieve manier makkelijker maken.

“We geloven in vooruitgang,” staat op de officiële website van WOTF. De kerk wil aan de goede kant van “the Godhead” staan, als de technologie de wereld overneemt. “Verandering is goed, ook al is het soms een beetje eng.”

Ongeveer een jaar nadat Levandowski met Wired sprak, werd er in The New Yorker weer een lang stuk gepubliceerd over hem, zijn escapades bij Google en Uber en de daaropvolgende rechtszaak. Levandowski vertelde aan schrijver Charles Duhigg dat de toekomst het enige is dat telt, en dat hij niet veel om geschiedenis geeft.

“Het enige dat ertoe doet is de toekomst,” zei Levandowski tegen me nadat de rechtszaak was geschikt. “Ik weet eigenlijk niet waarom we de geschiedenis bestuderen. Het is wel vermakelijk, met de dinosaurussen, de Neanderthalers en de Industriële Revolutie en zo, maar wat al is gebeurd, doet er eigenlijk niet toe. Je hoeft die geschiedenis niet te kennen om voort te bouwen op wat zij maakten. In de technologie is morgen het enige dat telt.”


Levandowski zegt het misschien op een directere manier dan anderen, maar hij is lang niet de enige met de overtuiging dat het verleden irrelevant is voor mensen die geobsedeerd zijn met de toekomst.

“Tech is er historisch gezien niet in geïnteresseerd geweest om achterom te kijken,” zegt Margaret O’Mara, professor Geschiedenis aan de Universiteit van Washington en auteur van The Code: Silicon Valley and the Remaking of America, een geschiedenis van Silicon Valley. En als techbedrijven wel naar geschiedenis kijken, lijkt het volgens haar eerder op mythologie. Kijk maar naar ‘Het Verhaal over de Twee Steves van Apple in een Garage’. Over de rest van de geschiedenis, de dingen die niet te mythologiseren zijn, vraagt O’Mara zichzelf in de inleiding van haar boek retorisch af: “Waarom zou je je druk maken over geschiedenis als je de toekomst aan het bouwen bent?”

Het vooroordeel over geschiedenis is niet gewoon een merkwaardige gril van een groepje mensen dat de moderne wereld drastisch heeft vormgegeven; het is een basisprincipe. Net als de kerk van Levandowski is het de basis van een geloofssysteem.

Maar O’Mara beweert dat dit altaar van de vooruitgang een vertekening is van wat Silicon Valley echt heeft gemaakt tot wat het nu is. “Als je daadwerkelijk geschiedenis bestudeert, zie je dat alles heel snel heel rommelig wordt,” zegt O’Mara. En dat geldt ook zeker voor de geschiedenis van de tech-industrie.

De vijandigheid tegenover het verleden is diepgeworteld in de internetcultuur. In 1996 schreef John Perry Barlow, tekstschrijver voor The Grateful Dead en vroege internet-evangelist, ‘A Declaration of Independance of Cyberspace’. De tweede zin daarin is: “Namens de toekomst vraag ik u uit het verleden om ons met rust te laten. U bent niet welkom onder ons. U heeft geen soevereiniteit waar wij samenkomen.” De digitale tijd heeft de lei schoongeveegd en de weg vrijgemaakt voor dit soort onwetende, techno-utopische verhalen.

Of het nou opzettelijk is of niet, er wordt een mythe in stand gehouden dat de tech-industrie zonder hulp van anderen uit de briljante breinen van een paar uitverkoren mensen is ontstaan. En dat werd op z’n beurt een rechtvaardiging voor het feit dat de overheid zich zo min mogelijk bemoeide met de onafhankelijke geest en de economische structuur die het internet zo fantastisch maakten. Jammer dat dit narratief niet waar is.

Geschiedenis vertelt ons een hoop wat we niet willen horen. Het haalt de vooruitgangsmythe onderuit: het idee dat alles alleen maar beter wordt, zelfs als het voelt dat dingen alleen maar erger worden.

Er werkten inderdaad veel briljante geesten in de tech-wereld, maar zij hadden ongelooflijk veel hulp van de Amerikaanse overheid. O’Mara zet alles gedetailleerd uiteen in haar boek. Ongeveer 70 procent van het geld dat van de jaren zeventig tot 1999 werd besteed aan wetenschappelijk onderzoek naar informatica en elektrotechniek kwam uit overheidssubsidies. De vruchten van dat onderzoek hebben geleid tot een paar van de grootste en invloedrijkste technologiebedrijven van die tijd. Sterker nog, het daadwerkelijke internet, dat toen ARPANET heette, is vernoemd naar Advanced Research Projects Agency (ARPA), een overheidsinstantie die er ongeveer een miljoen dollar subsidie in stopte. En vanaf 1994 gaven de National Science Foundation, NASA en DARPA (de opvolger van ARPA, die zich op defensieprojecten richt) 24 miljoen dollar aan zes informatica-departementen om de beste manier te vinden om het internet te indexeren en er dingen op te zoeken. Twee studenten van Stanford, Sergey Brin en Larry Page, hebben ongelooflijk veel geprofiteerd van dit programma, omdat het volgens O’Mara “veel van het werk van Brin en Page ondersteunde.” Dat werk werd uiteindelijk Google. Als DARPA een durfkapitaalfonds was geweest, was het een van de succesvolste in de geschiedenis geweest.

Als de technologische industrie over zijn oorsprong praat, wordt deze belangrijke context ofwel gebagatelliseerd of volledig vermeden. Steve Jobs, een van de grootste verhalenvertellers van de moderne tijd, ontkende de rol van de overheid bij het ontstaan van veel techbedrijven, toen hij in de jaren tachtig een publiciteitstour deed voor zijn bedrijf en andere. Maar Jobs was niet immuun voor de aantrekkingskracht van de overheid. Hij bracht eens twee weken in de gangen van het Amerikaanse Congres door, om bij de overheid te lobbyen voor belastingvoordelen voor computers die hij aan scholen zou schenken. In Washington mislukte dat, maar het lukte wel in Californië – waardoor duizenden kinderen zijn producten voor hun neus kregen, voor een schijntje van wat dat normaal had gekost.

O’Mara merkt op dat het een geweldige bedrijfsstrategie kan zijn om je eigen geschiedenis te negeren of geheel te herschrijven. “Dat zagen we in Amerika vaak in het midden van de twintigste eeuw,” zegt ze. Bedrijven omarmden het verhaal “dat ze naar de toekomst toe marcheerden.” De mensen aan de top van bedrijven realiseerden zich dat het een geweldig pr-spel is met investeerders, politici en de algemene bevolking om het te hebben over vooruitgang en mogelijkheden. Ineens draaide het erom “de wereld meer open en verbonden te maken” en werden inconsistente feiten opzij geschoven. Geschiedenis werd gewoon een andere marketingstrategie – soms letterlijk. In de jaren tachtig had Apple een reclamecampagne waarin acteurs verkleed als Benjamin Franklin, Thomas Jefferson, Thomas Edison en de gebroeders Wright Apple II’s vasthielden. Een van de slogans luidde: “Laat de geschiedenis niet aan je voorbijgaan.”

Het is voor innovatieve plekken normaal om geschiedenis als min of meer waardeloos te beschouwen. Gezien de interesses van Levandowski is het daarom ook erg ironisch dat de voorganger van Silicon Valley de auto-industrie is. Voor de Wereldtentoonstelling van 1939 organiseerde General Motors een expositie, Futurama. Daarin werd twintig jaar de toekomst in gekeken en waren er enorme, geautomatiseerde, filevrije snelwegen te zien. En toen de Wereldtentoonstelling in 1964 terugkeerde in New York, organiseerde GM opnieuw een vergelijkbare expositie over geautomatiseerde snelwegen.

Het was een goed verhaal, en goed voor de zaken ook. In 1953 werd Charles Wilson, de president en CEO van GM, door president Eisenhower tot minister van Defensie benoemd. Hij hield onder andere toezicht op de bouw van een federaal snelwegsysteem van ongeveer 100 miljard dollar, dat honderd procent door de overheid gefinancierd werd. Door dit systeem werd de auto een noodzakelijkheid voor bijna alle Amerikaanse gezinnen.

Maar het ging niet alleen over zaken. Charles Kettering, een ingenieur van GM en misschien wel de grootste Amerikaanse uitvinder sinds Thomas Edison, was erg gevoelig voor uitspraken over de irrelevantie van geschiedenis. “Je komt nooit ergens als je in je achteruitspiegel kijkt,” zei hij eens. De toekomst was volgens hem het enige wat ertoe deed, omdat “we de rest van ons leven daar zullen moeten doorbrengen.”

Ketterings houding was niet alleen representatief voor de auto-industrie van die tijd, maar ook voor het Amerikaanse bedrijfsleven in bredere zin, dat onwrikbaar geloofde in Amerikaanse dominantie en vooruitgang. Dat zegt Lee Vinsel, geschiedenisprofessor aan Virginia Tech. Vinsel wijst erop dat een van de beruchtste citaten over geschiedenis afkomstig is van de Amerikaanse autogigant Henry Ford. In een omstreden interview uit 1916 met de oorlogshongerige Chicago Tribune over de vraag of de Verenigde Staten zich met de Eerste Wereldoorlog zou moeten bemoeien, zegt de fervente isolationist Ford: “History is more or less bunk.” Die opmerking bleef drie jaar vrijwel onopgemerkt. (Deze en andere details komen uit een wetenschappelijk artikel van Roger Butterfield uit 1965, waarin hij de geschiedenis van het citaat onderzoekt.)

Later dat jaar klaagde Ford de Chicago Tribune aan wegens smaad. Hij eiste 1 miljoen dollar, omdat de krant hem een “anarchist” en een “onwetende idealist” had genoemd. De zaak kwam in 1919 voor de rechter, die besloot dat het niet om de vraag ging of Ford een anarchist was, maar of hij onwetend was. Ford zat acht dagen in de getuigenbank, terwijl de advocaten van de Tribune vragen op hem afvuurden in een poging te bewijzen dat Ford een onwetende man was. De pers smulde van hun uitwisseling. En door een bepaalde uitwisseling werd precies duidelijk hoeveel minachting Ford voor geschiedenis had.

Ford won de zaak nipt. De jury kende hem 6 cent schadevergoeding toe. Kort daarop schreef hij aan zijn secretaris Ernest Liebold dat hij een museum zou beginnen “om mensen een waarheidsgetrouw beeld te geven van de ontwikkeling van het land.” Hij zwoer om objecten te verzamelen en te bewaren in dienst van deze missie, omdat de enige geschiedenis die volgens hem het bekijken waard was, “de geschiedenis is die je zelf kunt bewaren.”

“We gaan een museum bouwen dat de industriële geschiedenis zal tonen,” schreef Ford aan Liebold. “En het zal geen bunk [nonsens] zijn.”

En dat was het niet. Het Henry Ford Museum en Greenfield Village-complex in Dearborn in de Amerikaanse staat Michigan is een van de grootste collecties Amerikaanse historische objecten. De man die verantwoordelijk is voor een van de beroemdste anti-geschiedeniscitaten in de Engelse taal, gaf uiteindelijk erg veel om geschiedenis.

Dat gebeurt wel vaker. We worden ouder en realiseren ons dat we misschien wel de rest van ons leven in de toekomst leven, zoals Kettering zei, maar dat we ook veel van onze tijd in het verleden doorbrengen. Naarmate we ouder worden, verandert de verhouding. Steeds grotere stukken van ons worden geschiedenis. En op een dag zijn we het helemaal. Het verleden lijkt niet langer een abstract, irrelevant verhaal, maar iets wat ons – en de mensen om ons heen – overkomt. Het is iets wat we hebben gemaakt, iets wat we hebben gedaan.

Dat is ook deels de reden waarom O’Mara denkt dat we aan het begin staan van een verschuiving waarin Silicon Valley zich meer om geschiedenis zal gaan bekommeren. Ze wordt in de hele Valley uitgenodigd om over haar boek te komen praten, voor mensen van alle leeftijden. De industrie is nu volwassen genoeg dat sommige delen ervan zelf alweer geschiedenis zijn geworden.

Het is niet alleen nostalgie – of in minder lovende woorden: een andere vorm van hoogmoed – wat geschiedenis zo belangrijk maakt. Zelfs historici zijn het er niet over eens waarom geschiedenis ertoe doet. Sommigen benadrukken dat de cyclische aard van geschiedenis – “de geschiedenis herhaalt zich niet maar ze rijmt wel” – belangrijk is. Daar kunnen we van leren, zodat we de fouten uit het verleden niet herhalen.

Daar zit iets in, maar dat is niet de belangrijkste reden dat geschiedenis relevant is. Als je je erin verdiept, kan dat haast spiritueel zijn – een soort therapie. Het is vreemd genoeg geruststellend om over vroeger te leren; tijden waarin mensen dachten dat ze ongekende omstandigheden ervoeren, tijden waarin ze bang waren omdat hun samenleving zich op een bepaalde manier had ontwikkeld, of ze alle controle over de gebeurtenissen hadden verloren. Tegenwoordig mag dan misschien alles anders zijn, toch verschilt het niet zoveel met hoe het was.

Geschiedenis vertelt ons veel dingen die we niet willen horen. Het haalt de vooruitgangsmythe onderuit: het idee dat alles alleen maar beter wordt, zelfs als het voelt dat dingen alleen maar erger worden.

De drie geschiedkundigen met wie ik voor dit stuk heb gesproken, benadrukken dat geschiedenis onze illusies over zulke makkelijke “vooruitgangsverhalen” kapotmaken. In plaats daarvan geeft de geschiedenis een uitdagendere, maar eerlijkere kijk op de mensheid.

Patrick McCray, technologie- en wetenschapsgeschiedkundige aan de Universiteit van Californië Santa Barbara, vertelde me dat het verhaal van de mensheid niet rechtlijnig is. Er zijn meerdere sporen en splitsingen, toevalligheden en beginnetjes, vooruitgangen en achteruitgangen. Dat is een van de belangrijkste dingen die hij zijn studenten wil meegeven. Maar dat is niet altijd makkelijk, vooral niet in het geval wetenschaps- en technologiestudenten, omdat hun onderzoeksvelden volledig gebaseerd zijn op het vooruitgangsnarratief en het vinden van goede oplossingen voor moeilijke problemen. “Het is moeilijk om hen uit die mindset te halen, omdat ze er echt van overtuigd zijn dat de wetenschap zichzelf altijd verbetert en wij met z’n allen steeds meer weten,” zegt McCray.

Het is niet makkelijk. En als je erkent dat het vooruitgangsnarratief een mythe is, moet je ook meteen iets anders erkennen: dat wij, als samenleving, niet bijzonder speciaal zijn. Vinsel, de geschiedkundige van Virginia Tech, waarschuwt ons voor “digitaal exceptionalisme”. Dat is het idee dat alles anders is nu we met chips elektronen gecontroleerd kunnen laten bewegen.

Het is voor mensen moeilijk om dat te accepteren, vooral voor degenen die hun leven eraan gewijd hebben om die chips, of de software die ze gebruiken, te maken. “Alleen al op een psychologisch niveau willen mensen in een spannende tijd leven,” zegt Vinsel. “Studenten willen geloven dat ze deel uitmaken van een generatie die de wereld gaat veranderen met digitale technologie, of wat dan ook.”

En misschien belichaamt geen enkele persoon op de wereld het idee van digitaal exceptionalisme meer dan Levandowski. In een stuk van The New Yorker uit 2013 laat hij schrijver Burkhard Bilger zijn verzameling “vintage illustraties en journaalfragmenten” op zijn laptop zien, van alle mislukte pogingen uit het verleden om auto’s zelf te laten rijden. Levandowski is dan misschien wel geen geschiedenisstudent, maar hij is niet onwetend. Ook al brult hij nog zo hard, hij lijkt misschien wel meer op Henry Ford dan hij ons laat weten.

Als Vinsel zijn studenten over het belang van geschiedenis vertelt, verwijst hij altijd naar On Bullshit, het klassieke werk van Harry Frankfurt. Daarin betoogt de Amerikaanse filosoof dat bullshit niet zozeer over liegen gaat; het gaat er eerder over dat je geen zier geeft om de waarheid.

Bullshit draait erom dat je zegt wat je moet zeggen om gekozen te worden in een verkiezing, hype te creëren rondom je product, je durfkapitaalfinanciering rond te krijgen of dat felbegeerde overheidscontract te winnen.

“Ik denk dat je door de geschiedenis te bestuderen bullshit meteen opmerkt,” zegt Vinsel. Hij vermoedt dat technologiebedrijven, die ontzettend veel bullshit verspreiden, daarom ook zo’n fundamentele minachting hebben voor een eerlijke lezing van de geschiedenis. Misschien zijn bedrijven er wel bang voor dat ze ineens de bullshit in zichzelf herkennen. Het is immers volgens Vinsel zo dat “bullshit niet echt te innoveren is.”

“Wij hebben dit idee niet bedacht,” zei Levandowski eens over zelfrijdende auto’s. “We hebben gewoon geluk gehad dat de computers en sensoren klaar voor ons waren.” Hij gelooft wel dat het deze keer anders zal zijn, net als iedereen voor hem geloofde dat het in hun tijd anders was. Het is gewoon een gigantische domper als je iets anders te horen krijgt. En in veel opzichten is dat precies wat geschiedenis is.

Noot van de redactie: Nadat dit artikel was klaargemaakt voor publicatie, heeft Levandowski een faillissement aangevraagd, omdat hij van de rechter 179 miljoen dollar aan Google moet terugbetalen .

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op VICE US.

Tagged:
VICE Magazine
Technologie
geschiedenis
Anthony Levandowski
v27n1