FYI.

This story is over 5 years old.

Waarom clubben zo belangrijk was voor homo’s tijdens de aidscrisis

“Vaak was ik opgelucht als ik mensen tegenkwam op feestjes; ik was bang dat ze in de tussentijd waren gestorven.”

Vorige week (1 december) was het Wereld Aids Dag en VICE verkende in een aantal artikelen de status van HIV over de hele wereld.

Op de herdenkingsdienst voor Tom Savage, mijn partner die is overleden aan aids, zei ik dat deze ziekte was als een kiezel die in een emmer water werd gegooid, maar dan met omgekeerd effect: wat begon als een rimpeling die alleen een paar van mijn kennissen bereikte, kwam steeds dichter bij mij en mijn vrienden – tot het uiteindelijk, met de dood van Tom in mei 2001, de kern van mijn bestaan bereikte.

Advertentie

Mijn partner Tom (links) en ik op Fire Island in 1994

De eerste rimpel begon met iemand waarmee ik had gedate voordat ik New York in 1980 verliet om mijn journalistiekdiploma te halen in Missouri. Toen ik een jaar later terugkwam voor een bezoekje was hij 180 graden gedraaid en veranderd van een verlegen, stille jongen in een behoorlijk wild en breekbaar type. Hij was lid geworden van een populaire nieuwe en exclusieve gayclub in East Village, 'The Saint', en had het alleen nog maar daarover.

Toen de club in 1981 zijn deuren opende stond er een rij tot aan een paar straten verderop. Mannen dansten van zaterdagnacht tot zondagavond, en op Memorial Day haalden bussen de overgebleven feestvierders op en zetten ze ze af bij de veerpont naar Fire Island.

Het affiche dat nog voor de opening werd gebruikt om de club aan te kondigen, bleek op griezelige wijze een voorspellend toekomstbeeld: je ziet de heilige Sint-Sebastiaan met laserstralen die uit zijn ogen schieten, in plaats van met de pijlen waarmee hij vaak wordt afgebeeld. Toen aids zich net begon te verspreiden, werd het zelfs de 'Saint-ziekte' genoemd, naar de beruchte gayclub.

De rimpels begonnen dichterbij te komen in 1983, toen ik net begon met mijn carrière als journalist. Dat jaar was de piek van de aids-hysterie, en mensen waren bang om besmet te raken door van alles, van openbare toiletten tot muggen. Voor een van mijn eerste opdrachten als redacteur van een wekelijkse krant moest ik een benefietevenement voor aids in The Hamptons verslaan – een feest dat werd gegeven door de gepensioneerde New York Times-redacteur Craig Claiborne. Het geld ging naar Gay Men's Health Crisis (nu GMHC), de eerste hulporganisatie voor aids.

Advertentie

Dat benefietfeest zorgde voor de verandering van aids als gestigmatiseerde ziekte naar eentje die werd omarmd door de elitaire donateursklasse; hiervoor werden er alleen benefietfeestjes gehouden door homomannen zelf. De nieuwe invloed van financiële steun was een schrale troost, omdat informatie over de ziekte zo schaars was, en een geneesmiddel heel ver weg. Zelfs in de afwezigheid van wetenschappelijk bewijs hielden mensen zich vast aan een soort dieet waarvan ze hoopten dat het zou helpen. Voor een eerdere opdracht was ik aanwezig bij een meeting in New York's LGBT-centrum in Greenwich Village, waar de mannen die ik interviewde geloofden dat een macrobiotisch dieet de eerste symptomen van aids kon vertragen.

Een feest voor de Gay Men's Health Crisis in 1988

Als dit je nu vreemd in de oren klinkt, bedenk dan dat wetenschappers datzelfde jaar, 1983, pas het virus dat aids veroorzaakte ontdekten, en dat de overheid pas in het jaar ervoor de ziekte begon te volgen. De meeste dokters wisten minder dan de mensen uit het veld. De psychiater van het gezondheidscentrum op Fire Island Pines – de favoriete strandplek van veel homoseksuele zakenmannen uit Manhattan – vertelde me jaren later dat "er mensen binnenkwamen die alle medische dagboeken hadden gelezen – ze wisten er meer van dan ik".

New York bleef het middelpunt van de epidemie in deze bepalende jaren, maar Fire Island Pines was de gemeenschap waar het als eerste was en die het hardste toesloeg; daar kregen de mannen in 1980 de eerste symptomen van wat later bekend zou worden als aids.

Advertentie

Ik kwam zelf in 1985 voor het eerst op Fire Island Boulevard, en tegen die tijd had het eiland haar dieptepunt bereikt. Huizen waren er onbewoond omdat de eigenaren waren gestorven, hun huizen nagelaten tussen verre familie en levenspartners.

Maar op Fire Island en in New York gingen de feesten gewoon door. In 1985 was het nog steeds de bedoeling dat je niet voor drie uur 's nachts aankwam bij Pavilion, het centrum van het nachtleven op Pines. In het huis waar ik verbleef deden we het vereiste discodutje na het eten en werden we op tijd wakker om om half vier bij de Pavilion aan te komen. Als ik de boot terugnam naar het vasteland om twee uur 's middags op zondag, zag ik nog steeds mannen met bezweten lijven over het balkon hangen van Pavilion, terwijl de muziek door dreunde.

In 1986 ging ik weer naar Pines, nu als bewoner. Het jaar erna kwam ik mijn oude huisgenoot tegen en die vertelde me dat iemand waar hij mee naar bed was geweest vorige winter was gestorven. "Dat is de eerste persoon die ik persoonlijk kende die gestorven is aan aids," zei ik tegen hem.

Ik zal het verdriet dat ik hoorde in zijn stem nooit vergeten: "En het zal niet de laatste zijn."

Binnen drie jaar waren alle elf de mannen die samen dat huis deelden, op eentje na, dood.

Een feest op Fire Island

De rimpels kwamen dichter en dichter bij. De rest van het decennium werd een eindeloze waas van telefoongesprekken die begonnen met 'Heb je het al gehoord van die en die', ziekenhuisbezoeken, herdenkingen, en het uitzoeken van niet-bestaande testamenten van jongens die te jong waren geweest om er een op te stellen.

Advertentie

Zoals zo vaak gebeurt in moeilijke tijden werd er gezocht naar een uitweg of ontlading, in ieder geval voor een nacht of een weekend – en dat vonden we in de flitsende lichten, het bonkende geluid en de volgestampte dansvloeren van nachtclubs feestweekenden. Op hetzelfde moment dat aids zijn dodelijke adem over de homogemeenschap uitblies, trok een serie van gigantische dance-evenementen over het land. Vaak werden ze opgericht om geld in te zamelen voor lokale aidsorganisaties.

Op Fire Island begon de Morning Party met een handjevol mensen dat een paar dollar vroeg om het feestje gaande te houden nadat de Pavilion dichtging op zondagochtend. Het feest groeide uit tot een van de grootste aids-fundraisers van het land. In New York brachten feesten als Love Ball (in 1989) en Susanne Bartsch's Vogue Extravaganza de ziekte onder de aandacht, ook financieel.

Ondertussen bestond mijn eigen clubervaring uit mainstream clubs als Palladium en Tunnel, en doordeweeks in de Chapel; voor homofeestjes ging ik naar Bump in Club USA, en in zomerweekenden naar Fire Island's Pavilion. Clubcultuur beïnvloedde en werd beïnvloed door de epidemie. Vaak was ik opgelucht als ik mensen tegenkwam op de Saint-feestjes; ik was bang dat ze in de tussentijd waren gestorven.

Er waren twee momenten in mijn leven waarop ik bang was dat ook ik besmet was door het HIV-virus. De eerste keer was in 1986, en wat ik me vooral herinner is een telefoongesprek waarin de uitslagen van mijn test werden verteld, gevolgd door uitgebreide excuses; een onderzoeksassistent had twee nummers verwisseld (kort daarop werd het ingevoerd dat mensen die een HIV-test lieten doen de resultaten persoonlijk moesten ophalen).

Advertentie

De tweede keer was tegen het einde van 1993. Ik kwam net terug van een zakenreis toen Tom me vertelde dat ik moest gaan zitten. Dat betekende al niet veel goeds. Hij vertelde me dat hij en zijn dokter hadden geconcludeerd dat ik de ziekte overgedragen zou moeten hebben. Ik belde meteen een vriend van me die bij de bloedbank werkte en zei hem dat hij me nu een test moest geven, en dat ik niet twee weken ging wachten op de resultaten.

Tom en ik zijn er nooit achter gekomen hoe hij besmet is geraakt. Maar weet je? Het enige waar het om ging is dat we van elkaar hielden.

Ook al ben ik nooit besmet geraakt, HIV blijft manieren vinden om mijn hart te doorboren. Gisteravond was ik met mijn nichtje bij een optreden en er werd gecollecteerd voor aids. Ik was in shock toen mijn nichtje blindelings langs de collecteur liep.

"Hoe kan je dat doen terwijl je weet wat er met de geliefde van je oom is gebeurd?" vroeg ik haar. Ik geloofde haar excuses over studieschulden niet, ik heb haar ontelbare instagramfoto's van vakanties dure etentjes ook allemaal gezien. Maar ook al werd ik pissig, ik begrijp ook dat haar generatie deze ziekte bestempelt als een controleerbare ziekte. Aids komt in haar leven, en in dat van veel leeftijdsgenoten, helemaal niet voor.

Dat realiseerde ik me onlangs pas, op een schoolreünie. Daar zei iemand, een dokter die met doodzieke kinderen werkt: "Ik kan me nauwelijks voorstellen wat jij hebt moeten doorstaan."

Misschien kan niemand dat.