Drugs

Moeten wetenschappers de drugs gebruiken waar ze onderzoek naar doen?

Kan je onderzoek doen naar psychedelica zonder zelf ooit getript te hebben?

door Shayla Love
18 mei 2019, 7:00am

Afbeelding via: mrorange002 / Getty

Begin jaren zestig voerden een aantal wetenschappers van Harvard wat ongebruikelijke experimenten uit. Ze gaven psilocybine – de voornaamste actieve stof in paddo's – aan gevangenen, om te zien of het de kans op een terugval in hun criminele gedrag zou verkleinen. Ook deelden ze het uit aan theologiestudenten, in de hoop dat het een religieuze openbaring zou veroorzaken. Het project werd geleid door Timothy Leary en Richard Alpert, en had als doel om de potentiële toepassingen van dit stofje te testen.

Leary was een klinisch psycholoog en professor aan de Harvard-universiteit. Nadat hij in 1960 voor het eerst paddo’s had gebruikt, zei hij dat-ie “in de vijf uur daarna meer had geleerd dan in vijftien jaar aan onderzoek doen,” schrijft Sue Blackmore in The Guardian, tevens een psycholoog en onderzoeker.

Leary begon vaker hallucinogene drugs te gebruiken, met als gevolg dat hij werd ontslagen en er vraagtekens werden gezet bij zijn onderzoeken. Hij zou honderden studenten lsd hebben gegeven, en kwam na een tijd niet meer opdagen bij zijn eigen colleges. Hij had de reputatie van een gerespecteerde professor, maar werd nu ineens gezien als hippie met een drugsprobleem, wiens naam onlosmakelijk verbonden werd aan de tegencultuurbeweging. In januari 1970 werd hij veroordeeld tot een celstraf, en acht maanden later wist hij te ontsnappen. Hij vluchtte naar het buitenland, om uiteindelijk opnieuw gearresteerd te worden in Afghanistan.

Vandaag de dag maakt het onderzoek naar psychedelica en hun mogelijke toepassingen in de geneeskunde een sterke opleving door. Ze worden steeds vaker gezien als veelbelovende behandelingen voor depressies en andere psychische stoornissen, en zijn mogelijk een handig hulpmiddel voor wetenschappers om de werking van de hersenen en onze waarneming te onderzoeken.

Toch is er nog altijd een vraag waar geen duidelijk antwoord op is gegeven: in hoeverre zouden wetenschappers zelf eigenlijk ervaring moeten hebben met het hallucinogene middel waar ze onderzoek naar doen? De wetenschappelijke overtuigingen van Leary werden in twijfel getrokken omdat hijzelf (nogal wat) ervaring had met de drugs, en deze middelen nu eenmaal in staat zijn om het bewustzijn te beïnvloeden. Maar is dit iets slechts, en leidt het bijvoorbeeld tot vooringenomenheid, of is het juist goed, omdat je als onderzoeker moet snappen waar je het over hebt?

Moeten wetenschappers die onderzoek doen naar psychedelica deze ook zelf geprobeerd hebben, en als ze dat willen, kunnen ze daar dan ook openlijk voor uitkomen?

Ik sprak een aantal onderzoekers, en hun meningen hierover lopen sterk uiteen. Sommigen vinden bijvoorbeeld dat het een positief vooroordeel zou kunnen veroorzaken, aangezien hallucinogene drugs vaak tot bovenzinnelijke ervaringen kunnen leiden. Anderen denken juist het tegenovergestelde, en vinden dat clinici die deze middelen voorschrijven ook zelf moeten weten hoe de ervaring met het middel eruitziet, omdat ze alleen zo goede informatie kunnen verschaffen en onderzoek doen.

Dat laatste zegt bijvoorbeeld David Luke, een psycholoog aan de universiteit van Greenwich. “Het hangt wel af van je vakgebied. Als je een biochemicus bent die translationeel onderzoek doet met ratten, dan is het misschien niet per se nodig om zelf psychedelica te nemen. Maar als je een psycholoog bent die psychedelische ervaringen wil begrijpen, heb je er misschien wel iets aan.”

Bij de vroegere onderzoeken naar psychedelica hadden sommige deelnemers een traumatische ervaring. Dit zou volgens Luke het resultaat kunnen zijn van een gebrek aan inzicht onder de clinici. Bij hemzelf kwamen zijn eigen psychedelische ervaringen goed van pas, bij het opzetten van zijn onderzoeksvragen.

Een Engelse arts en psychedelica-onderzoeker die liever anoniem blijft, vertelt dat hij in goedgekeurde onderzoeken lsd, dmt, mdma, ketamine en psilocybine heeft geprobeerd – legaal, voor de duidelijkheid. De meeste van deze drugs heeft hij ook legaal toegediend aan mensen tijdens onderzoeken en medische behandelingen.

“Je moet de drugs zelf verkend hebben om richtlijnen voor je patiënten op te kunnen stellen,” legt hij uit. “Je kunt dit niet op een effectieve manier doen – en ook de patiënten niet volledig geruststellen – als je er zelf geen ervaring mee hebt.”

Marc Wittmann, een neuropsycholoog aan het Institut für Grenzgebiete der Psychologie und Psychohygiene in Duitsland, denkt niet dat je geen goed onderzoek kunt doen zonder de drugs zelf te hebben uitgeprobeerd, maar dat het wel nuttig is om te weten hoe het voelt wanneer je bewustzijnstoestand verandert. Al kun je daar ook achter komen zonder drugs te gebruiken, bijvoorbeeld door middel van meditatie of een drijfcabine.

"Iemand in het team moet iets afweten van de impact van geestverruimende stoffen. Alleen zo kun je de veranderingen begrijpen die iemand hierdoor kan doormaken,” zegt hij.

Manoj Doss is het daar niet mee eens. Doss is een postdoctoraal onderzoeker aan de Johns Hopkins University en doet onderzoek naar de cognitieve, emotionele en neurale mechanismen van psychedelische drugs. Hij vindt het nemen van drugs niet noodzakelijk, omdat subjectieve ervaringen in dit vakgebied tot vooroordelen leiden.

Doss vreest dat onderzoekers hun persoonlijke gevoelens misschien verkeerd interpreteren, doordat deze drugs zulke betekenisvolle ervaringen kunnen creëren. “Wat nog veel erger is, is dat de ervaringen die door deze drugs worden gecreëerd, bij mensen de indruk lijken te wekken dat ze inzichten verkrijgen in hoe onze geest en hersenen in elkaar zitten. Daardoor beweren veel onderzoekers dat deze drugs ons iets zullen leren over het bewustzijn of cognitie in de bredere zin. Maar wat al dit onderzoek ons in feite heeft geleerd, is wat de effecten van drugs op onze hersenen zijn. Het legt geen achterliggend beginsel bloot dat we niet al kenden.”

Thomas Metzinger, professor theoretische filosofie aan de Johannes Gutenberg-universiteit in Mainz, spreekt van een illusie. Wanneer iemand psychedelische drugs gebruikt, hebben ze vaak het gevoel dat ze iets heel relevants hebben gezien of meegemaakt. “En dat je het gevoel hebt dat je iets weet, betekent natuurlijk niet dat je het echt weet.”

Hij voegt toe dat het wel belangrijk is om te beseffen dat vooroordelen ook op andere manieren ontstaan. “Problemen kunnen op allerlei plekken het onderzoek binnensluipen,” zegt hij. “Bijvoorbeeld bij de selectie van de deelnemers, of doordat de proefpersonen proberen om de onderzoekers tevreden te stellen. Al deze dingen moeten worden geneutraliseerd, en er zijn ook methoden om dit te doen.”

Andere deskundigen met wie ik sprak, geven aan dat ze van mening zijn dat de manier waarop de wetenschap wordt beoefend enorm is verbeterd sinds de jaren vijftig en zestig, en ze zich wat dat betreft dus geen zorgen maken. "Als je een methodologisch verantwoord en goed gecontroleerd onderzoek doet, zou het geen verschil moeten maken of je ervaring hebt met psychedelica of niet,” zegt Luke.

Het scheelt ook dat er gerandomiseerde controles, placebogroepen en institutionele beoordelingsraden zijn, zegt Dominic Sisti, hoofddocent medische ethiek en gezondheidsbeleid aan de universiteit van Pennsylvania. “Dat hadden we een halve eeuw geleden nog niet,” legt hij uit. “We hebben ontwikkelingen doorgemaakt op technologisch, klinisch en ethisch vlak, waardoor we onderzoek kunnen doen op een manier die zowel ethisch als wetenschappelijk legitiem is.”

Meerdere wetenschappers geven aan dat ze weleens psychedelische drugs hebben gebruikt, maar hier niet openlijk voor uit willen komen, aangezien het illegaal is. Sommigen vrezen dat het een negatief beeld van ze zou neerzetten, wat uiteindelijk invloed zou kunnen hebben op de financiering die ze ontvangen.

“Er heerst paranoia rond persoonlijk gebruik, wat denk ik komt door de criminalisering van drugs,” zegt James Rucker, een wetenschapper aan het King’s College in Londen. “Dat is jammer. Ik voel zowel een persoonlijke als professionele angst om erover te praten.”

Weten mensen binnen het vakgebied wel of hun collega’s zelf ervaringen hebben met psychedelica? “Volgens mij is het tussen de regels door redelijk bekend,” zegt Luke. “Dat soort dingen worden natuurlijk niet in de onderzoeksartikelen vermeld, maar mensen hebben het wel door.” Hij denkt wel dat iemands persoonlijke ervaring met een bepaalde drug op een dag best in een wetenschappelijk artikel zou kunnen verschijnen, net zoals wetenschappers financiële belangenconflicten verklaren.

Hoewel ze er niet veel over praten, denkt Rucker dat de meeste psychedelica-onderzoekers er ook zelf wel een persoonlijke ervaring mee hebben gehad. "Om het onderzoek vooruit te helpen heb je ook wel mensen nodig die geloven dat het kan werken,” zegt hij. “Anders is het onwaarschijnlijk dat er onderzoek naar zal worden gedaan.”

De anonieme arts en onderzoeker uit Engeland vertelt over een van zijn ervaringen met psilocybine. De stof werd bij hem geïnjecteerd terwijl hij in een fMRI-scanner lag – een intense situatie waarin de effecten snel merkbaar worden.

Hij probeerde zich te oriënteren. Eerst herinnerde hij zichzelf aan zijn naam, dat hij vader was, een dokter, in welke stad hij was, en dat hij deelnam aan een experiment. Al snel verloor hij de grip over al die feiten, tot hij zich niets anders herinnerde dan zijn naam. Hij wist alleen nog dat hij een lichaam had, maar dat idee vervaagde uiteindelijk ook.

“Tien seconden later dacht ik ook dat de tijd niet meer bestond. Tien seconden later dacht ik: ík besta niet. Tien seconden later: niets heeft ooit bestaan. Tien seconden later: alles bestaat tegelijkertijd. Tien seconden later: er bestaat niets anders dan wit licht in het universum. Tien seconden later: er bestaat niets anders dan energie in het universum. Tien seconden later: er bestaat niets anders dan liefde.”

Tot slot spreek ik met Enzo Tagliazucchi, een neurowetenschapper die psychedelica onderzoekt aan het Institut du Cerveau et de la Moelle Epinière in Parijs (een instituut gericht op de hersenen en wervelkolom). Volgens hem zijn persoonlijke ervaringen belangrijk om een eerste nieuwsgierigheid in psychedelica te prikkelen. "Het zet iets in beweging," legt hij uit. "Ik beschouw het als katalysator."

Zijn eigen eerste psychedelische ervaring werd veroorzaakt door een vliegenzwam, een rood-witte paddenstoel. In Argentinië, waar hij woont, is deze zwam inmiddels illegaal, maar toen hij het zo’n tien jaar geleden probeerde nog niet. “Mijn ervaring was heel aangenaam en enorm dissociatief. Ik ontdekte dat mentale processen die gewoonlijk hand in hand gaan ook kunnen dissociëren, wat nogal een openbaring was,” vertelt Tagliazucchi.

Hij benadrukt wel dat de zwam weliswaar niet giftig is, maar wel verwant is aan paddenstoelen die dodelijk zijn. Hij moedigt anderen dus niet aan om ernaar op zoek te gaan.

Tagliazucchi weet niet zeker of psychedelica nuttig kunnen zijn voor het onderzoek zelf. Ze wakkerden zijn interesse in het bewustzijn en in psychedelische wetenschap aan, maar hij denkt niet dat het gebruik van bijvoorbeeld lsd zijn werk zou verbeteren.

"Mijn algemene indruk was vooral dat mijn geest toch niet zo eenvoudig in elkaar steekt als ik dacht,” zegt hij. “Dat er meer bij komt kijken.”