Food by VICE

Ik bakte een avond Vietnamese loempia’s voor lamme carnavalsvierders in Twente

Braken met je ouders, eenzame lieveheersbeestjes en versierd worden door 16-jarigen in een kilt.

door Maud Droste
07 februari 2018, 12:24pm

Alle foto's door de auteur

Een feest als carnaval waar elk vat bier op moet en een bodem vooral bestaat uit loempia’s en friet, is een feest naar ons hart. Daarom onderzoeken we deze week welke sauzen en opmerkingen je naar je hoofd geslingerd krijgt als je in een Twentse snackkraam werkt, hoeveel geld mensen in een paar dagen over de balk smijten en met welke cocktails je een hele Raad van Elf in de opperste feeststemming krijgt.

Als je net als ik fanatiek carnaval viert, zal de snackkraam waarschijnlijk deze week grotendeels je dieet bepalen. Je zuipt elke dag en de enige manier om die liters drank in je maag te houden is met een goede, vette bodem.

Na een dag hossen en springen is de kans groot dat je mij in m’n doorweekte carnavalspak voor de snackkraam ziet staan, terwijl ik de munten onderin mijn bh bij elkaar sprokkel voor een half broodje kaassoufflé. Maar na al die jaren voor de kraam vind ik het tijd om het feest een keer vanuit een ander perspectief mee te maken.

Dit jaar wil ik niet met dubbele tong om een extra klodder mayo zeuren, maar gewoon meewerken. Dus ging ik tijdens de Mega Carnavalsparty Albergen in Twente een dagje snacks bakken bij Evenementencatering Weerink. Bij ons in Twente beginnen we een week eerder met carnaval dan in de zuidelijke provincies. Voor mij is die eerste zondag in Albergen – Bokk’nlaand tijdens carnaval – altijd de grote aftrap van een week vol feest, enorme katers en zweet dat van het tentdoek in je bier druipt.

Om half twee ‘s middags kom ik op mijn fiets aan bij het feestterrein. De carnavalsoptocht is bijna afgelopen en de eerste feestvierders wandelen naar binnen. Ik krijg een rondleiding van Ashley Weerink (24), de dochter van eigenaar Wim Weerink die al twaalf jaar de catering voor het carnavalsfeest in Albergen verzorgt.

Ik loop een dag mee met Ashley, Jette en Ingrid. Zij werken in de loempia- en pizzakraam op het feestterrein in Albergen. Dikke sneeuwvlokken waaien de frituur in, waardoor het vet woest omhoog spat. Om iets aan de kou te doen, hossen we mee op de carnavalshits en leggen we onze handen op de warmhoudplaat. Ashley vraagt zich af hoeveel pijn het zou doen als je je hand even in de frituur zou steken. Mijn bevroren handen vinden dat niet heel verkeerd klinken. Uit één van de tenten klinkt het nummer Hey, wir woll’n die Eisbärn sehn.

We zijn een halfuur aan het werk en de tent is nog nagenoeg leeg. Langzaam verandert de sneeuw het terrein in een modderpoel. Een jongen trekt een sprintje over een van de metalen platen die het terrein begaanbaar moeten houden, hij glijdt uit en zijn frikandel belandt met een smak naast hem in de drek. Zijn vrienden komen lachend om hem heen staan en kijken toe hoe hij spartelend op probeert te krabbelen.

Mijn gestaar wordt doorbroken door twee jongens in lederhosen en een prinses die een pizza bestellen. De jongen wil een Hawaï en daar is zijn vriend het duidelijk niet mee eens. “Ben je wel helemaal lekker in de bovenkamer? Met je pizza Hawaï, jij bent duidelijk niet van hier.”

Rond vier uur verzamelen de hongerige boeven, hippies en aardbeien zich voor de kraam. Een jochie van een jaar of zestien in een kilt knipt naar me met zijn vingers. Als ik vraag wat hij wil hebben, begint hij stiekem te lachen. Hij brengt zijn vingers naar zijn mond als een Italiaan die het over het eten van zijn nonna heeft en blaast mij een kushand toe. Ik schiet in de lach en krijg nog een knipoog toegeworpen.

“Vorig jaar vroeg een man om mijn nummer,” vertelt Ingrid. “Ik zag het telefoonnummer van mijn baas op de kraam naast ons staan en zette die in zijn telefoon. Een andere man vroeg of hij het ook mocht. Ik gaf hem hetzelfde. Kennelijk vertrouwden ze het niet, want ze vergeleken ze. Het zou echt geweldig zijn als die lui ook echt een appje aan Wim hebben gestuurd.”

Als de stroom uitvalt, lijkt het niemand te deren dat we alleen nog loempia’s verkopen. Maar even later valt alle stroom op het terrein uit. In het donker verandert de gezellige eetplaats even in een trieste bedoening. Maar een man in een pinguïnpak zet het nummer Schijn een lichtje op mij in. Andere feestgangers haken in en zingen net zolang mee totdat het licht onder luid gejoel weer aan gaat.

Rond half zeven begint zich een gigantische rij hongerige carnavalsvierders voor de kar te verzamelen. Mijn haar schiet los en begint steeds meer op een vette loempia te lijken, bestellingen worden door elkaar geschreeuwd en handen maaien door de lucht om geholpen te worden. Een kerel bestelt twee loempia’s met heel veel zoete saus. Als ik hem zijn wisselgeld wil geven, weet hij niet hoe hij het moet aannemen. In zijn linkerhand heeft hij een dood biertje en in zijn rechter de loempia’s. Hij kijkt naar zijn volle handen en zegt dan dat ik het geld maar in de bak met saus moet smijten. Ik twijfel geen seconde en mik de munten in de chilisaus. “Gaat prima zo,” zegt hij terwijl hij zonder handen probeert te eten.

Hier heb ik het wisselgeld net in een bak met loempia’s en chilisaus gesmeten

Er zijn weinig vervelende klanten, iedereen lacht en het is gezellig in de kraam. “De enige irritante lui zijn de mensen die met hun handen in de kraam graaien voor een extra pomp saus. Negen van de tien keer zit de saus niet op de snack, maar op ons,” vertelt Ashley. Met schaamte denk ik terug aan alle keren dat ik dat ook heb gedaan, omdat “kale patatjes niet zo lekker zijn.” Ingrid vertelt over een jongen die ooit een fles mayonaise weggriste uit de kraam, om die vervolgens helemaal leeg te knijpen op de grond. “Nou, toen ben ik van achter de toonbak gekomen, hoor. Dat laat ik me niet gebeuren. Ik heb ‘t hem eens even goed gezegd, die brutale aap.”

Het is al laat en iedereens hoofd staat op halfzeven. Een kerel in een lieveheersbeestjepak komt voor de derde keer vier loempia’s halen. Ik kijk of hij misschien voor zijn vrienden haalt, maar die zijn nergens te bekennen. Hij zwaait vrolijk naar me en steekt weer vier vingers op. “Zelfde?” vraag ik, en hij knikt. Hij heeft al 21 euro aan loempia’s uitgegeven. Geld speelt geen rol bij de feestvierders. Hoe later het wordt, hoe makkelijker mensen hun geld uitgeven. Een meisje betaalt haar loempia’s met een tientje en als ik haar het bakje aanreik, schreeuwt ze “bedankt” en rent ze weer de tent in. Ik roep haar achterna dat ze nog wisselgeld krijgt, ze kijkt achterom en roept dat ik het mag houden: “Veel te koud hier!”

Op het einde van de avond kijken de feestvierders wat ze nog voor hun laatste bij elkaar geschraapte munten kunnen krijgen. Een man vraagt wat hij nog voor zijn twee handen vol blauwe munten kan kopen. Maar mijn wiskundige inzicht blokkeert helemaal door al dat blauw. “Doe maar wat,” zegt hij. Hij krijgt vier pizza’s en dertig loempia’s en vertrekt met een brede glimlach. Ik vraag Ashley naar de vreemdste dingen die mensen bestellen. “Een broodje met mayo, een broodje ui, een patat speciaal zonder curry en uitjes. Mensen eten alles als ze dronken zijn.”

Het is half negen ‘s avonds en het terrein is een slagveld. Overal liggen platgetrapte patatzakken en half opgegeten kroketten. Als ik naar de uitgang loop, zie ik aan de overkant een meisje van een jaar of vijftien haar maaginhoud legen in een sloot. Haar ouders staan er bezorgd naast en houden haar haar vast terwijl er grote stukken ongekauwde pizza naar buiten komen. Ik moet lachen en denk aan iets wat ik een paar jaar terug op een carnavalswagen zag staan: “Het is pas crisis, als de drank op is”.