FYI.

This story is over 5 years old.

Is de muziekrecensie dood?

Hebben we nog wel iemand nodig die ons vertelt wat goed is en wat niet?
7.3.16

Op vrijdag de dertiende in februari 1970 bracht een kleine Britse band hun debuut Black Sabbath uit. Kort nadat het ook in Amerika verscheen, kroop een opkomende muziekrecensent met de naam Lester Bangs achter zijn typemachine en schreef vijf alinea’s over het album, voor het tijdschrift Rolling Stone. Geen enkel woord was positief, het was een slachtpartij van begin tot eind. Frontman Ozzy Osbourne had de recensie niet gelezen. Iedere muzikant zegt dat ze geen recensies lezen, maar Ozzy, die dyslectisch is, is waarschijnlijk de enige die de waarheid spreekt. Dus vertelden zijn bandmaatjes wat Bangs geschreven had: dingen als “pretentieus”, “inhoudsloos” en “gerammel”.

Advertentie

“Bangs stierf twaalf jaar later, toen hij nog maar 33 was, en ik hoorde van mensen dat hij een taalgenie was,” schreef Osbourne in zijn biografie I Am Ozzy ,“maar voor ons was hij gewoon de zoveelste pretentieuze klootzak.”

Bangs was niet de enige die weinig liefde voelde voor Black Sabbath. Robert Christgau van The Village Voice noemde het “bullshit necromantie”, en een recensent die kritiek had op gitarist Tony Iommi, kreeg bijna van diezelfde Tony een vuist in zijn gezicht in een hotel in Glasgow.

Bangs en zijn collega’s bleken ongelijk te hebben; het werd miljoenen keren verkocht en wordt nu gezien als het eerste heavy-metalalbum. Hoe kan het dan dat Black Sabbath zich toch zo veel aantrok van de slechte recensies, zo veel zelfs dat Iommi er bijna voor op de vuist ging? Simpel: in 1970, een tijd ver voor internet, MTV of satellietradio, waren reviews een belangrijke bron van informatie voor muziekfans. Ze konden je maken of breken.

Bangs relativeerde zijn macht als recensent later wel. In zijn laatste interview zei hij: “Laten we eerlijk zijn: als je een lied hoort op de radio, heeft dat waarschijnlijk meer invloed dan als je er iets over leest. Zeker omdat mensen sowieso bijna niet meer lezen.” En daar heeft-ie een punt. De grootste vijand van een muziekrecensent is altijd het verdomde paar oren van een luisteraar geweest. Waarom zou je een onfrisse snob die zich verstopt achter een scherm moeten geloven, als je zelf een stel hersenen en oren hebt die kunnen uitmaken of iets goed is of niet? Zeker nu alle muziek tegenwoordig met één muisklik beschikbaar is en je dus niet meer het risico loopt je zuurverdiende centjes uit te geven aan een plaat die je niet goed vindt. Hebben we een albumrecensie nog wel nodig?

Advertentie

“Muziekrecensies waren een belangrijk stukje van de puzzel toen printmedia nog heer en meester waren, samen met mond-tot-mondreclame, radiozendtijd en videoclips,” vertelt Pam Nashel Leto van Girlie Action. Leto werkt al sinds 1998 als muziekrecensent en schreef over Elliott Smith, Spiritualized en The White Stripes. “Toen hadden goede recensies nog veel impact. Een positieve recensie in Rolling Stone of The New York Times was genoeg om lezers aan te zetten een album te kopen, zonder dat ze er ook maar één nummer van hadden gehoord.”

Internet nam het daarna langzaam over van printmedia, en hoewel het internet de muziekrecensie al dan niet vermoord heeft, het heeft ook een nieuw soort beoordeler gecreëerd: de blogger.

Maar in het begin bleven muziekreviews vaak hangen in het web-1.0-model. De macht was nog steeds ontzettend centraal – een paar obscure figuren die vanuit hun ivoren toren hun uitgebreide mening gaven. De meningen van lezers werden genegeerd, behalve als je in de afvalcontainer van de commentsectie wilde duiken.

Terwijl blogs populairder werden, grepen doodnormale mensen hun kans om de macht der kritiek van de elitaire publicaties over te nemen. Webzines zoals Pitchfork en Buddyhead – die allebei begonnen als projectjes in de slaapkamers van een paar enkelingen in de jaren negentig – sprintten al snel naar de voorgrond met hun ongefilterde, onervaren en subjectieve kritische analyses van muziek. Ze legden het vuur aan de schenen van grote namen als Rolling Stone en Stine. Ze vervingen de oude wereld van muziekjournalistiek waarin je redacteurs, proeflezers en bakstenen kantoren nodig had. In tegenstelling tot kleine geprinte magazines, konden deze sites de hele wereld bereiken. Iedereen met internet kon plots muziekrecensent worden.

Advertentie

Een aantal van deze blogs groeide in de loop der jaren, vooral Pitchfork. Maar zelfs die verliest nu terrein aan de real-time meningen die onmiddellijk verschijnen via kanalen als Twitter.

Ian Cohen recenseert al sinds 2007 albums, en hij zegt: “Van een goede Pitchfork-review kon je carrière ontploffen, maar dat effect is zo goed als dood. Een band als Arcade Fire kreeg de titel Best New Music, ergens tussen 2004 en 2005, en zag het publiek en de verkoopcijfers als paddenstoelen uit de grond schieten. Er was een tweezijdige relatie tussen de site en de artiesten – Pitchfork creëerde een hype rond een artiest, die daar een duurzame carrière aan overhield, en in ruil kon Pitchfork regeren als de Koning der Coole Muziek. Maar met de snelheid waarmee muziek nu verschijnt, verandert die dynamiek.”

Meaghan Garvey, die ook recensies schreef voor Pitchfork, geeft Cohen gelijk. “Hoe afgezaagd de term ‘smaakmaker’ ook is, ik denk niet dat critici of schrijvers nog smaakmakers zijn. Mensen op Twitter en Instagram doen dat,” zegt ze. “Je kan naar een derde van een album luisteren in de tijd die je nodig hebt om een review te lezen. Het is ook niet zo dat schrijvers grote zieners of progressieve denkers zijn met grensverleggende krachten. Ze proberen een achttienjarige op Twitter met een ziljoen volgers bij te houden, die ook nog eens veel cooler is dan hem of haar.”

Als je als smaakmaker nog wilt meedraaien, moet je het op een heel nieuwe manier aanpakken. Anthony Fantano boekte weinig vooruitgang in de twee jaar dat hij een muziekblog had. Hij had moeite om opgemerkt te worden in de gigantische hoop van wannabe-muziekrecensenten. Net voor hij wilde stoppen, deed hij nog een laatste poging – hij richtte zijn digitale camera op zijn woonkamer, opvallend dicht bij zijn gezicht, en begon albums in videovorm te recenseren in real time, hij liet ter plekke zijn mening de vrije loop. Nu heeft hij 600.000 subscribers op zijn youtbekanaal The Needle Drop, en is hij een van de meest invloedrijke stemmen binnen de moderne muziekwereld.

Advertentie

“Het internet heeft de muziekindustrie en muziekjournalistiek gewoon gedemocratiseerd,” zegt Fantano. “Iedereen kan zijn of haar mening over een plaat kwijt.”

Ook al mag muziek recenseren persoonlijker zijn geworden, het nadeel van al die stemmen die schreeuwen om aandacht, is dat het een stinkende mesthoop wordt van giftige en amateuristische meningen. Het is het geduw en getrek van een nieuwe generatie menigmachines die tegen elkaar racen om de eerste te zijn, en dat wordt vaak beschouwd als de dood van de professionele recensent.

“Het lijkt alsof de enigen die nog iets om recensies geven, andere recensenten zijn,” vertelt Garvey. “Ze reageren ofwel om een wit voetje bij de schrijver te halen, of om ze af te zeiken omdat ze zich vervelen op Twitter. Het verandert in deze vicieuze cirkel waarin er eerst een albumrecensie is, dan een thinkpiece over die review en dan komen er 48 uren waarin er op Twitter over gepraat wordt. Het lijkt wel alsof de juiste mensen niet meer te bereiken zijn.” Voor een voorbeeld van hoe waanzinnig bekrompen het zwarte gat van de muziekjournalistiek geworden is, moet je bij de band Wet uit Brooklyn zijn. Pitchfork schreef een review over de bands debuutalbum Don’t You. Het was weinig positief, het album kreeg een magere score van 4.0 en de band werd afgeschilderd als een industriële fabriek, aangedikt met live-shows, BBC1-playlists, en clips van de instagramaccount van Khloe Kardashian. Kort nadat het artikel werd gepubliceerd, schreven twee editors bij Genius een review van Pitchforks recensie van het album. In de naam van de band namen ze elke kritiekpunt onder de loep, zonder de mythe te ontkrachten dat Wet inderdaad een industriële fabriek is.

Advertentie

(Hou nog even vol, het verhaal gaat nog verder.)

Toen de review van de review verschenen was en muziekjournalisten, zoals ze dat altijd doen, op Twitter begonnen te discussiëren, maakte Jezebel nog een blogpost waarin alle drama werd verzameld. Het is onwaarschijnlijk dat een mondiale muziekbeluisteraar die gewoon wil weten of een nieuwe band de moeite is, het gesprek tot zo diep in het zwarte gat der content wil volgen, vooral als de discussie helemaal niet meer gaat over hoe het album klinkt.

Maar wacht! Voordat we elke laag van deze online journalistieke Inception af pellen, moet er wel gezegd worden dat het hele verhaal nog eens werd samengevat, en wel in dit artikel over muziekcritici dat je nu aan het lezen bent. Wie weet schrijft er ook daar weer iemand een antwoord op; en zo is de cirkel van het contentleven weer rond.

f

Uitgesproken negatieve muziekrecensies worden steeds zeldzamer. Metacritic, een website die massaal recensies van albums, games, films en wat niet meer verzamelt, geeft ze een kleur op basis van de verzamelde cijfers. Groen: algemeen positieve reacties met een score van 61 procent of meer. Geel: gemiddeld, 41 procent of meer, en rood betekent slecht en minder dan 40 procent. Tussen 2013 en 2015 ging geen enkel album in het rood. Elk album dat in die drie jaar uitkwam kreeg in het algemeen een positieve of gemiddelde recensie. Je moet teruggaan tot in 2012 om een review te vinden die een rode kleur kreeg: Chris Browns Fortune. Die kreeg vooral negatieve feedback om zijn criminele verleden en de aanranding van zijn ex, Rihanna. Samengevat: tenzij een muzikant misdaden pleegt tegen een andere muzikant, kunnen ze ervan uitgaan dat ze op z’n minst gemiddelde scores krijgen.

Even vergelijken met de filmindustrie, een medium waarvoor mensen echt het huis uit moeten verlaten en hun portemonnee moeten trekken, en waar er nog veel en vaak kritisch wordt gekeken en geschreven. In dezelfde periode waarin geen enkel album bij Metacritic in het rood ging, van 2012 tot 2015, kwam bijna 18 procent van alle uitgekomen films in het rood te staan, goed voor zo’n 436 films (waarvan Battle of the Year er eentje was, een breakdancefilm met Chris Brown).

Advertentie

Veel websites doen niet (meer) aan recensies. (Noisey doet ook niet aan traditioneel recenseren, dus stop alsjeblieft met dit vragen.) Toen Ben Westhoff muziekeditor werd bij LA Weekly in 2011, was een van z’n eerste opdrachten om te stoppen met albumrecensies schrijven. “Praktisch niemand las ze,” zegt Westhoff. “Het andere probleem is dat het heel moeilijk is om muziek in woorden te beschrijven. Ik zou een hele alinea kunnen spenderen aan de beschrijving van een bepaald geluid, maar dat is in vergelijking met een korte luistersessie niet veel waard.”

Premières zijn de plaats gaan innemen van het verslaan van nieuwe releases. In de weken voor een albumrelease promoot een artiest z’n album stapje voor stapje aan de hand van premières van eerste tracks, tweede tracks, muziekvideo’s, video’s met de songtekst erin, derde tracks, het artwork van het album, vierde tracks en ga zo maar door. Maar bij premières ontbreekt de kritische diepgang van een recensie. De meeste zijn biografisch van aard en, afhankelijk van de website, soms maar bestaande uit twee zinnen met een quote van de artiest, die de lezers recht naar de pre-orderlink verwijzen.

Er ontstaat een soort van ruilhandel bij premières. De publicist van een artiest gaat akkoord om zijn fans naar één website te sturen, en in ruil is er een impliciete overeenkomst dat de website er een stuk over schrijft met een positieve toon. Om een idee te krijgen hoeveel premières dagelijks gepitched worden op de grootste websites, zocht ik op de term ‘première’ in mijn inbox, die daarvan spontaan in de fik vloog; ook dit kan niet een eindeloos houdbaar model zijn.

Advertentie

Enorme artiesten als Beyoncé komen ermee weg om een verrassingsalbum te droppen om drie uur ‘s nachts op Kerstavond, en toch elke muziekblogger over zijn katten te laten struikelen om er iets over te schrijven. Maar ook gemiddelde bands zien er meer en meer in om als eigen woordvoerder op te treden. De band Say Anything, bijvoorbeeld, bracht het album I Don’t Think It Is deze maand uit het niks uit, in het midden van de nacht. De aankondiging ging samen met een volledige stream op hun eigen website, om zo te voorkomen dat het hele album nummer per nummer uiteengehaald zou worden. “Het werkt het best als een geheel,” zegt frontman Max Bemis erover. “Als je nummer voor nummer luistert, speel je met de verwachtingen van de luisteraar – sommige mensen wijzen een album gelijk al af als ze het eerste nummer niet leuk vinden.”

Muziekrecensies zijn dus vaker positief, en dat is niet alleen om de artiesten blij te maken, maar ook om geen boze reacties te veroorzaken. Sinds artiesten steeds meer persoonlijk actief worden op sociale media, gebruiken sommige van hen dit steeds vaker om tegen slechte pers te vechten. Soms wordt de recensent in kwestie zelfs bij naam genoemd, want inderdaad, de artiesten zelf lezen de recensies zeer zeker.

“Ik denk dat de artiesten soms zelfs de enigen zijn die het nog lezen,” lacht Brian Fallon, frontman van de band The Gaslight Anthem. “De artiesten, de muziekcollega’s bij het label, de publicisten, en het management – dat zijn de mensen die recensies lezen. Het is niet meer hetzelfde als vroeger. Vroeger kwamen er tijdens concerten kids naar me toe met tijdschriften waarop ze wilden dat ik mijn handtekening zette – dat heb ik in geen jaren meer gezien.”

Dus misschien schrijven recensenten minder negatieve recensies omdat ze het beu zijn online bekogeld te worden met virtuele eieren. Garvey herinnert zich het moment waarop haar matige review van het album van Future Brown een hoop reacties opleverde op Facebook en Twitter. “Ze begonnen dingen uit mijn persoonlijk leven op te graven, het werd triest en kinderachtig.” Maar ze nuanceert ook: “Misschien is het wel goed dat critici af en toe eens het deksel op de neus krijgen.”

Terwijl artiesten en reviewers dit online kat-en-muisspel met elkaar spelen, en de integriteit van oprechte muziekjournalistiek door het slijk halen, zijn de luisteraars – je weet wel, zij voor wie de recensies geschreven worden – vaak de dupe van de situatie. Net zoals de kinderen van gescheiden ouders. Natuurlijk zijn recensies nog belangrijk voor artiesten, schrijvers en publicisten, zij zijn er ook dagelijks mee bezig, maar is de aandacht van de gemiddelde luisteraar er nog wel voor? Volgens Andy Larsen, marketingmanager bij muziekwinkel Rough Trade in New York, is het antwoord zowel ja als nee.

“In de winkel zien we dat albums beter verkopen als ze een Best New Music-rating of hoge score krijgen op Pitchfork en bij andere muziekplatforms,” zegt ze. “Klanten zoeken en vragen in de winkel absoluut naar muziek met goeie recensies.” Aan de andere kant zijn sommige namen gevoelloos voor kritieken. “Bepaalde artiesten staan erboven. Het maakt niet uit of ze goede of slechte cijfers krijgen op de blogs of in een tijdschrift. Als ze een vaste fanbase hebben, doet zelfs een slechtste recensie ze niets.”

Misschien zit er dan toch nog wat verkoopkracht achter het geschreven woord, en is het wat te vroeg om de albumrecensie dood te verklaren. Maar het is zeker zo dat-ie boven het graf bungelt, waar de floppydisks, kaskrakerabonnementen voor in de bios, en de cd’s van Hot Hot Heat al lang in begraven liggen. De recensie, eigenlijk net zoals muziek zelf, loopt het risico om een kunstvorm te worden die langzaam afbrokkelt, en wel door het schaamteloze misbruik dat de domste mensen op internet ervan maken.

Maar misschien is dat net wat mensen altijd al willen van recensies: dat ze vertelt wordt wat ze altijd al wisten, de mening versterken die ze allang hadden, de positieve woorden te lezen die ze leuk vinden. Kunnen ze lekker meeknikken zonder uit hun comfortzone te hoeven komen. Er zal altijd goede muziek bestaan, maar dankzij de democratisering – en verdunning – van het traditionele muziek recenseren (en dan voornamelijk het logge, oude werkpaard ‘de albumrecensie’) blijf jij, als lezer, helemaal alleen achter om je eigen mening te vormen.

Maar als Lester Bangs het kon, kan jij het ook.