Advertentie
Identiteit

De lesbische kroegbaas die stiekem waarschuwde als de zedenpolitie binnenkwam

In de jaren vijftig was Nederland nog niet erg homovriendelijk, en zo wisten de vaste gasten dat er een 'verdachte hetero' binnen was.

door Amarens Eggeraat
31 juli 2018, 9:18am

Illustratie door de auteur  

Ik hoorde een paar jaar terug, tijdens Bevrijdingsdag, voor het eerst over de lesbische kroegbaas Bet van Beeren. In ‘haar’ café, ‘t Mandje op de Amsterdamse Zeedijk, was het die dag zo druk dat ik buiten op de stoep zat te luisteren naar de stem van Bet-van-Beeren-expert Kiek Houthuijsen. Haar stem galmde uit een geluidsinstallatie en ze vertelde het ene na het andere ongelooflijke verhaal over Bet en haar kroeg.

“Bet was dol op het koningshuis, dus er hing een groot portret van koningin Wilhelmina hier achter de bar,” vertelde Kiek. “Tijdens de oorlog kwamen er Duitsers langs, die natuurlijk wilden dat ze het portret weghaalde. Maar dan zei Bet: ‘Maar meneer, dat is mijn moeder!’ En dan dropen ze gewoon af, die Duitsers. Bet kon dat maken.”

Café ’t Mandje is al ruim tien jaar weer open, nadat het in de jaren tachtig dicht moest in verband met overlast van de heroïneverslaafden op de Zeedijk. Het is er donker, knus en een beetje stoffig: de oorspronkelijke inrichting is zo goed mogelijk nagemaakt, maar het echte interieur bestaat ook nog: dat wordt veilig bewaard in het Amsterdams Museum.

’t Mandje is befaamd omdat het al voor de oorlog populair was onder homoseksuele mannen en vrouwen, want in ’t Mandje kon je onbekommerd dansen met iemand van je eigen geslacht – een kleine mijlpaal in de geschiedenis van de homotolerantie in Nederland. Maar bovenal is het kroegje een levendig eerbetoon aan voormalige eigenaar Bet van Beeren. Vanaf talloze foto’s en portretten kijkt ze je aan.

Afbeelding via www.cafetmandje.amsterdam

Bet van Beeren is dan ook een lokale legende. Dat was eigenlijk al zo in de jaren twintig, toen ze in een grijze stofjas door de straten van de Jordaan struinde en haar geld bij elkaar verdiende door vis te verkopen – ze noemden haar ‘Bokkum Bet’. Ze was op haar vijfentwintigste al een opmerkelijk figuur: een beetje gehavend (tijdens haar werk in een blikfabriek had ze twee vingertopjes verloren) maar goedlachs, en vrijwel altijd in een broek. Daarbij probeerde ze nooit te verbergen dat ze op vrouwen viel.

Haar oom Toon had een kroegje aan de Zeedijk, waar ze weleens meehielp achter de bar. Bet kon goed drinken, maar slaagde er vooral goed in om haar gasten drankje na drankje te laten bestellen. “Bet, die kon vermaken”, vertelt haar zus Greet in een korte film van het Amsterdams Museum, “dus al snel was het niet meer van, ‘We gaan naar Toon’, maar ‘We gaan naar Bet!’” Toon erkende het talent van zijn nichtje en stelde voor dat ze de kroeg van hem zou kopen. Daarvoor kon ze geld lenen van brouwerij Oranjeboom, waar ze kennelijk ook meteen doorhadden dat Bet gunstig zou zijn voor hun verkoopcijfers.

In 1927 nam ze officieel de boel over, en dat was het begin van ’t Mandje, de kroeg waar zij zelf tot haar dood in 1967 in het middelpunt van de aandacht zou staan. Ze was een geboren gangmaker, die op de bar danste als ze wat gedronken had, met een sigaar uit haar mondhoek stond te biljarten en haar charmes gul uitstortte over elke potentiële klant. Zo schiep ze een sfeer waarin iedereen op z’n gemak was, en dan vooral de mensen die, net als Bet zelf, in hun dagelijks leven afweken van de heteroseksuele norm.

Zus Greet, die 21 jaar jonger was (ze kwamen uit een gezin van 14 kinderen), vertelt wat voor indruk haar grote zus op haar maakte toen ze als klein meisje in ‘t Mandje kwam: “Ze kwam op mij over als een vuurtoren, ze stond daar als een vuurtoren in de branding.” En net als een vuurtoren trok Bet alle verloren mensen in de omgeving naar zich toe.

Tijdens de Duitse bezetting bleef het café open. Bet had geen vergunning voor sterke drank, maar verkocht toch stiekem jenever om rond te kunnen komen. Het was voor Duitse soldaten streng verboden om op de Wallen te komen (het Duitse leger moest vrij van geslachtsziektes blijven), dus er was wat minder toezicht. Daardoor bleef het publiek tijdens de oorlog ook erg gemêleerd: er kwamen Duitsers die zich stiekem op de Zeedijk waagden, maar ook mensen uit het verzet en malafide handelaars die op de zwarte markt zelfgestookte alcohol en kattenvlees verkochten. Toch, of misschien wel juist daardoor, wist Bet naar verluid onderduikers in huis te verbergen en wapens voor het verzet te verstoppen.

Na de oorlog floreerde ’t Mandje. Bet organiseerde allerlei feesten, met als jaarlijks hoogtepunt een Oranjebal op Koninginnedag. Die dag werd het biljart opzij geschoven en dansten de gasten in drag met elkaar. Wel was Nederland wat truttiger geworden na de oorlog: in de jaren vijftig waren er vaker controles van de zedenpolitie, die erop toezag dat er nergens onbehoorlijk werd gekust.

Op de bar stond daarom een lamp in de vorm van een uiltje, met ogen die konden oplichten. Als er een verdachte hetero in de zaak werd gesignaleerd deed Bet het lampje aan, zodat de vaste gasten wisten dat het geen goed moment was om een hand in iemands kontzak te laten glijden.

Bet verdiende goed, en deelde haar geld graag uit. Ook zette ze haar charme in om geld af te troggelen van grote bedrijven, waarvan ze busreisjes naar het strand betaalde voor arme kinderen en eenzame bejaarden. En als die sponsors niet toereikend waren, dan kon ze even makkelijk aan pooiers of criminelen vragen om bij te springen. “Ze organiseerde verscheidene acties ten bate van de stichting De Oude Binnenstad, en wist zelfs zware jongens zover te krijgen dat zij met hun “sleeën” deelnamen aan de uitgaansdag van de ouden van dagen,” zo schreef De Volkskrant destijds.

Doordat Bet nogal veel dronk (“Zo’n veertig tot zeventig pilsies gingen er dagelijks in,” aldus een vriendin in een interview uit 1967 met Het Parool) en openlijk van de vrouwenliefde was, heeft ze nooit een lintje gekregen voor haar verzetswerk en naastenliefde: haar levensstijl werd niet geschikt bevonden voor zo’n koninklijke eer.

Ook kwam prinses Beatrix niet langs toen ze in 1965 een officieel bezoek bracht aan de Wallen, wat erg pijnlijk was voor een uitgesproken Oranjefan als Bet. De laatste jaren van haar leven was ze sowieso wat nukkiger en eenzamer. Ze zat nog bijna elke dag aan haar eigen bar, maar behalve drinken voerde ze niet zoveel meer uit. Haar jongere zus Greet had het werk van haar overgenomen, en Bet moest brommend ondergaan dat de klanten steeds minder aandacht voor haar hadden.

Dat betekende overigens niet dat ze geen erkenning kreeg. Nadat ze in 1967 stierf aan levercirrose (waarna ze op eigen verzoek werd opgebaard op de biljarttafel) verscheen er een uitgebreid artikel in Het Parool. Daarin deelde haar vriendin Heintje Geber – door de krant omschreven als “gekleed in een stevige mannenbroek, waaronder parmantig een paar rode sokken uitsteken” – herinneringen aan Bet. Dat ze als eerste vrouw op een motorfiets rondreed, bijvoorbeeld, in een op maat gemaakt leren pak, en daarmee ook wel eens het café binnenreed. Zoiets kon alleen Bet doen, want “Iedereen hield van d’r, omdat ze zo ruw en zo grof was, en toch zo goed.”

Volgens haar zus Greet zaten er ook vaak dolverliefde vriendinnetjes achterop die Harley, maar dat schrijft Het Parool in 1967 nog niet op. Majoor Bosshardt, die ook regelmatig in ’t Mandje te vinden was, noemde haar “een goed mens, die door haar sociale bewogenheid een contactpunt was voor zeer uitlopende mensen”.

Vorig jaar bestond ’t Mandje negentig jaar, en van die gelegenheid werd gebruik gemaakt om een brug naar Bet te vernoemen. “Het is toepasselijk dat haar naam nu op een brug staat,” zei Robert Anthony, die in 2017 ambassadeur van de Pride was. “Want Bet van Beeren wás een brug: een brug tussen arm en rijk, een brug tussen homo en hetero, een brug tussen de politie en criminelen, en tussen hoge cultuur en lage cultuur.”

Dat is inderdaad een treffende typering van Bet van Beeren: als lesbische vrouw uit een arbeidersgezin kon ze haar plaats in de maatschappij veroveren door ontzettend sociaal te zijn, en die gave gebruikte ze om niet alleen zichzelf, maar ook haar omgeving beter te maken. Terecht dat haar naam nog altijd rondzingt op de Zeedijk.

Voor dit artikel werd gebruikt gemaakt van het Digitaal Krantenarchief Delpher, het interview met Greet van Beeren van het Amsterdams Museum en de website cafetmandje.amsterdam

Tagged:
pride
Lhbt+
Identiteit
Zeedijk
vergeten vrouwen
Onder de Gaydar
Bet van Beeren
Café 't mandje