Advertentie
lhbtq

Te veel Nederlandse homomannen hebben een hekel aan hun lijf

Veel homo’s sporten zich kapot omdat ze worstelen met bodyshaming, ingebeelde lelijkheid en een verstoord lichaamsbeeld.

door Adriana Ivanova
05 maart 2018, 12:32pm

Via Flickr-gebruiker Sasha Kargaltsev

“Will is een dikke advocaat. Hoe weet hij toch indruk te maken op iedereen?” In een terugkerende grap in Will & Grace wordt Will al negen seizoenen lang door Jack beschreven als “straight skinny” maar “gay fat”: dun voor een hetero, dik voor een homo.

Hoewel het een grap is, legt het commentaar ook pijnlijk bloot hoe homo’s hun eigen en andere lichamen kunnen veroordelen, de onmiskenbare rol die fat- en bodyshaming daarin speelt, en de dubbele standaard voor wat wel en geen acceptabel uiterlijk is voor hetero- en homomannen. Een deel van de homogemeenschap hanteert torenhoge standaarden van wat wel en niet seksueel aantrekkelijk is. En als gevolg daarvan worstelen talloze homoseksuele mannen om een plek binnen die groep te vinden.

Zo ook Lucas*, een 32-jarige homoman uit Amsterdam die we eerder al eens spraken over zijn eetstoornis: "Sommige van mijn homovrienden spreken openlijk hun walging uit voor mensen die niet 'fit' zijn. Ze vinden dat het hun eigen schuld is dat niemand ze aantrekkelijk vindt.” Lucas heeft nu al zo’n vier jaar boulimia. "Door constante afwijzingen om mijn uiterlijk, met name mijn spier-vetmassa-verhouding, viel ik in zo'n 24 kilo af. Maar nog steeds vond ik mezelf te dik. Uiterlijke ideaalbeelden spelen een enorme rol binnen de gayscene."

Zo normaal mogelijk

Veel homo’s hebben een ingewikkelde relatie met ‘mannelijkheid’. Uit een lezersenquête van het Britse homotijdschrift Attitude onder 5000 mannen blijkt dat 41 procent van de homo-, queer- en biseksuele respondenten zich op een bepaald punt in hun leven ‘minder man’ heeft gevoeld vanwege hun seksualiteit. Daarnaast knapt 71 procent af op een partner met 'typisch vrouwelijke trekjes' en vindt 41 procent dat vrouwelijke (femme) homomannen de gemeenschap 'een slechte naam geven'.

Onderzoek van het Nederlands kennisinstituut Movisie uit 2009 leverde vergelijkbare denkbeelden over gender-conform gedrag op. Uit de interviews met heteroseksuele tienerjongeren bleek dat de meesten van hen willen dat een homo zich ‘zo normaal mogelijk’ gedraagt, mannelijk en stoer is, en zich vooral niet moet wagen aan ‘stijlvol’ lopen, strakke broeken dragen, vrouwelijke handgebaren maken of huilen. Recent onderzoek (2016) toont aan dat voorlichting over seksuele diversiteit op Nederlandse scholen nog steeds beter kan, en dat er te weinig aandacht is voor lhbt-acceptatie.

Lucas ziet de femme-bashing ook vaak terug op datingapps: "In profielen op Grindr zie ik vaak ‘masc 4 masc’ voorbij komen, masculine for masculine. Dan is iemand alleen op zoek naar een mannelijke homo. Dit zijn meestal sportieve mannen die zichzelf alleen met een foto van hun torso adverteren en hun gezicht niet eens laten zien. Er zit, in mijn ogen, ook een flinke lading zelfhaat bij – waarbij die ubermasculiene mannen niet willen accepteren dat ze homo zijn en door willen gaan voor hetero, of misschien zelfs nog in de kast zitten, en die gayness noch in zichzelf noch in hun bedpartner terug willen zien."

"Ook zetten gebruikers vaak expliciet in hun profiel dat ze geen interesse hebben in mannen zonder sixpack. En dat mannen die dat niet hebben ook maar beter geen bericht kunnen sturen; 'don't bother,’ staat er dan. Het is een harde wereld, waarin een laag vetpercentage wordt beloond met aandacht. Op elke hoek valt wel een gewillige en gespierde man te vinden, die nóg knapper, dunner of aantrekkelijker is."

Giftige cocktail

Wanneer zelfacceptatie en zelfhaat zo hand in hand lijken te gaan, is een verband tussen uit de kast komen en lichaamsontevredenheid niet heel gek. Uit Amerikaans onderzoek bleek dat homo- en bi-mannen een hoger risico hebben op het ontwikkelen van een eetstoornis dan heteromannen: circa 15 procent tegenover circa 5 procent respectievelijk. Nederlandse bronnen ondersteunen dit. Meerdere onderzoekers concludeerden dat homoseksuele geaardheid als risicofactor voor anorexia en boulimia gezien kan worden. Daarnaast lopen homo’s meer kans op het ontwikkelen van een negatief zelfbeeld en Body Dysmorphic Disorder (BDD).

Mensen met BDD (ook wel ingebeelde lelijkheid, dysmorfofobie, of stoornis van de lichaamsbeleving genoemd) worden dagelijks geteisterd door negatieve hersenspinsels over wat er ‘fout’ is aan het eigen lichaam of gezicht. Het is een giftige cocktail, die kenmerken van een sociale stoornis en een dwangstoornis bevat – en kan uitmonden in sociaal isolement, uitvluchten in plastische chirurgie of zelfbeschadiging.

Er zijn verschillende vormen van BDD, waaronder het Adoniscomplex (bigorexia nervosa of spierdysmorfie): een psychische aandoening waarbij vooral mannen geobsedeerd zijn met het ontwikkelen van spieren. Het ultieme doel: zo veel mogelijk spieren, zo weinig mogelijk vet.

Homomannen hebben al van jongs af aan het gevoel dat ze niet passen binnen het westerse idee van mannelijkheid, waarin ‘een echte man’ onafhankelijk, zelfverzekerd en autoritair is, en op vrouwen valt. Dit leidt, volgens diverse psychologen en sociologen, tot een idealisering van ‘hypermasculiniteit’ – waarbij sommige homo’s het hebben van een afgetraind lichaam zien als een manier om te compenseren voor dat wat ze tekort denken te schieten in mannelijkheid.

"Sommige mannen hebben vanuit hun eigen ervaring met homo zijn een beetje een mannelijkheidscomplex opgelopen,” zegt homo-activist en socioloog Laurens Buijs, die onderzoek doet naar homo-emancipatie aan de Universiteit van Amsterdam. “Ze hebben vanuit de samenleving meegekregen dat ze ‘niet man genoeg’ of 'geen echte man' zijn en daardoor een diepgeworteld gevoel dat ze er niet bij horen. Om daarmee om te gaan, kunnen ze overcompenseren door hun mannelijkheid te claimen. Ze proberen validatie, de waardering en bevestiging dat ze er mogen zijn, te vinden door hun lichaam op te pompen."

Gevoelige snaar

De druk om er onberispelijk uit te zien, op straat en in de sportschool, vertaalt zich ook naar de slaapkamer. Uit een grootschalig Amerikaans onderzoek (2016) blijkt dat 20 procent van de homoseksuele mannen met een normaal gewicht de voorbije maand seks had gemeden vanwege een slecht gevoel over hun lichaam. Bij de heteromannen met een normaal gewicht was dit slechts 5 procent. Ook voelden de homomannen beduidend meer druk vanuit de media om er goed uit te zien (58 vs. 29 procent), hielden ze zich routinematiger bezig met hun uiterlijk (58 procent vs. 39 procent) en had 77 procent (tegenover 61 procent) het gevoel geobjectificeerd of beoordeeld te worden op hun uiterlijk.

Ook de feiten uit Nederlands onderzoek liegen er niet om. Homoseksuelen hebben bovengemiddeld veel last hebben van psychische problemen en stemmings-, angst- en persoonlijkheidsstoornissen, zo wees recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit. Volgens een onderzoek van het COC uit 2014 heeft bijna de helft van de jongeren met homoseksuele gevoelens ooit suïcidale gedachten gehad.

Maar hoewel andere landen – en onze Amerikaanse en Australische collega’s – BDD in de homogemeenschap al goed onder de loep hebben genomen, moet deze discussie in Nederland nog op gang komen. “Het hele idee van BDD binnen de Nederlandse homogemeenschap is hier onder sociaalwetenschappers geen gangbaar onderwerp,” zegt Laurens. “De discussie over het zelfvertrouwen van homomannen, of het gebrek daaraan, en de problemen met het zelfbeeld worden in een minder scherp kader besproken. Er wordt meer gekeken naar wat levenslange minderheidsstress, het proces van coming out en het doorlopen van het identificatieproces nou precies met je doet als homoman. Maar dat daar nog veel uitdagingen liggen, die kunnen leiden tot een reeks diverse problemen waaronder BDD, het ontstaan van een sportschoolcultuur, en de nadruk op mannelijkheid – daar hebben we het hier nog niet over.”

Ook wordt er volgens Laurens in de Amerikaanse context wat normatiever gesproken over minderheden: “Aan de term ‘body dysmorphia’ hangt een bepaald oordeel, het impliceert dat er iets mis is met je. Dat maakt het lastig om het te bespreken, zonder belerend of oordelend over te komen. Want zodra je iets bijvoorbeeld een verslaving, dysmorfie of psychologisch probleem noemt, komt er meteen weerstand vanuit de Nederlandse gay community – die z’n buik vol heeft om van oudsher weggezet te worden als ‘zwak’, of ‘gek’. Zowel het christelijk stigma als het ouderwetse nationalistische stigma spelen daarbij een rol: dat we zogenaamd geen echte mannen zijn, zwak zijn, problemen met onze ontwikkeling en ontplooiing hebben, naar de psychiater moeten – dat soort dingen. Daar zit gewoon een gevoelige snaar. We vinden het lastig om moeilijke dingen bespreekbaar te maken, en ontkenning speelt soms ook mee."

Vast in pride

Laurens benadrukt dat het lang niet altijd misgaat en dat een preoccupatie met het lichaam en mannelijkheid een gezonde vorm van coping kan zijn: "Als privé-persoon ben ik ook homo en heb ik vrienden die graag verkeren in die bodypumpculturen. Ik wil, zeker in mijn rol als wetenschapper, geen dominee worden die met zijn vingertje zwaait en roept 'jullie hebben een issue met jullie lichaam!' Het is niet zo zwart-wit en per se slecht. De botsing met de heteronorm, daar krijg je echt een klap van de molen van – waar je best een psychisch trauma aan kunt overhouden. En ik ben dan ook blij als die mannen lekker bezig zijn met sporten, hun lichaam en gezond eten, in plaats van aan de drugs te gaan. Je moet het zien als een probleem wanneer mensen het zelf aankaarten, vind ik. En ik denk dat heel veel homomannen op deze manier echt hun trauma kunnen oplossen – dat ze niet meer vrezen om man te zijn, maar nu hun mannelijkheid claimen."

“Maar er is ook de andere kant,” zegt Laurens, “van de 'self-hating minority': homo’s die de verpletterende gendernormen over wat je tot een echte man maakt internaliseren. Er zijn homo-subculturen waarin preoccupatie met je lijf een manier is om om te gaan met een bepaalde eenzaamheid of iets anders waar best veel tragiek achter zit. Dan kan deze vorm van coping een schijnoplossing kan zijn.”

“In Nederland worden heel veel problemen onder de regenboogvlag geschoven – waarbij zo gepreoccupeerd bezig zijn met je lichaam wordt gezien als een vrijgevochten, zichtbare manier om je homo-identiteit in te vullen. Want dat lichaam kun je inzetten voor seksfeesten, voor drugsgebruik, voor het uitstralen van mannelijkheid om vervolgens jongens mee te werven. Nu kunnen we dat wel claimen als niets anders dan verworvenheid en pride – en we moeten ook zeker trots op onszelf zijn – maar bij een deel van de homomannen is het ook een probleem: zij kunnen er ook in verdwalen en verloren raken.”

“Ik denk dat we als Nederlandse gay community nog heel erg vastzitten in het denkkader dat geïnspireerd is op pride,” zegt Laurens. “Sinds de jaren 60 en 70 zijn we uitgegroeid tot een beweging die vooral gaat over het doorbreken van taboes, het verleggen van grenzen, het vergroten van zichtbaarheid en het claimen van je plek. Daarbij is er in mijn ogen minder aandacht voor vragen als: 'hoe gaat het met ons als community, hoe voelen we ons, en waar lopen we nog tegenaan?'"

"Daarnaast hebben we hier zo’n gekke situatie waarin we homorechten claimen als culturele verworvenheid, iets dat hoort bij de Nederlandse cultuur en onze moderne samenleving. Maar tegelijkertijd zien we, onder dat laagje sociale wenselijkheid, dat we als land nog heel erg worstelen met de ruimte die we, eigenlijk nog maar recentelijk, hebben gemaakt voor homo’s en vrouwen."

Spagaat

In zijn onderzoek naar homo-emancipatie noemt Laurens het ‘de Nederlandse paradox’: “Aan de ene kant willen we af van die uitsluiting en homo’s accepteren, maar aan de andere kant zitten nog heel veel lhbt-jongeren in Nederland in de knoop met hun seksualiteit. Ze durven bijvoorbeeld pas na de puberteit uit de kast te komen, lopen veel vaker rond met zelfmoordgedachten, en ontwikkelen vaker psychosomatische klachten zoals een verzwakt immuunsysteem. Daar ligt dus nog een groot probleem: zelfs in het moderne Nederland kom je in een spagaat terecht. Het is een uitdaging om je plek te vinden. Dit speelt vooral bij jongeren die uit religieuze gezinnen of achterstandsgroepen komen, maar eigenlijk gebeurt het heel breed."

Laurens pleit daarom voor een genuanceerde aanpak. Maar hij wil daarbij niet onder stoelen of banken steken dat de correlatie tussen homoseksualiteit en een verstoord lichaamsbeeld duidelijk en problematisch is, en dat er iets aan moet gebeuren.

Een goed beginpunt voor het zoeken naar een oplossing is in ieder geval erkennen dat veel homomannen doodongelukkig zijn met hun lichaam, en beseffen dat dit probleem tweeledig is – dat het te maken heeft met hoe zowel de Nederlandse homogemeenschap als hoe onze maatschappij functioneert. Aan de ene kant zou het helpen om meer te praten over de meedogenloze manier waarop homo’s over hun eigen lichaam oordelen, en hoe de homogemeenschap omgaat met trauma en minderheidsstress. Aan de andere kant moeten we ook kritisch kijken naar de heteronormatieve samenleving en de grotendeels homofobe wereldwijde maatschappij. We moeten onderzoeken hoe we traditionele ideeën van mannelijkheid kunnen herdefiniëren of overstijgen, en hoe we een vangnet kunnen zijn voor iedereen die dat nodig heeft.

"Een trauma is soms niet alleen slecht," concludeert Laurens. "Het is ook iets dat iemand vormt; iets wat heel veel mensen overwinnen en daar vervolgens trots en kracht uithalen, zoals in de gay community. Maar tegelijkertijd kan een trauma ook nog een open zenuw zijn, waarbij je hulp nodig hebt. We moeten dat als samenleving op de agenda zetten. En dat gebeurt nog niet vaak genoeg."

*Deze naam is gefingeerd. De echte naam van de geïnterviewde is bekend bij de redactie.