verboden toegang

Ik snuffelde een dag rond met een Nederlandse muskusrattenvanger

“Als een bruine rat zich bedreigd voelt spuit hij met urine, maar muskusratten zijn hele schone beestjes.”

door Laura van der Haar
05 april 2018, 10:14am

Alle foto's door de auteur

In de serie Verboden Toegang gaan we naar de verborgen plekken op de wereld waar de natuur plaats heeft gemaakt voor technologie. In aflevering 3: de rattenvanger van Nederland.

“Ga je ook foto’s maken?” antwoordt Nico Evers op de vraag of ik een middagje met hem mee kan lopen. “Want dan leg ik wat droge ratten voor je in de bak.”

“Oké, eh… top. Moet ik zelf ook nog iets meenemen?”

“Een regenjas en goede laarzen.”

We spreken af bij het Hollands-Duits gemaal aan het begin van zijn werkgebied, dat zich tot in Duitsland uitstrekt: Nico is de muskusrattenvanger van het rivierengebied. Met een fourwheeldrive, een quad of een kano speurt hij iedere dag de bijna zestig kilometer langs de Waal af, op jacht naar muskusratten of hun sporen. En dat is haast detectivewerk. In welke hoek het gras is afgeknaagd, of er op het water losse stukjes riet drijven, of er zwemsporen naar de kant toe zichtbaar zijn, graafgeultjes in de drassige oever, uitwerpselen – een beverrat bijvoorbeeld poept meerdere keren achter elkaar en als Nico zoiets ziet weet hij genoeg. Vallen plaatsen.

Stapvoets rijden we de steile dijk af en daar gaat een wereld voor me open: langs de slootkant, in de rietzomen en in de betonduikers stikt het van de rattenvallen. Ze zijn verdekt opgesteld: niet alleen om de ratten er makkelijker in te lokken, maar ook om hun dood uit het zicht te houden.

“Je hebt geluk, het is een hele mooie tijd nu.” Nico tuurt langs de oever. “De voorjaarstrek is net begonnen. Zodra het mooi weer wordt gaan ze rondkijken, stukjes zwemmen, nieuwe holletjes maken. En het is hoogwater geweest, dus de ratten uit Duitsland zitten hier nu ook ineens allemaal.”

De meningen verschillen erover, maar volgens het Waterschap Rivierenland waar Nico voor werkt vormen muskus- en beverratten een directe bedreiging voor de veiligheid van dijken en kaden. Uit een nog niet gepubliceerd onderzoek van de Unie van Waterschappen blijkt bovendien dat bestrijding zeker effectief is om de populatie omlaag te krijgen. Toch is die bestrijding niet onomstreden: in een uitgebreide e-mail schrijft de waterschapper van de Partij voor de Dieren dat rattenpopulaties in omringende landen ook zonder bestrijding stabiel blijven. Het lijkt een kwestie van prioriteiten:

De veronderstelde risico´s van muskusratten worden over het algemeen overdreven. Er is nog nooit een dijk doorgebroken dankzij graverij van muskusratten. Langs de slootkant van boerenerven zijn muskusratten wel een risico voor de boer, maar wij vinden echter dat boeren best langs de slootkant een stukje onbebouwd kunnen laten.

De discussie is te uitgebreid om volledig te beschrijven. Hoe het ook zij: die fluffy knaagdieren moeten worden omgebracht. Met hun schattige snorhaartjes en die roze handjes waarmee ze vredig in de zon op een rietstengel knagen en… vindt Nico het zelf nooit zielig?

“Ja, zeker wel, ze zijn inderdaad vrij aaibaar. Maar het lost zich niet vanzelf op, de populatie stabiliseert niet. De vos jaagt inderdaad op muskusratten, maar met alleen natuurlijke vijanden krijg je ze niet weg. Jij eet ook niet iedere dag friet.”

“Dat is waar. Heeft hij niet nog andere vijanden?”

“Reigers, maar die eten alleen de jonkies, de grotere exemplaren krijgen ze niet weg. De marterachtige soms, ja, en wij natuurlijk! Als ze deze auto aan zien komen….”

Het vangen gebeurt op verschillende manieren. Met klemmen die over de ingang van een holletje geplaatst worden: zodra de muskusrat uit zijn hut kruipt slaat de klem achter de kop en voorpoten dicht en perst de lucht uit zijn longen, en dan is hij “redelijk snel” dood. Over dat ‘snel’ verschillen de meningen trouwens, zoals iedereen die weleens tot tien heeft geteld zal geloven.

Dan zijn er de iets meer omstreden verdrinkingsvallen: zodra de ratten in die fuik zwemmen kunnen ze er niet meer uit, en verdrinken. Een doodsstrijd van maximaal een minuut, volgens Nico.

De vriendelijkste manier: levendvangende kooien. Die plaatst hij op strategische plekken (waar hij bijvoorbeeld sporen ontdekt heeft en een nieuwe verblijfplaats vermoedt) en legt er wat gehalveerde appeltjes in. “Ze hebben een ontzettend goede neus, vooral als de geur over water draagt. En ze zijn heel nieuwsgierig, dus als er op het water iets ligt te kabbelen, gaan ze op onderzoek. Je leert ze steeds beter kennen. En zodra er dan een dier in kruipt en op de plaat gaat staan, valt de klep dicht en krijg ik een sms’je.”

“Van die rat?”

Vandaag is de buit twee stuks; Nico vist ze uit de kooi en volgens mij ruik ik het ook direct, zelfs van een paar meter afstand, zo’n zoetrot zweempje kadaverwagenlucht.

“Haha ja soort van.” Hij laat me de constructie zien: een zender met een magneetje zit aan de klep van de kooi. Als die klep dichtvalt omdat iets op de plaat gaat staan, trekt een koord het magneetje los en stuurt het kastje Nico een bericht: “KZ18 DICHT, CONTROLE BEHOEVEND. VANGST GEDETECTEERD OM 06:53.”

“Meestal kan ik er diezelfde dag nog zijn, zodat het dier het minste lijdt.” In de ochtend noteert hij op een briefje de vallen waar hij langs moet en uit zijn hoofd rijdt hij dan al die nummers af.

“En dan?”

“Dan schiet ik ze af. Effe kijken, hier moet nummer 25 ergens zijn.”

Het verstuurde sms’je blijkt na een tocht door het hoge riet naar de waterkant loos alarm: de klep van de val is waarschijnlijk dichtgewaaid, want op zes gehalveerde appels na is de kooi leeg.

Bij de verdrinkingsval verderop - een soort getraliede buis die in de oever is gegraven - hebben we meer ‘geluk’.

“Het zijn vegetariërs,” zegt Nico terwijl hij de val uit de oever trekt en er met geoefende hand een doorweekte muskusrat uit vist. “De bruine rat bijvoorbeeld eet ook andere bruine ratten, en eenden, die eet alles eigenlijk, maar muskusratten zijn hele schone beestjes.” Pfwomp, daar kwakt het schone dode ding op de kant.

“Mag ik een foto maken?”

“Jawel hoor, maar in de auto liggen nog wel een paar mooiere, droge.”

Hoeveel ratten vangt hij eigenlijk per… dag, maand, jaar?

“Tsja, de natuur laat zich niet leiden. Stratenmakers kunnen plannen dat ze iedere dag zoveel meter leggen, maar bij ons weet je het nooit. Als het geregend heeft is het water troebel en zie ik hun sporen niet. Als het slecht weer is zijn de ratten zelf ook minder actief. Eergisteren had ik er bijvoorbeeld nul, gisteren dertien…” Met de druipende drenkeling loopt Nico terug naar de auto en zwiept hem aan zijn staart de bak in. Met een zompig plofje belandt hij naast de drie droge exemplaren, die wel iets weg hebben van de dikke dametjes van Theo Broeren.

Eén voor één rijden we de vallen langs. Een door hem zelf op maat gemaakte verdrinkingsval in de betonduiker die naar de polder voert heeft een dubbelfunctie: hij vormt een afscheiding zodat de ratten zich niet verder de uiterwaarden in kunnen verspreiden, én ze gaan dood. Vandaag is de buit twee stuks; Nico vist ze uit de kooi en volgens mij ruik ik het ook direct, zelfs van een paar meter afstand, zo’n zoetrot zweempje kadaverwagenlucht. Eén van de lijfjes tuimelt langzaam terug het water in nadat Nico hem op de wal heeft geworpen. “Is-ie dood en beweegt-ie nog!”

Langs de dijk is het één grote ravage. Het resultaat van storm en regen: overal brokken hout, een ondoordringbare wirwar van takken, hoog water: “Het walhalla voor de beverrat en de muskusrat.”

“Dus ook voor jou nu, of juist niet?”

“Nee, hier ben ik voorlopig nog wel even bezig.”

Bij een slagboom verlaten we de weg en hobbelen richting een zandige oever van de Waal. Golven slaan over de stenen en Nico wijst op het bord dat op het hoogste punt staat: “Bij 925 loopt hier het hele gebied onder. Eerst zat er nog een dam verderop, dat is een natuurlijke remming. Maar nu komen ze de hoek om zwemmen en denken: hee! Het is hier dus een massa-instroom voor muskusratten en beverratten, zelfs voor bevers!

“Wow!! Bevers!!”

“Kijk, dit is een verlaten burcht van een bever.” In het water dobbert een rommelige boom met daaromheen grote stukken drijfhout. “Dat vinden muskusratten ook fijn, die kunnen hier nu gebruik van maken. Dus daar verderop heb ik een val gezet.”

Wegzakkend in het oevermateriaal banen we ons een weg naar de val. De grote kooi dobbert leeg op het water, een paardendeken met stro op het dak, de Elstars nog keurig in tweeën: ook hier was de wind weer de boosdoener.

“Als die vallen je steeds sms’en, ben je dan ook continu aan het werk?”

“Ja, want binnen 24 uur moet je ze legen.”

“Dus je hebt eigenlijk nooit weekend?”

“Nou, als ik weet dat ik een dagje weg ben, dan bel ik een collega om ze te legen.. Maar op kerstochtend bijvoorbeeld had ik een nestje beverratten, en ja, die wil je er toch uit hebben. Ik kan niet zeggen: jongens, bel me na het weekend maar even terug.”

“De nieuwe doden moesten eventjes wachten…”

Met een aanhanger vol dooie muskusratten rijden we de bewoonde wereld weer in.

“Gaan die rechtstreeks naar de kadaververwerking?”

“In de zomer wel ja, maar met dit weer kun je ze ook wel twee dagen laten liggen. Dus die gaan zo mee naar huis.”

“Vinden je buren dat niet erg, zo’n aanhanger dooie ratten voor de deur?”

“Neuh, en ik heb ook wel een grote tuin. Dus morgen ga ik koffie drinken op het depot, dan neem ik ze mee.”

We passeren een klein kerkje met een begraafplaats waar je als je dan toch moet kiezen wel begraven zou willen worden, zo pittoresk. Nico wijst op de resten drijfvuil, schrikbarend hoog tegen de dijk: “Dit stond laatst allemaal onder water.”

“Jakkes, ook de graven?”

"Ja, die ook. Dus de nieuwe doden moesten eventjes wachten…”

Verstopt in het vennetje achter de afrastering ligt nog één laatste kooi die heeft gesms’t, en ditmaal is het geen loos alarm: op het platform zit een nietsvermoedend ratje van een appel te snoepen. De bruine rat volgens Nico. Niet de dieren waar hij eigenlijk op jaagt, maar gewenste bijvangst.

“Dus dat betekent?”

“Dat ik die doodschiet.” Behoedzaam waadt Nico met zijn groene lieslaarzen de sloot in, pakt een langwerpig pistool uit zijn rugzak en knielt in het water naast de kooi. Hij neemt de tijd om te richten en uiteindelijk schrik ik toch nog van de droge knal die over het water fakkelt.

Mis: de rat zit nu hoog op zijn achterpoten in de andere hoek van de kooi. Terwijl Nico een tweede kogel uit zijn rugzak pakt om opnieuw te laden - het pistool heeft geen magazijn - vertelt hij dat je bij de bruine rat zo rustig mogelijk moet blijven. “Als die zich bedreigd voelt kan hij urine gaan spuiten. Dat wil je niet in je gezicht.”

“Wat krijg je dan?”

“De Ziekte van Weil, het hantavirus. Als ik rustig ben blijft het dier ook rustig. Ik ben hier ook geen fan van hoor…” K-PÁF. Nu is het raak. Vlug trekt Nico het gesneuvelde ratje uit de kooi en geeft het stuiptrekkende lijf voor de zekerheid nog even wat harde meppen met een stuk hout, breekt twee nieuwe appeltjes voor in de val en het werk hier is volbracht.