Hoe het is om op te groeien in een onconventioneel gezin

Ik heb drie halfzussen, twee stiefbroers, twee pleegouders, één stiefvader en twee moeders. Mijn biologische vader is tegelijkertijd mijn oom. En officieel ben ik een wees.

|
dec. 24 2015, 10:50am

Alle illustraties door Jamie Nee

Heb je broertjes of zusjes? Zie je je ouders nog vaak? Dat soort familiegerelateerde vragen kan ik altijd op twee manieren beantwoorden. De eerste gaat zo: ja, ik heb drie halfzussen – waarvan twee ook mijn nicht zijn – twee stiefbroers, twee pleegouders, één stiefvader en twee moeders. Mijn biologische vader is tegelijkertijd mijn oom. En officieel ben ik een wees.

Het voordeel van dit antwoord is dat het relatief weinig tijd kost om te formuleren. Het nadeel is dat niemand er ooit wat van snapt, waardoor ik of iemand achterlaat met een vage, onoverzichtelijke puzzel in zijn hoofd, of alsnog veel tijd kwijt ben aan uitleggen hoe het dan wel precies in elkaar zit. En dan kom ik toch weer bij optie twee uit: de uitgebreidere uitleg op chronologische volgorde, in drie stappen.

Voor de eerste moeten we even terug naar de jaren negentig, toen er twee vrouwen waren die samen kinderen wilden krijgen, en daarom een donorvader zochten. Die vonden ze in de zwager een van hen, wat leidde tot de geboorte van een meisje en een jongen. En van die jongen ben je nu dit stuk aan het lezen. De donorvader zou geen ouderlijke rol voor ons vervullen – mijn zus en ik noemden hem dus gewoon onze oom. Zijn dochters kenden we als onze nichten, al zijn ze biologisch gezien net zo goed onze halfzussen. Als je dat in een soort familiestamboom zou uittekenen, dan krijg je ongeveer dit:

Omdat het ook weer zo cru is om te doen alsof mijn tweede moeder helemaal geen ouder voor me is geweest, is dit verband aangeduid met een blauwe lijn

Volgende stap. Toen mijn zus en ik ongeveer vier jaar oud waren, scheidden onze moeders van elkaar. Een kleine tien jaar later kreeg mijn eigen moeder een relatie met een man, met wie we ook zouden samenwonen. Mijn stiefvader dus, die ook nog twee zoons had. En als je ook hen in de familiestamboom zou opnemen – want laten we wel zo consequent zijn – dan krijg je het volgende:

De rode lijn staat voor 'stiefouderschap'

En dan stap drie. Weer een aantal jaar later, niet lang nadat ik op mezelf was gaan wonen, overleed mijn moeder. Zij was de enige ouder die mij officieel als kind heeft erkend, waardoor ik een wees werd. Maar wel een wees met nog altijd meerdere pseudo-ouders. Kortom, van een hoog huis-tuin-en-keuken-gehalte kan je niet echt spreken.

Hoe dat is? Het hebben van een oomvader en twee nichtzussen heb ik op zich nooit zo gek gevonden – logisch als je bedenkt dat ik opgroeide met het idee dat dit de normaalste zaak van de wereld is. Verder is het nooit veel meer geweest dan een apart feitje, dat het prima doet op feesten en partijen.

Althans, totdat mijn moeder overleed. Toen begon mijn familiestamboom toch echt wat vreemder te worden. Het verliezen van een ouder is op zichzelf natuurlijk al iets ingrijpends, maar voor mijn gezinssamenstelling had dit het gevolg dat de enige echte kern wegviel, en ik tegelijkertijd nog altijd meerdere halve ouderlijke gezinnen had: mijn tweede moeder en haar dochter (mijn zus), mijn oom (vader) en tante met hun twee dochters (nichten, zussen), en mijn stiefvader en zijn zoons (stiefbroers).

Een geluk bij een ongeluk zou je kunnen zeggen, maar in eerste instantie was het ook nogal verwarrend, aangezien ik geen idee had wie ik nou tot mijn echte kerngezin moest rekenen. Toen ik voor de eerste keer na mijn moeders dood mijn verjaardag vierde, wilde ik het graag 'klein houden', maar uiteindelijk zaten er toch meer dan tien mensen aan tafel.

Zoals je eigenlijk nooit te veel vrienden kan hebben, kan je kerngezin ook nooit uit te veel mensen bestaan. Als dat door een toevallige samenloop van omstandigheden toch het geval is, gaan er vanzelf bepaalde lijntjes veranderen. De ene relatie wordt hechter, de andere misschien wat minder. En dat kan lastig zijn, aangezien je daarmee keuzes maakt voor bepaalde mensen, keuzes die je eigenlijk helemaal niet wil maken.

Zo ging het in ieder geval bij mij. Het lijntje met mijn oom en tante werd hechter en hechter, en inmiddels zijn zij min of meer mijn pleegouders geworden, mijn vervangend ouderlijk huis. De andere twee gezinnen zie ik ook nog wel geregeld, maar veel minder vaak. Wat niks ten nadele van hen is, maar blijkbaar heb ik met mijn oom en tante toch het meeste gemeen – dezelfde bloedband bijvoorbeeld. Op twee manieren.

Nog één aanpassing dan, nu echt de laatste keer. Groen betekent 'pleegouderschap'

Nu mijn oomvader ook mijn pleegvader is, zou ik hem pleegoomvader kunnen noemen, maar dat doe ik niet. Niet alleen omdat het lelijk en omslachtig klinkt, maar ook omdat het onnatuurlijk is om iemand die je je hele leven al 'oom' noemt, opeens anders aan te spreken, zelfs al is het in feite je vader. En eerlijk gezegd maakt dat ons geen van beiden echt veel uit. Ja, we maken nu alsnog deel uit van hetzelfde gezin, en ja, er is een bepaalde ouderlijke band, maar welke naam we er precies aan moeten geven – geen idee.

Een ouderlijke band? Ja, ergens toch ook weer wel. Soms herken ik iets van mijzelf in hem. We hebben allebei gevoetbald. Hij was – net als ik nu – jarenlang een verdediger, en we droegen allebei de aanvoerdersband. Ik kan me goed voorstellen dat we die taak op een soortgelijke manier hebben ingevuld – we zijn allebei vrij rustig en hoeven niet altijd het laatste woord te hebben, maar hebben wel een redelijk groot verantwoordelijkheidsgevoel en kunnen slecht tegen onrecht. En scoren doen we bijna nooit.

Maar ondanks dat ik soms overeenkomsten zie, blijft hij mijn oom. En op dezelfde manier noem ik mijn drie halfzussen ook niet per se 'halfzussen' – twee daarvan noem ik vooral mijn nichten, en de derde beschouw ik juist als een volle zus, puur omdat ik dat altijd al gedaan heb. Mijn (volle) zus en ik schelen precies een maandje, en toen we klein waren dachten mensen vaak zelfs dat we een tweeling waren. Ze moesten eens weten.

In werkelijkheid heb ik geen flauw idee hoe het is om een klassiek vader-moedergezin te hebben, maar daardoor kan ik het ook niet echt missen. Natuurlijk heb ik weleens geprobeerd om me er iets bij voor te stellen, maar dan kreeg ik een raar beeld in mijn hoofd waarbij mijn moeder zou moeten samenwonen met mijn oom, en dan haak ik al vrij snel weer af.

"De enige constante factor die ik in mijn gezinsleven heb gehad, is dat dit gezinsleven nooit constant is geweest"

Mis ik door al die verschuivingen niet een soort stabiliteit? Ergens misschien wel, want de enige constante factor die ik in mijn gezinsleven heb gehad, is dat dit gezinsleven nooit echt constant is geweest. Maar ironisch genoeg went ook die veranderlijkheid wel weer. En de vastigheid die ik verloor toen mijn moeder overleed, heb ik voor een gedeelte ook weer kunnen terugvinden in een nieuw pleeggezin.

Als je het positief bekijkt, zou je kunnen zeggen dat ik van deze chronische grilligheid zelfs wat heb opgestoken. Als kleuter speelde ik vaak in mijn eentje, en werd ik gediagnostiseerd met PDD-NOS – een restgroep van ontwikkelingsstoornissen, of autistische trekjes, zoals 'slecht tegen veranderingen kunnen.' Autistisch bleek ik uiteindelijk niet te zijn, maar wel honkvast. Jaren later is die honkvastheid er door al die veranderende gezinssituaties toch wel redelijk uitgeramd.

Of ik het ooit iemand heb kwalijk genomen dat ik op zo'n manier op de wereld ben gezet? Die vraag heb ik mezelf nog nooit eerder gesteld, en dat verraadt eigenlijk al het antwoord. Ik heb niet het idee dat ik iets belangrijks heb gemist in mijn ontwikkeling – niet meer dan wanneer ik in een conventioneel gezin zou zijn opgegroeid. En wat zou ik dan iemand überhaupt kwalijk moeten nemen – dat ik mijn vader heb moeten zien als mijn oom? Dat ik zonder echte vader ben opgegroeid, en altijd moest uitleggen dat ik twee mama's heb? Nooit een probleem mee gehad.

Al het andere dat bijdroeg aan de wat schizofrene familiestamboom van nu – de scheiding, mijn moeders nieuwe relatie, haar dood – zijn dingen die zo vaak gebeuren in een mensenleven. Het enige verschil in mijn situatie is eigenlijk dat het allemaal kort na elkaar gebeurde, en dat je dat natuurlijk nooit allemaal bedenkt wanneer je als ouder zo'n donorconstructie aangaat.

Ik kan het eigenlijk iedereen aanraden, zo'n pleegoomvaderschap. Moeten we er alleen wel een wat makkelijkere naam voor verzinnen.

Meer VICE
VICE-kanalen