Advertentie
Dit artikel is meer dan vijf jaar oud.
nieuws

Wat hebben westerse kledingmerken geleerd van de rampen in Aziatische textielfabrieken? (Spoiler: geen reet)

De term ‘corporate social responsibility’ is Engels voor ‘heel hard liegen over je betrokkenheid bij intimidatie, kinderarbeid en ondervoeding’.

door Claire van den Berg
12 juni 2013, 8:58am

Na de reeks misstanden in Aziatische textielfabrieken zou je denken dat westerse kledingmerken hun lesje wel hebben geleerd. Niet dus. Eind april was het weer raak toen in Bangladesh een enorm fabriekscomplex in elkaar stortte. De medewerkers die kleding naaiden voor merken als Mango, Gap en Primark zaten gevangen achter de tralies en konden geen kant op.

Niet alleen kwamen ruim 1.100 medewerkers om in het puin – het was daarmee de grootste textielramp ooit – het was ook nog eens het zoveelste incident op rij. Als de onbetwiste kiloknaller van de kledingindustrie zijn er in Bangladesh de afgelopen jaren al vele honderden arbeiders omgekomen. De houtje-touwtje-fabrieken zakken aan de lopende band in elkaar.

Toch blijven al deze kledingbedrijven volhouden dat ze lekker bezig zijn en het welzijn van hun fabrieksarbeiders hoog in het vaandel hebben staan. Zogenaamde ‘corporate social responsibility’-programma’s dienen te zorgen voor een onbevlekt, puntgaaf imago.

Het is tenenkrommend dat een aantal kledingmerken hun connectie met de Rana Plaza-fabriek systematisch bagatelliseren, of erger nog: compleet ontkennen. Tijd om de vuile was buiten te hangen.

Zo betoogde het Italiaanse kledingmerk Benetton dat het geen toeleveranciers had bij de desbetreffende fabriek, totdat de bewijslasten – in de vorm van kleding, contracten en andere documenten – zich maar bleven opstapelen. Het categorisch blijven ontkennen werd zo gênant dat Benetton verklaarde: “Het betrof een eenmalige order die weken daarvoor al geplaatst was. Wij werken enkel met leveranciers die voldoen aan onze hoge arbeids- en veiligheidseisen.”

De Amerikaanse retailgigant Wal-Mart, ook een gretige gebruiker van de fabriek, heeft zich structureel van de kwestie gedistantieerd door vol te houden dat “de gevonden documenten minstens een jaar oud zijn.” En dat terwijl het overduidelijk is dat ook zij kleding in deze fabriek lieten produceren, gezien de overvloed aan documenten die er zijn gevonden.

Dan The Children’s Palace, een Canadese outlet. De woordvoerder meende dat, “hoewel we het incident betreuren, de productie op die catastrofale dag reeds gestopt was daar.” Onzin, zo bleek toen The New York Times het klantenbestand van Rana Plaza doorliep. Retailreuzen Mango en Primark kwamen niet direct met smoesjes, maar betuigden snel – al dan niet als marketingtruc – hun medeleven.

Het is niet vreemd dat merken er alles aan doen om de waarheid niet naar buiten te laten komen. Ze moeten wel, als je nagaat dat hun hele werkwijze gestoeld is op efficiëntie, het laag houden van kosten en het fabriceren van hypergoedkope kleding. Als dat leidend is, dan worden ‘prijzige’ zaken als veiligheid en een eerlijke cao snel geëlimineerd.  

Actiegroepen waarschuwen al jaren voor de slechte werkomstandigheden in Bangladesh. Het land heeft de twijfelachtige eer de laagste lonen ter wereld te hebben. Intimidatie, kinderarbeid en ondervoeding op de werkvloer zijn aan de orde van de dag.

Het land leeft op de textielindustrie: na China is Bangladesh de grootste exporteur van kleding in de wereld. Met ruim 3,2 miljoen Bengalen die stelselmatig uitgemolken worden, zijn er regelmatig stakingen die door een speciaal opgerichte politie-eenheid, de beruchte Industriële Politie, bloedig de kop in worden gedrukt.

Toch zijn er een paar lichtpuntjes. Zo hebben onder andere Mango, Zara, H&M, Nike, G-Star en C&A het recentelijk opgestelde Veiligheidsakkoord ondertekend. Deze overeenkomst bepleit niet alleen onafhankelijke controle en verplichte verbeteringen in Bengalese fabrieken: ook de werkwijze in deze fabrieken moet volledig inzichtelijk zijn. Daarnaast wordt het de wettelijke plicht van deze merken om te zorgen dat de fabrieken werkelijk brandveilig zijn.

Alleen Calvin Klein en Tommy Hilfiger zetten zonder morren hun handtekening. Bedrijven als Wal-Mart en Gap, maar ook HEMA, Zeeman, Action en Wibra weigeren de deal te ondertekenen. Zij menen zelf al genoeg procedures te hebben die de veiligheid garanderen.

Het valt dan ook te bezien of deze overeenkomst werkelijk voor verandering gaat zorgen. Zo is bij eerdere fabrieken die afbrandden, waarbij men het ook al niet zo nauw nam met de veiligheidsvoorschriften, al eens financiële compensatie aan de nabestaanden en slachtoffers toegezegd. Geld waar verreweg de meesten van hen naar hebben kunnen fluiten.

Zolang merken zo veel mogelijk kleding voor dumpprijzen willen verkopen, verandert er natuurlijk niks. Maar zo lang wij, de consumenten, het normaal vinden om een t-shirt te kopen voor de prijs van een Happy Meal, zal er nóg minder veranderen.

Tagged:
Bangladesh
kleding
Vice Blog
Rampen
Fabrieken
Instortingsgevaar
textielfabrieken