Dit artikel is meer dan vijf jaar oud.
The Wall Street Issue

De gevaarlijke banden van een Panamees advocatenkantoor met oligarchen, witwassers en dictators

Als lege vennootschappen de vluchtauto's van bankrovers zijn, dan is Mossack Fonseca misschien wel de schimmigste autohandelaar ter wereld.

door Ken Silverstein
15 december 2014, 12:58pm

Illustraties door Ole Tillmann

Dit artikel verscheen eerder in het Wall Street Issue van ons magazine.

Een voordeel van zogenaamd lege vennootschappen is dat het geld dat erin wordt gestopt niet herleid kan worden naar de eigenaar. Stel: je bent een dictator die geld door wil sluizen naar terroristen, smeergeld aan wil nemen of de nationale schatkist wil plunderen. Een leeg vennootschap is dan een nepbedrijf waar je geld kunt stallen en doorsluizen zonder dat internationale wethandhavingsinstanties of belastingdiensten weten dat het van jou is. Als geld eenmaal is aangemerkt als bezit van het bedrijf – dat meestal wordt opgericht door een advocaat of handlanger in een buitenlands belastingparadijs, zodat het nog moeilijker is om de eigenaar te traceren – kun je het gewoon uitgeven of gebruiken voor criminele praktijken. Lege vennootschappen maken het mogelijk om zwart geld met allerlei administratieve trucjes wit te wassen. Keith Prager, voormalig rechercheur van de Amerikaanse douane, noemde de nepbedrijven daarom "vluchtauto's voor bankrovers".

Soms lukt het internationale onderzoekers wel om de geldstromen te volgen. Neem bijvoorbeeld het geval van Rami Makhlouf, de rijkste en machtigste zakenman van Syrië. Hij wordt ervan verdacht dat hij de 'bag man' – iemand die de plunderbuit verzamelt en beheert – van president Bashar al-Assad is, de man die de afgelopen drie jaar medeverantwoordelijk was voor de dood van meer dan tweehonderdduizend Syrische burgers. Assad daargelaten zijn er in Syrië weinig mensen die meer gehaat worden dan Makhlouf. Hij is de neef van de president en de broer van het hoofd van de Syrische inlichtingendienst. Met die connecties heeft hij een zakennetwerk opgebouwd dat zich bezighoudt met telecommunicatie, energielevering en bankzaken, waardoor hij op zijn veertigste al een fortuin had verzameld dat volgens schattingen in de miljarden loopt. Toen in 2011 de opstand tegen het regime losbarstte, staken demonstranten een vestiging van zijn telefoniebedrijf in brand terwijl ze scandeerden: "Makhlouf is een dief!"

In 2006 schreef het Britse tijdschrift New Statesmen dat "geen enkel buitenlands bedrijf zaken kan doen in Syrië zonder de goedkeuring en bemoeienis van Makhlouf." Een geheime notule uit 2011 van de Amerikaanse ambassade in Damascus, naar buiten gebracht door WikiLeaks, beschrijft hem als "het gezicht van de corruptie in Syrië." In datzelfde jaar verbood het Amerikaanse ministerie van Financiën Amerikaanse bedrijven om zaken te doen met Makhlouf. De verklaring was dat hij "zijn commerciële imperium heeft opgebouwd door zijn banden met leden van het Syrische regime uit te buiten" en dat hij "agenten van de Syrische inlichtingendienst gebruikte om zijn concurrenten te intimideren."

Toen de Syrische burgeroorlog losbarstte en de nationale veiligheidsdiensten de tegenstanders van Assad neer begonnen te maaien, plaatsten de Verenigde Staten en de Europese Unie Makhlouf op een lijst van regimehandlangers wiens internationale bezittingen getraceerd en in beslag genomen moesten worden. Dit omdat hij, zoals het Amerikaanse ministerie van Financiën stelde, rijk was geworden door mensen om te kopen en "de openlijke corruptie van Syrische regimeleden te steunen."

Als Makhlouf een bankrover is, dan is zijn vluchtauto het bedrijf Drex Technologies SA. In juli 2012 identificeerde het Amerikaanse ministerie van Financiën het nepbedrijf Drex – met een adres op de Britse Maagdeneilanden – als het bedrijf dat Makhlouf in het geheim bezat en gebruikte "om zijn internationale financiële holdings te beheren en faciliteren." Met andere woorden: stel dat Makhlouf bij een zakendeal met een corrupte Syrische ambtenaar een paar miljoen had verduisterd, dan zou hij dat niet op zijn eigen bankrekening storten, maar doorsluizen via Drex zodat het geld niet met hem in verband kan worden gebracht.

In oktober kreeg ik van het bedrijfsregistratiebureau van de Britse Maagdeneilanden een aantal documenten over Drex. Daar stond weinig in, Makhloufs naam komt er bijvoorbeeld niet in voor. Als de Syrische burgeroorlog er niet voor had gezorgd dat de internationale recherche de bezittingen van Makhlouf en andere leden van Assads regime getraceerd en bevroren had, dan had het Amerikaanse ministerie van Financiën nooit ontdekt dat hij eigenaar, bestuursvoorzitter en aandeelhouder van het bedrijf was. Tegen de tijd dat het ministerie daarachter kwam, was het al te laat: Makhloufs bedrijf was verdwenen uit het archief van het bedrijfsregistratiebureau van de Britse Maagdeneilanden. Drex Technologies SA was de vluchtauto die zijn schaduwactiviteiten mogelijk maakte. Voordat dat ontdekt werd, had hij genoeg tijd om zijn zaken en bezittingen naar een andere eilandengroep met soepele belastingwetten te verhuizen.

Maar hoe kunnen deze nepbedrijven bestaan? Om zaken te kunnen doen, moeten lege vennootschappen als Drex een geregistreerd tussenpersoon hebben (soms een advocaat) die de benodigde papieren indient en wiens kantoor meestal als het vestigingsadres van het bedrijf fungeert. Dat creëert een extra schakel tussen de lege vennootschap en de eigenaar, vooral als het bedrijf geregistreerd is in een belastingparadijs waar eigenaarsinformatie afgeschermd wordt door een ondoordringbare muur van geheimhoudingswetten. In het geval van Makhlouf – en, zo ontdekte ik, in het geval van een aantal andere corrupte zakenlieden en internationale gangsters – was het bedrijf dat zijn lege vennootschap registreerde een advocatenkantoor dat Mossack Fonseca heet.

Het advocatenkantoor – dat van 4 juli 2000 tot eind 2011 de geregistreerde tussenpersoon van Drex was – werd in 1977 in Panama opgericht door de Duitser Jurgen Mossack en de Panamees Ramón Fonseca, die vicevoorzitter was van de Panamese regeringspartij. Later kwam er een derde directeur bij: de Zwitserse advocaat Christoph Zollinger. Sinds de jaren zeventig heeft het bedrijf zijn activiteiten steeds verder uitgebreid. Tegenwoordig werken ze samen met gelieerde kantoren in 44 landen, waaronder de Bahama's, Cyprus, Hongkong, Zwitserland, Brazilië, Luxemburg en de Britse Maagdeneilanden, en in de Amerikaanse Staten Wyoming, Florida en Nevada.

Mossack Fonseca is natuurlijk niet het enige bedrijf dat lege vennootschappen opzet voor de allergrootste dieven en belastingontduikers. Wereldwijd is er een groot aantal concurrerende bedrijven. Veel daarvan registreren vennootschappen die net zo schimmig zijn als Drex. Neem bijvoorbeeld de zaak van Viktor Bout, die in de jaren negentig wapens aan de taliban leverde via een vennootschap dat in Delaware was geregistreerd. En in 2010 bekende ene Khalid Ouazzani schuld aan het doorsluizen van geld voor al-Qaida, via het bedrijf Truman Used Auto Parts uit Kansas City in Missouri.

In verschillende nieuwsberichten en internationale onderzoeken werd Mossack Fonseca al bestempeld als een van de grootste oprichters van lege vennootschappen ter wereld. Tot nu toe heeft het bedrijf echter een arsenaal aan wettelijke en administratieve trucjes gebruikt om niet gesnapt te worden. (Het bedrijf zelf sprak dit tegen en stelde in een e-mail dat "er geen rechts- of overheidsdocumenten zijn die Mossack Fonseca hebben geïdentificeerd als de oprichter van 'lege' bedrijven. De claim dat onze groep gelieerd is aan criminele activiteiten is ongefundeerd, in zoverre dat wij niet op de hoogte zijn van het bestaan van enige gerechtelijke actie tegen ons bedrijf... tot nu toe.")

Maar een jaar onderzoek wijst uit dat Mossack Fonseca – door The Economist beschreven als een opvallend "onspraakzame" leider op het gebied van offshore-finance – wel degelijk als geregistreerd tussenpersoon heeft gefungeerd voor nepbedrijven die gelinkt zijn aan beruchte gangsters en dieven, waaronder handlangers van Moammar Gaddafi en Robert Mugabe, een Israëlische miljardair die een van de armste landen van Afrika heeft geplunderd en de oligarch Lázaro Báez, die volgens Amerikaanse rechtbankdossiers en verslagen van een federaal aanklager in Argentinië ervan wordt verdacht dat hij miljoenen heeft witgewassen met een netwerk van lege vennootschappen, waarvan een aantal met hulp van Mossack Fonseca in Las Vegas geregistreerd was.

Verschillende documenten en interviews die ik afnam tonen aan dat Mossack Fonseca maar al te graag cliënten helpt om zogenaamde 'shelf companies' te kopen, de vintagewijnen van de witwaswereld. Gehaat door wethandhavers en geliefd onder boeven, omdat ze voor verkoop jarenlang 'gerijpt' zijn, waardoor het gevestigde bedrijven met een onberispelijke geschiedenis lijken. Een internationale assetmanager die met Mossack Fonseca over mogelijke zakendeals praatte, vertelde me dat het bedrijf hem voor een ton een vijftig jaar oud nepbedrijf aanbood.

Als lege vennootschappen de vluchtauto's van bankrovers zijn, dan is Mossack Fonseca misschien wel de schimmigste autohandelaar ter wereld.

Afgelopen maart vloog ik naar Panama-Stad, waar het hoofdkwartier van Mossack Fonseca zit. Victor, een lokale journalist, reed me rond door de stad. We kwamen langs de groene golfbanen en villa's in de oude Canal Zone, de aftandse flats in El Chorrillo en het woud van wolkenkrabbers in het zakendistrict. Panama maakte zich op voor de nationale verkiezingen en op iedere telefoonpaal of muur hingen campagneposters. Victor leverde al rijdend commentaar op alles wat we zagen. "Die gast is een eikel," zei hij, terwijl hij langs een billboard van een parlementskandidaat reed die volgens hem banden met de lokale drugshandel had. "Nou ja, het zijn allemaal eikels. Maar hij is écht een eikel."

Panama wordt al meer dan een eeuw door eikels gerund. In 1903 richtte de regering van Theodore Roosevelt het land op, nadat Colombia was overgehaald om de toenmalige provincie Panama af te staan. Roosevelt handelde namens verschillende banken, waaronder J.P. Morgan & Co, die benoemd werden tot de officiële 'fiscale agent' van het land en de tien miljoen dollar aan hulpgelden van de Verenigde Staten mochten beheren.

De Amerikaanse banken hielpen Panama een financieel centrum te worden. Nadat de overheid in de jaren zeventig een aantal van de strikste financiële geheimhoudingwetten ter wereld invoerde, groeide het land uit tot een belasting- en witwasparadijs. Waarschijnlijk was dat de reden dat Mossack Fonseca zich hier in 1977 vestigde. De geheimhoudingswetten waarborgden niet alleen de anonimiteit van investeerders; ze maakten het ook illegaal voor banken om wat voor informatie dan ook over hun klanten vrij te geven, tenzij dit door een rechtbank bevolen werd in een zaak die met terrorisme, drugshandel of andere serieuze overtredingen te maken had (belastingontduiking hoorde daar niet bij). De wetten trokken een lange stoet aan zwendelaars, dieven en dictators – waaronder Ferdinand Marcos, 'Baby Doc' Duvalier en Augusto Pinochet – die Panama gebruikten om hun gestolen buit te verstoppen.

Toen Manuel Noriega, commandant van de Panamese defensiemacht FDP, in 1983 de macht greep, nationaliseerde hij de witwaspraktijken door zakenpartner te worden van het Medellín-kartel en hen vrij spel te geven in het land. Noriega steunde meestal het buitenlandbeleid van de Amerikanen en werd jarenlang door de CIA betaald, maar de Verenigde Staten verloren hun geduld toen hij Amerikaanse pogingen tot het omverwerpen van de linkse Sandinistische overheid in buurland Nicaragua belemmerde. Mede daardoor viel Amerika in 1989 Panama binnen en werd Noriega afgezet, waarna de macht werd teruggegeven aan de oude bankierselite, de erfgenamen van de J.P. Morgan-nalatenschap.

De overheid van de nieuwe president Guillermo Endara, een advocaat die een paar uur nadat op 20 december 1989 de invasie begon op een Amerikaanse legerbasis werd beëdigd, gaf een vriendelijker en zachter gezicht aan het land. Maar sindsdien hebben zowel Endara als zijn democratisch gekozen opvolgers weinig gedaan om de meest in het oog springende problemen van het land op te lossen: corruptie en armoede.

Een recent rapport van de Amerikaanse overheid stelde dat Panama "geplaagd" wordt door fraude en internationale belastingontduiking, wat "grote bronnen van illegale inkomsten" zijn. De Panamese financiële wetten zijn nog steeds opmerkelijk soepel. Buitenlandse bedrijven brengen zonder belasting te betalen onbeperkte hoeveelheden geld het land binnen. Volgens een rapport van het Internationaal Monetair Fonds heeft Panama maar één van de veertig aanbevolen regels om witwassen en het financieren van terrorisme tegen te gaan ingevoerd. In september meldde de New York Times dat handlangers van president Poetin via nepbedrijven in Panama geld uit Rusland hadden gesmokkeld. "Als het om witwassen gaat, bieden wij de volledige service: spoelen, wassen en drogen," zegt Miguel Antonio Bernal, een prominente lokale advocaat en politiek analist. "Je kunt naar elk advocatenkantoor in de stad gaan, van het kleinste kantoortje tot het allergrootste bureau, en zonder dat iemand iets vraagt een lege vennootschap oprichten."

In Panama-Stad verbleef ik in een enorme suite op de zestiende verdieping van het Waldorf Astoria Hotel, een glinsterende toren met panoramauitzicht over de baai. Ik had mijn aankomst zo gepland dat ik tegelijk in het hotel verbleef met ongeveer zeventig internationale financieel adviseurs die de allerrijksten tot hun klanten kunnen rekenen – mensen met een hoge nettowaarde, om het in zakentermen te zeggen. Ze waren in het hotel voor een tweedaagse conferentie en ik was erachter gekomen dat een van de sprekers Ramses Owens was, een advocaat en financieel expert die voor Mossack Fonseca had gewerkt.

's Ochtends werd ik wakker en tilde mijn hoofd op van het donzen verenkussen op mijn kingsize bed, sloeg het zware laken met een threadcount van 300 van me af, kleedde me aan en pakte de lift naar de conferentiezaal beneden, de Diamond Ballroom van het hotel. Hoewel het een besloten bijeenkomst was, kon ik hier en daar wat afluisteren en kreeg ik een lijst van de deelnemers en een programma van de praatjes en presentaties. Aan tafels met karaffen water en vazen vol bloemen zaten voornamelijk mannen met grijzend haar en uitdijende buiken, gekleed in donkere wollen pakken die je op de broeierige straten van Panama-Stad direct een zonnesteek zouden bezorgen, maar precies goed waren in de Diamond Ballroom, die gekoeld werd tot ongeveer 18 graden. Dit waren belastingadvocaten, accountants, bankiers en fondsbeheerders. Ze zaten in rijen naar een klein podium gericht met daarop een spreekstoel en een scherm voor powerpointpresentaties.

Ongeveer de helft van de aanwezigen was Panamees, een kwart was ingevlogen vanuit de Verenigde Staten, Europa en Zuid-Amerika, en nog eens een kwart kwam uit traditionele offshore-locaties als de Turks- en Caicoseilanden, de Bahama's, St. Lucia en Belize. Dit waren "echt kwaadaardige mensen", zo had Jack Blum, een voormalig onderzoeker van de Amerikaanse Senaat en een in witwassen gespecialiseerde advocaat uit Washington, me verteld voordat ik was vertrokken. "En ze willen leren hoe ze nog slechtere mensen kunnen worden."

Ik zie dat je de Remi aan het uithangen bent," zei Edward Brendan Lynch, een in de Bahama's gevestigde financieel adviseur, tijdens een pauze tussen de praatjes. Ik zat aan de bar de aanwezigen te bespioneren en hij wachtte op zijn whisky on the rocks. "Waar kom je vandaan?" Toen ik hem vertelde dat ik uit Washington D.C. kom, zei Lynch dat hij daar jaren geleden wel eens was geweest. "Ik heb daar de kersenbloesems gezien," herinnerde hij zich. "Lunch bij de Jockey Club. Mooie tent." Terug in de Diamond Ballroom stapte Ramses Owens het podium op. Hij was onberispelijk gekleed, zijn haar perfect geknipt en in een scheiding gekamd; hij was de belichaming van de banaliteit van het moderne financiële kwaad. Owens, die in het programmaboekje beschreven stond als een meester in 'belastingplanning', grapte tegen het publiek dat hij zijn werk tegenover klanten liever beschreef als 'bezittingsoptimalisatie'.

Toen hij bij Mossack Fonseca werkte, maakte Owens gebruik van zijn expertise in het opzetten van vennootschappen op het Polynesische eiland Niue. In 1996 kreeg het bedrijf de exclusieve rechten om lege vennootschappen op te zetten op het eiland. Binnen vier jaar waren er meer dan zesduizend lege vennootschappen geregistreerd, waarvan sommige volgens internationale onderzoeken en nieuwsberichten eigendom waren van Oost-Europese misdaadsyndicaten en internationale drugkartels. Deze ontdekking leidde in 2001 tot het instellen van internationale sancties die het eiland dwongen om zijn bedrijfsregistratiebureau op te doeken. Mossack Fonseca probeerde de pijn voor zijn klanten te verzachten door hun rekeningen en bezittingen van Niue naar andere belastingparadijzen over te hevelen, zoals Samoa en – zo bleek later uit documenten die Mossack Fonesca van de rechter moest overdragen – Nevada. (Er is echter geen bewijs dat de bedrijven die ze verhuisden betrokken waren bij criminele activiteiten, hoewel de identiteiten van de eigenaren van die bedrijven nog steeds onbekend zijn.)

De strenge aanpak van Niue was onderdeel van een bredere internationale inspanning van de Verenigde Staten, Engeland en andere westerse landen. De acties werden in eerste instantie gedreven door zorgen over terrorisme en georganiseerde misdaad, maar hebben een nieuwe impuls gekregen door groeiende begrotingstekorten, die voor een significant deel worden veroorzaakt door wijdverbreide belastingontduiking. Volgens schattingen hebben alleen Amerikanen al meer dan een biljoen dollar ondergebracht in buitenlandse belastingparadijzen, waardoor de Amerikaanse belastingdienst jaarlijks meer dan honderd miljard misloopt. In 2010 nam de Amerikaanse overheid de Foreign Account Tax Compliance Act aan, nadat het Zwitserse UBS een boete van 780 miljoen dollar was opgelegd voor het helpen van Amerikaanse rekeninghouders om hun bezittingen te verbergen voor de belastingdienst. (In één zaak had een bankier van UBS voor een klant diamanten over de grens gesmokkeld in een tandpastatube). De FATCA, die op dit moment stapsgewijs wordt ingevoerd, vereist nu al dat buitenlandse banken de Amerikaanse belastingdienst op de hoogte stellen van rekeningen die op naam staan van Amerikaanse belastingbetalers.

De aanwezigen in de Diamond Ballroom maakten zich uiteraard zorgen over de FATCA. Marie Fucci, een financieel adviseur met zowel Amerikaanse als Europese cliënten, noemde de wet een vorm van financiële "apartheid" – maar Owens probeerde de conferentiegangers gerust te stellen. Terwijl hij powerpointslides met plaatjes van bankkluizen, stapels briefgeld en andere financiële porno liet zijn, somde Owens verschillende manieren op om onder die irritante internationale regels uit te komen. De FATCA, zo verzekerde hij, zou het offshore-systeem niet onderuit halen, en zeker niet in Panama, waar advocaten en accountants machtige politieke bondgenoten hebben (zoals de minister van Financiën van het land, die ook een lezing gaf op het evenement). Owens schatte dat negen van de tien bedrijven die in Panama geregistreerd zijn een buitenlandse eigenaar hebben, en zei dat Panamese private stichtingen – een lokale creatie die in de offshore-wereld net zo geliefd is als traditionele favorieten zoals de Zwitserse bankrekening – nog steeds anoniem geld konden beheren, zelfs als de FATCA volledig geïmplementeerd is. De bankiers en adviseurs in het publiek knikten goedkeurend.

De ochtend na Owens speech ging ik op weg naar het kantoor van Mossack Fonseca. Ik verwachtte niet dat ik iemand van de firma zou kunnen spreken, aangezien ik al meerdere keren had geprobeerd een afspraak te maken maar steeds beleefd maar beslist werd afgewezen. "We hebben besloten niet deel te nemen aan dit interview," schreef woordvoerder Lexa de Wittgreen me in een afwimpelmailtje, wat in ieder geval laat zien dat Mossack Fonseca grondige achtergrondchecks doet – niet bij hun klanten, maar wel als het om journalisten gaat.

Ik had alleen een gratis kaart van het hotel en verdwaalde al snel in het drukke zakendistrict van Panama-Stad, een soort miniatuurversie van Hongkong maar dan in tropische kleuren. Terwijl ik om me heen keek op zoek naar een straatnaambordje, zag ik een jonge man in een donkere broek en een groen gestreept overhemd uit een kantoorgebouw van Edificio Omega komen en de bestuurdersdeur van een zwarte Mitsubishi Sportero openen. "Het is best ver weg," zei hij in foutloos Engels toen ik hem vroeg naar het kantoor van Mossack Fonseca. "Heb je daar een afspraak? Want ik doe hetzelfde soort werk en kan je misschien wel helpen." Hij haalde een visitekaartje tevoorschijn, gaf het aan me en glimlachte van oor tot oor. Hij bleek toevallig Alejandro Watson Jr. van Owens & Watson te zijn, waar Ramses Owens partner is. "Ik werk daar," zei hij, terwijl hij naar de tweede verdieping van het gebouw wees. "Ik heb nu een afspraak maar ik kan later op de dag met je afspreken, of ik kan je nu mee naar binnen nemen en aan een van mijn collega's voorstellen."

Voor mijn reis had ik overwogen om contact op te nemen met een lokaal advocatenkantoor om te zien hoe makkelijk het zou zijn om een lege vennootschap op te richten. Dit was een te perfecte kans om te laten liggen. "Ik ben hier een paar dagen om naar vastgoed te kijken" loog ik, terwijl auto's toeterend voorbij raasden. "Ik moet hier een bedrijf opzetten om de aankoop te kunnen doen. Wat zou ik daarvoor nodig hebben?" "Het enige wat ik nodig heb is een paspoort, een rijbewijs, iets waar je adres op staat en een referentiebrief van een bank, welke bank dan ook," zei Watson. "We hoeven verder niet veel te weten over jouw bedrijf. We willen je alleen maar helpen om zaken te doen, zodat we kunnen blijven samenwerken." "Komt mijn naam op de papieren te staan?" vroeg ik. Ik dacht dat mijn directheid hem misschien zou afschrikken – het was tenslotte de belofte van anonimiteit die al die schimmige figuren naar Niue had getrokken toen Watsons huidige baas nog voor Mossack Fonseca werkte. Maar hij bleef net zo vrolijk en vriendelijk als een ijscoman die softijsjes verkoopt aan buurtkinderen. "Jij hebt een FATCA-probleem," zei Watson met een glimlach en een begripvolle blik. "Daar komen we wel uit. Ik raad je aan om een fonds op te zetten, want dat kan juridisch gezien eigendom zijn van iemand anders."

Ik vroeg of ik een bankrekening zou kunnen openen voor mijn lege vennootschap, zodat ik toegang tot mijn geld zou hebben. Het heeft tenslotte geen zin om geld ergens op een eiland te verstoppen als je het niet uit kunt geven. "Absoluut," zei Watson enthousiast. Hij dook de Sportero in en pakte een brochure van een stapel die tussen de twee voorstoelen lag. "We hebben een wereldwijd banknetwerk," zei hij, en toonde een pagina waarop tientallen financiële bedrijven stonden waarmee zijn firma samenwerkt. Het netwerk omvatte kleine banken in Panama, de Kaaimaneilanden, Monaco en Andorra, maar ook grote namen als HSBC en de diamantsmokkelaars van UBS.

Een rapport van een comité van de Amerikaanse senaat beschreef eerstgenoemde als een belangrijk doorgeefluik voor "drugbaronnen en schurkenstaten." Vorig jaar ging de bank akkoord met een schikking van 1,92 miljard dollar met het Amerikaanse ministerie van Justitie, nadat bekend was geworden dat het Colombiaanse en Mexicaanse kartels had geholpen om miljoenen wit te wassen via lege vennootschappen. De lijst van banken zag er veelbelovend uit, als ik echt een schurk was geweest die een plek zocht om zijn geld te verstoppen voor de belastingdienst of de politie.

Het hele proces zou maar een paar dagen duren, zei Watson, en de kosten ervan waren verwaarloosbaar: ongeveer twaalfhonderd dollar om mijn vennootschap te registreren, driehonderd dollar om de overheidstarieven te betalen en een paar honderd dollar voor Owens & Watson om bestuurders aan te stellen, als dat nodig was. Als ik een shelf-vennootschap wilde kopen, de gerijpte versie, dan zou dat nog een beetje extra kosten. "En mijn naam komt nergens op de papieren te staan, toch?" vroeg ik. "Nee, nee, nee," zei Watson. "Dat is geen probleem."

Kort na mijn gesprek met Watson vond ik het kantoor van Mossack Fonseca, op de bovenste drie verdiepingen van een gebouw waarin op de begane grond ook een tandarts is gevestigd. Ik hoopte er in ieder geval even binnen te kunnen kijken maar liet dat idee varen toen ik een bewaker bij de ingang zag staan, met een lijst van alle bezoekers. Laat ik dan in ieder geval een foto van het kantoor nemen, dacht ik. Maar het gebouw van Mossack Fonseca wordt blijkbaar net zo goed bewaakt als de identiteit van zijn klanten. "Hij is een foto aan het maken!" riep een vrouw die net het gebouw binnenkwam toen ze zag dat ik mijn iPhone omhoog hield. Ze riep nog een keer en wees naar me. "Hij is een foto aan het maken!"

Hierna besloot ik het maar in Las Vegas te proberen. Mossack Fonseca beschrijft Nevada als "een van de beste jurisdicties" in de Verenigde Staten om een bedrijf op te zetten, vanwege de "veelzijdigheid, lage kosten en snelle service" van de staat. Een prima plek voor Mossack Fonseca om zaken te doen dus, omdat Amerika volgens de researchgroep Global Financial Integrity na Kenia het makkelijkste land is om een nepbedrijf op te zetten. Boeven registreren hier ook graag bedrijven omdat een Amerikaans adres hen de schijn van fatsoenlijkheid geeft die de aandacht afleidt van hun criminele activiteiten, zo vertelde Heather Lowe van Global Financial Integrity me.

Sinds Mossack Fonseca meer dan tien jaar geleden zijn diensten aan begon te bieden in de staat, heeft het een lokale firma genaamd MF Corporate Services gebruikt om meer dan duizend bedrijven te registreren. Het grootste deel daarvan wordt gemanaged vanuit locaties als Geneve, Bangkok, en de Britse Maagdeneilanden. In Nevada zijn de enige namen die op de openbare documenten van een lege vennootschap moeten staan die van een plaatselijke tussenpersoon en van een "manager" – maar geen van die twee hoeft een persoon te zijn. De plaatselijke tussenpersoon is meestal een bedrijf dat de lege vennootschap registreert en de manager kan weer een ander anoniem bedrijf zijn. Dat maakt het vrijwel onmogelijk om erachter te komen wie de echte eigenaar van een vennootschap in Nevada is, tenzij de rechtbank dwingt tot openbaarmaking.

Officieel is MF Corporate Services onafhankelijk van Mossack Fonseca. Maar in de praktijk tonen rechtspapieren, registratiedocumenten en andere vertrouwelijke bestanden aan dat het fungeert als een lokale vestiging van Mossack Fonseca, en dat de belangrijkste werknemers rechtstreeks rapporteren aan Panama-Stad. Dit soort afbakeningstechnieken worden door veel grote bedrijven die lege vennootschappen opzetten gebruikt, omdat ze ervoor zorgen dat het moederbedrijf juridisch gezien niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de dingen die zijn lokale kantoren doen. Het heeft wel iets weg van de manier waarop grote winkelketens allerlei tussenpersonen gebruiken om hun fabrieken te managen, waardoor ze niet direct met de sweatshops in verband gebracht kunnen worden.

"Dit zijn naadloze, verticaal geïntegreerde topdownorganisaties, tot het moment dat er een agent of onderzoeker voor de deur staat," zegt Jack Blum, de witwasexpert. "Zodra er een onderzoek gestart wordt, vallen ze uiteen in losstaande entiteiten en zweert iedereen dat hij niets weet over de andere schakels in het systeem. Het is net een legpuzzel die compleet is, maar opeens in honderden stukjes uiteenvalt zodra iemand er eens goed naar kijkt." Dat is inderdaad precies hoe Mossack Fonseca antwoordde op vragen over schimmige activiteiten in Las Vegas. Hoewel het onmogelijk is om precies te achterhalen wie er achter het merendeel van Mossack Fonseca's nepbedrijven zit, geven een lopend misdaadonderzoek in Argentinië en een gerelateerde zaak die voor de districtsrechtbank van Nevada verscheen wel een idee.

Volgens de documenten van de onderzoeken is de oligarch Lázaro Báez de stiekeme eigenaar van meer dan honderd nepbedrijven die Mossack Fonseca oprichtte in Nevada. Alle bedrijven werden volgens de aanklagers beheerd door Aldyne Ltd., een anoniem bedrijf dat Mossack Fonseca op de Seychellen registreerde. (Mossack Fonseca is nog niet beschuldigd van een strafbaar feit in Argentinië of Nevada, maar een van zijn werknemers is wel opgeroepen door de rechtbank in Las Vegas, en de districtsrechtbank heeft het bedrijf bevolen om alle documenten die te maken hebben met de Báez-bedrijven vrij te geven – een bevel waar het bedrijf nog niet volledig gehoor aan heeft gegeven.)

Báez is een voormalig bankbediende die een groot zakenimperium opbouwde door middel van connecties die hij kreeg via zijn goede vrienden Cristina en Néstor Kirchner (de huidige en voormalige president van Argentinië) en hun politieke bondgenoten in zijn provincie, zo valt in verschillende nieuwsberichten te lezen. Báez was er zo kapot van dat zijn beschermheer Néstor in 2010 stierf, dat hij een mausoleum van drie verdiepingen voor hem liet bouwen. Volgens de aanklagers waren de nepbedrijven in Nevada onderdeel van een netwerk dat Báez gebruikte om meer dan 65 miljoen dollar – bestemd voor openbare-infrastructuurprojecten – te verduisteren.

De bedrijven die nu in verband worden gebracht met Báez werden geregistreerd door MF Corporate Service, wiens assistent-manager Patricia Amunategui volgens een bron die dichtbij het bedrijf staat door Mossack Fonseca gevraagd werd om ook op te treden als secretaris van Aldyne Ltd. Toen ik ze vroeg naar de illegale activiteiten van bedrijven van vroegere cliënten, antwoordde Mossack Fonseca in een e-mail dat "geregistreerde tussenpersonen niet aansprakelijk zijn voor de zakentransacties of andere acties van het bedrijf dat zij registreren."

Amunategui komt uit Chili, werkte voorheen als cocktailserveerster in een casino, houdt (afgaand op haar facebookpagina) van yoga, spiritualiteit en wandelen, en bewondert de Dalai Lama, de Tea Party, en de Chileense dictator Augusto Pinochet. Volgens haar heeft MF Corporate Services "geen enkele relatie met Lázaro Báez, en ook nooit gehad." Ook claimt ze niet in dienst te zijn bij Mossack Fonseca, hoewel ze een paar jaar geleden met een wervende quote in de catalogus van de Universiteit van Nevada stond. Nadat ze haar diploma als juridisch medewerker haalde, kreeg ze "een geweldige baan als vicepresident van Mossack Fonseca," zo viel er te lezen. (Ze stelt dat ze verkeerd geciteerd werd.) Amunategui was degene die ik het meest hoopte te ontmoeten toen ik begin november naar Las Vegas vloog.

"Je auto staat in vak B-15," zei de jonge vrouw van Avis Autoverhuur nadat ik op McCarran International Airport was geland. "B als in bordeel." Haar gezicht was uitdrukkingloos, waardoor ik niet zeker wist of het een belediging was of niet. Maar ik was al de hele dag onderweg vanuit Washington en had twee lange vluchten achter de rug, dus het maakte me allemaal niet zoveel meer uit. Ik was blij dat ik eindelijk op McCarran geland was, ook al is het vliegveld vernoemd naar Pat McCarran, de antisemitische en racistische politicus waar het personage van de corrupte senator in The Godfather II op gebaseerd is.

In 2001 overwoog Nevada om een wetsvoorstel aan te nemen dat bedrijven, door ze te beschermen tegen openbarings- en aansprakelijkheidswetten, zou aanmoedigen zich in de staat te vestigen. "We kunnen net zo goed een banner ophangen waarop staat: Slechteriken en afzetters zijn hier van harte welkom," zei de toenmalige senator Dina Titus tijdens een debat over het wetsvoorstel. Voorstanders stelden dat het broodnodige extra inkomsten kon opleveren voor de staat. Titus, die nu lid is van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, stemde overigens toch vóór het wetsvoorstel, en haar voorspelling kwam uit. Binnen een paar jaar werd Nevada het hoofdkwartier van piramidespelen, oplichters, zwendelaars, en belastingontduikers.

Daarbij hoorden onder meer Donald McGhan, die in 2009 een straf van tien jaar kreeg omdat hij investeerders voor bijna honderd miljoen oplichtte met een vastgoedonderneming die Southwest Exchange heette, en de defensieaannemer Mitchell Wade, die een vennootschap in Nevada gebruikte om smeergeld aan het toenmalige congreslid Randy Cunningham te betalen. (De twee waren gedoemd vanaf het moment dat Cunningham tijdens een lunch op zijn eigen briefpapier een overzicht tekende van alle omkoopsommen die hij van Wade had gekregen, en alle overheidscontracten die hij in ruil daarvoor Wade's kant op had gestuurd.)

Op de website van het staatsbestuur van Nevada staat een lijstje met redenen waarom bedrijven zich zouden moeten vestigen in de staat, waarin de lage zakelijke inkomstenbelasting en de bijna ondoordringbare 'zakelijke sluier' genoemd worden. De regels hebben ervoor gezorgd dat er meer dan driehonderdduizend actieve bedrijven zijn in de staat, één voor elke negen inwoners. Ze leverden alleen al in 2012 meer dan 133 miljoen op. Volgens vicestaatssecretaris Scott Anderson heeft de overheid een aantal stappen gezet om misbruik van de soepele regels in Nevada te voorkomen. Een daarvan is een regel die expliciet verbiedt dat iemand in Nevada een bedrijf begint met als doel het begaan van een misdaad. "Maar goed, als iemand iets illegaals gaat doen, dan zal hij je dat niet van tevoren vertellen," geeft Anderson toe.

In Nevada interviewde ik Cort Christie, het hoofd van Nevada Corporate Headquarters, een van de grootste bedrijven voor het registreren van vennootschappen aldaar. Zijn bedrijf is gevestigd in een groot, steriel kantoorgebouw in een buurt die Spring Valley heet. Christie is een voormalig bestuurslid van de machtige Nevada Registered Agent Association (MF Corporate Services is hier ook lid van) dat zich volgens de website inzet "om de toekomst van de staat als het centrum van bedrijfsregistratie te waarborgen." Daar valt ook te lezen dat als Nevada's "huidige bedrijfs- en belastingvriendelijke instelling verloren gaat, de reputatie van de staat ook verloren gaat. Als het vertrouwen van de mensen geschaad wordt, kan dat niet makkelijk hersteld worden."

Vorig jaar lobbyde de NRAA tegen een wetsvoorstel van de staatssecretaris om de regels met betrekking tot bedrijfsgeheim aan te scherpen. Het voorstel, waarover Christie tegen mij zei dat het "een einde zou maken aan het idee dat mensen hierheen kunnen komen om zich te verschuilen," werd met een grote meerderheid afgewezen.

Op de ochtend van 4 november reed ik over S. Casino Center Boulevard, dwars door het centrum van Las Vegas, voorbij de Golden Nugget en El Cortez (een casino dat oorspronkelijk in het bezit van de maffia was) en een heleboel restaurants die primeribs aanbieden voor 9 dollar en 99 cent. Daarna sloeg ik de Interstate 15 in en reed richting het zuiden naar Henderson, een buitenwijk met gigantische malls en rijen inwisselbare gezinswoningen. MF Corporate Services is gevestigd in het Parc Place Professional Complex, een cluster van identieke bedrijfsbungalows met rode daken. Er stonden maar een paar auto's op de parkeerplaats en er was verder niemand te zien. Het metalen bord van MF Corporate Services, dat tussen een paar stenen en cactussen geplant was, trilde lichtjes in de warme wind. Voor zover ik kon opmaken uit openbare en rechtsdocumenten, komen klanten meestal niet zomaar binnenwandelen bij MF Corporate Services.

Het enige doel van het kantoor lijkt het opzetten van vennootschappen in Nevada voor clienten van Mossack Fonseca, en de afgelegen locatie van het kantoor leek dat te bevestigen. Amunategui runt het bedrijf, maar uit interne bedrijfsdocumenten die ik in rechtsdossiers vond, blijkt dat ze nauw samenwerkt met werknemers van Mossack Fonseca in Panama, zoals Leticia Montoya, die op papier tientallen lege vennootschappen beheert die verbonden zijn met Lázaro Báez. Montoya heeft een nogal veelbewogen carrière gehad. In het verleden heeft ze als geregistreerd tussenpersoon of bestuurslid gefungeerd voor minstens zes anonieme bedrijven die betrokken waren bij grote internationale corruptieschandalen.

Een daarvan was een leeg vennootschap uit Panama dat Nicstate heette, waarvan de voormalige Nicaraguaanse president Arnoldo 'Fat Man' Alemán een van de eigenaren was. Hij gebruikte Nicstate en andere nepbedrijven om bijna honderd miljoen aan staatsgeld in zijn eigen zak te steken. Montoya hielp ook om Mirror Development Inc. op te richten, een bedrijf dat Siemens gebruikte om omkoopsommen te betalen aan Argentijnse overheidsmedewerkers die Siemens hielpen een contract om de nationale identiteitskaarten te maken binnen te slepen – een contract ter waarde van een miljard. Siemens kocht ook ambtenaren en politici om in Bangladesh, Venezuela en Irak, waar Saddam Hussein een van de begunstigden was.

Ik dacht dat ik de grootste kans had om Amunategui te spreken als ik onverwachts langsging, dus had ik niet van tevoren gebeld. Toen ik op de glazen deur van MF Corporate Services klopte, gebaarde een man op een blauwe stoel middenin de lobby dat ik binnen mocht komen. Een witte plastic zak, gevuld met versnipperde documenten, stond naast de deur. Aan de muur hing een ingelijste wereldkaart met daarboven vier klokken die de plaatselijke tijd in Las Vegas, Hongkong, Zwitserland en Panama aangaven. De man op de stoel (die later een slotenmaker bleek te zijn) riep Amunategui, waarna ze uit een achterkamer tevoorschijn kwam. Ze had sproetjes en droeg haar lange bruine haar in een knot. Ze fronste lichtjes en weigerde met me te praten nadat ik vertelde dat ik een journalist ben, en geïnteresseerd in het werk dat MF Corporate Services voor Báez deed. "Laat je naam en nummer maar achter, dan kijk ik of onze advocaat met je kan praten," zei ze. "De advocaat van Mossack Fonseca?" vroeg ik. "Nee, onze advocaat," antwoordde ze. "Dat is iemand anders."

Ik stond besluiteloos onder het felle tl-licht terwijl ik wanhopig naar een manier zocht om het gesprek gaande te houden. Er waren nog zoveel dingen die ik wilde weten, en eindelijk stond ik tegenover iemand die indirect voor Mossack Fonseca werkte. Ik wilde haar vragen naar de mensen die door de Amerikaanse overheid, in rechtbankdocumenten, internationale onderzoeken en mijn eigen research in verband waren gebracht met lege vennootschappen van Mossack Fonseca: Billy Rautenbach, een vermeende bag man voor Robert Mugabe; Joelia Tymosjenko, een voormalig premier van Oekraïne en oligarch die de bijnaam 'de gasprinses' draagt; Beny Steinmetz, een Israëlische miljardair die naar verluidt een vennootschap van Mossack Fonseca gebruikte om smeergeld te betalen aan de vrouw van de moordlustige dictator van Guinea, waar Steinmetz een groot mijncontract probeerde te scoren (wat hem ook lukte).

Ik wilde haar zelfs vragen naar de blije facebookpagina en twitteraccount van Mossack Fonseca, waarop foto's staan van de lachende begunstigden van het liefdadigheidswerk van de firma, en platitudes van mensen als Thomas Edison en Dr. Seuss ("Today you are you! That is truer than true!"). Maar Amunategui zei geen woord meer nadat ze mijn telefoonnummer had opschreven. Ze beloofde dat ze het zou doorgeven aan haar advocaat. Daarna dook ze weer haar kantoortje in waar ze aan een bureau ging zitten waarop een paar mappen en postpakketjes lagen, en de telefoon oppakte. Ik kon haar in de lobby horen praten en hoewel ik niet verstond wat ze zei, klonk ze geërgerd. Ik ging ervan uit dat ze de bedrijfsadvocaat aan de lijn had (waar ik overigens nooit meer wat van heb gehoord). Dat Amunategui niet met me wilde praten was frustrerend, maar niet verrassend. Als je voor Mossack Fonseca werkt, zijn er veel vuile geheimen die je moet bewaren. Weten wanneer je je mond moet houden, is misschien wel het belangrijkste onderdeel van je baan.