DE KEERZIJDE

Hoe ik als voormalig Belgisch toptalent in een psychiatrisch ziekenhuis belandde

"Tot op de dag van vandaag moet ik bepaalde banden met mensen herstellen."

door Xavier Vuylsteke de Laps; foto's door Laurane Bindelle
05 februari 2019, 9:53am

Dit verhaal verscheen oorspronkelijk bij VICE België .

Jarenlang stond de naam van Jens Dyck dubbel onderstreept in de schriftjes van internationale voetbalscouts. Hij maakte deel uit van de gouden generatie van de Belgische Rode Duivels, speelde naast Eden Hazard en mocht zelfs op proef komen bij Manchester United. Terwijl zijn generatiegenoten afgelopen zomer op het WK in Rusland zaten, probeerde Jens het te maken als animator in een rusthuis.

Hij bezweek onder de druk, maar heeft na een verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis het spelplezier teruggevonden bij St. Dimpna, een club in het provinciaal voetbal. Ik sprak Jens over de loop van zijn carrière.

Dit is zijn verhaal.


“Tussen mijn 19e en 21e was ik volledig de weg kwijt. Ik heb zo’n drie weken in het Bethaniënhuis gezeten, een psychiatrisch ziekenhuis in Zoersel. Ze houden je daar echt vast, zoals in een gevangenis. ’s Ochtends om zes uur krijg je een spuit in je bil om ervoor te zorgen dat je geen rare dingen doet. Maar ook daar had ik het moeilijk. Ik kwam in de weekenden thuis en mocht eigenlijk geen alcohol drinken, maar juist in het weekend wil je toch iets gaan doen. Maandagochtend meldde ik me opnieuw bij het ziekenhuis en was ik nog steeds dronken. Ik zat niet elke dag aan de fles, maar liet me soms gewoon gaan. Het hoefde allemaal niet meer, het kon me niets schelen.

Als kind was ik bezeten door de bal. Als andere kinderen gingen knikkeren of spelen in het bos, was ik met voetbal bezig. Ik spijbelde op school om te gaan voetballen. Op de veldjes in Antwerpen ging ik vaak ‘s avonds met een aantal Belgen tegen Marokkanen spelen. Allemaal twintig euro in de pot en de winnaar mocht alles hebben aan het einde van de avond. We hebben niet vaak geld mee naar huis genomen. Maar het waren hele mooie tijden en die mis ik soms. Als ik de tijd kon terugdraaien, zou ik dat plezier weer opzoeken.”

Jens Dyck.

“Ik ben op vierjarige leeftijd begonnen met voetballen bij Nijlen. Al na één seizoen werd ik opgepikt door Lierse. Van de 160 testspelers werden er zeven geselecteerd en ik zat daarbij. Ik heb bij Lierse heel de jeugdopleiding doorlopen, tien jaar lang. Tot de gokschandalen rond de club losbarstten en ik naar Club Brugge verhuisde, met pijn in het hart. Daar heb ik drie jaar gespeeld, van Onder 16 tot Onder 19. Dat was ook de periode waarin ik bij de nationale jeugdploegen speelde. Ik had maar één doel toen: profvoetballer worden. Zelfs mijn schoolopleiding heb ik daarvoor aan de kant gezet. Achteraf gezien bleek dat een domme keuze te zijn geweest.

In Brugge werd ik bij een gastgezin geplaatst, maar volgens mij deden die mensen dat vooral voor de centen die ze ervoor kregen. Ik had het gevoel dat ik aan mijn lot werd overgelaten. Ik was zestien jaar en voelde me alleen. Daar is het volgens mij misgelopen. Mijn techniek was meer dan goed, maar je hebt ook genoeg mentale kracht nodig om door te stromen.”

“Op mijn zeventiende werd ik gevraagd om op proef te komen bij Manchester United. Ryan Giggs, toen jeugdcoördinator van de club, had me zien spelen tegen Ierland en herkende zichzelf in de manier waarop ik vanaf de linkerflank speelde. Die jeugd daar, dat had ik nog nooit meegemaakt. Ze speelden soms rugby als warming-up. Die jongetjes waren echt al volwassen mannen en kijk naar mij, ik ben nooit echt breed geweest. Elke dinsdag speelden we op training een wedstrijd tegen de grote mannen. Wayne Rooney, Cristiano Ronaldo, Paul Scholes. Edwin van der Sar stond toen nog in de goal.

Je hoort veel verhalen over de arrogantie van Ronaldo, maar die grote namen ontvingen me echt alsof ik een vriend of klein broertje was. Vooral Danny Welbeck ontfermde zich over mij. Hij is even oud als ik, maar was een product van de jeugdopleiding en had dus al meer ervaring. Heel vriendelijke gast.

Ik kreeg de kans om er te blijven voor een langere proefperiode, maar kon er niet aarden. Ik sprak niet goed Engels en zat ook helemaal alleen in een gastgezin met een heel andere levensstijl. Was ik toen iets ouder geweest, dan had ik meer karakter gehad en doorgezet. Maar ik was amper zeventien en miste het thuisfront heel erg, alweer.”

Jens Dyck.

“Van mijn jaren bij de nationale jeugdploegen zal het WK onder 17 in Zuid-Korea me altijd bijblijven. Eden Hazard en Christian Benteke speelden mee in de selectie. Bij onze tweede wedstrijd van de groepsfase, tegen Tadzjikistan, zaten er 11.000 mensen op de tribunes. Dat was geflipt, zoiets had ik nog nooit meegemaakt. Die wedstrijd wonnen we in de extra tijd met 0-1 na een assist van mij voor Benteke. Helaas konden we niet doorstoten naar de finale, die werd gespeeld voor een publiek van 65.000 mensen.

Hazard was mijn concurrent in de ploeg, maar ik had al snel door dat hij anders was. Ook al liep ik zonder bal en hij met, dan nog was hij veel te snel. Hij had ook een schoenencontract op zijn vijftiende en kwam overal aan met een hele entourage. Ik stond er gewoon met mijn twee voetbaltassen. Hij wist van zichzelf dat hij goed was, maar had toen al hetzelfde speelse karakter. Dingen zoals die hamburgers eten, dat deed hij vroeger ook al.

Het doet nu soms pijn om te zien wat zij allemaal wel niet meemaken. Ik probeer het een plaats te geven, maar je zult me nooit een shirtje van Hazard zien dragen. Het ontbrak mij ook aan mentale weerbaarheid, het kunnen omgaan met kritiek. Zelfs nu nog. Als mensen me na een wedstrijd zeggen dat ik goed heb gespeeld, dan vlieg ik naar de hemel. Daar teer ik drie weken op. Was het slecht, dan neem ik dat mee naar huis, kan ik niet slapen en blijf ik nadenken over wat ze zeiden. Enkel en alleen omdat ik zo gepassioneerd ben door het spelletje.”

Jens Dyck.

“Ik heb altijd met plezier gespeeld, tot ik een bepaald niveau bereikte. Op mijn negentiende ben ik van Club Brugge naar Waasland-Beveren in de tweede klasse gegaan. Ik hoopte dat ik door een stap terug te zetten daarna weer omhoog kon vliegen, maar toen kreeg ik de ziekte van Pfeiffer. Weer pech. Het is eigenlijk een verhaal van altijd net niet geweest. Daarna heb ik het mentaal opgegeven. Ik heb even als postbode gewerkt en bussen geschilderd, maar ook dat lukte niet. Acht uur aan een stuk door hetzelfde doen, elke dag opnieuw, dat was een marteling. Eigenlijk deed ik dat gewoon om mijn ouders een plezier te doen, maar ik werd daar gek. Ik ben zelfs een half jaar thuis gebleven met ‘een pijnlijke duim’.

Ik had het gevoel dat ik alles kwijt was, dat ik er alleen voor stond. Twee à drie jaar lang vroeg ik me af waarom ik er nog was. Welke meerwaarde het nog had dat ik er was. Ik leerde een paar slechte vrienden kennen en je weet hoe dat gaat. Ik dronk te veel, rookte jointjes, ging te veel weg. Ik ben een heel beïnvloedbare jongen. Steek je een sigaret op, dan zal ik dat ook doen. Drink je een pint, dan zal ik dat ook doen. Dat is niet goed. Je moet jezelf in bedwang houden en dat is soms mijn zwakte geweest. Op een gegeven moment zag ik het echt niet meer zitten. Ik was mentaal op. Het was tijd om een stap terug te zetten, en aan mezelf te denken. Toen ben ik naar het Bethaniënhuis gegaan.

Tot op de dag van vandaag moet ik met bepaalde mensen de banden herstellen. Ik was een totaal andere persoon geworden, alleen met mezelf bezig. Echt een egoïst. En de hamer staat nog altijd om de hoek, dat besef ik. Daarom ga ik ook nu nog naar een psycholoog.

Als er iets is dat ik jongeren en clubs kan meegeven, dan is het begeleiding, begeleiding, begeleiding. Leg geen druk op die kinderen, laat ze gewoon doen. Of ze nu willen gaan tennissen of dansen. Laat ze gewoon doen wat ze graag doen en laat ze hun eigen talenten en kwaliteiten ontwikkelen."