moeders

Hoe het is om geen ruzie meer te kunnen maken met je moeder (omdat ze dood is)

Tijdens een ruzie schreeuwde ik naar mijn moeder dat ze een stom kankerwijf was. Niet wetende dat ze een paar maanden later dood zou gaan aan die ziekte.

door Tatjana Almuli
22 juni 2019, 6:00am

Foto is eigendom van de auteur. Beeldbewerking door Dymphie Huijssen

Toen mijn moeder ernstig ziek was, schreeuwde ik tijdens een ruzie naar haar dat ze een stom kankerwijf was. Niet wetende dat ze een paar maanden later dood zou gaan aan die ziekte. We konden goed ruziemaken. We schreeuwden geregeld naar elkaar, maar maakten het altijd weer goed. Ik veranderde na zo’n ruzie altijd even in een klein kind dat dicht tegen haar moeder aan wilde zitten. Dat mis ik nu, jaren na haar overlijden: dat ik niet tegen iemand aan kan schoppen, de naarste verwensingen naar iemands hoofd kan gooien en dat het dan toch altijd weer goed komt.

Op 51-jarige leeftijd overleed mijn moeder aan lymfeklierkanker. Ik was toen zestien en een nogal ontaarde puber: ik loog veel, stal geregeld geld uit mijn moeders’ portemonnee, had een negatief zelf- en wereldbeeld. Ik vertrouwde mensen niet, vond mezelf dom en lelijk, maar sprak dat soort dingen nooit uit – ik hield altijd de schijn op. Ik had niet per se een heel goede relatie met mijn moeder voordat ze overleed, want ze was gesloten en vaak met zichzelf bezig. We spraken zeker niet over alles, maar er was wel veel liefde tussen ons en we hadden dezelfde humor.

Mijn ouders scheidden toen ik twaalf was en vooral de jaren na de scheiding begonnen mijn moeder en ik een hechtere band op te bouwen. Ik had slecht contact met mijn vader, zowel voor hij het huis verliet als daarna. Hij heeft een Servische achtergrond en was erg streng en dominant; als meisje moest ik volgzaam zijn en naar hem luisteren. Dat deed ik niet. Ik had altijd een weerwoord en wilde mijn eigen gang gaan. Hij trok dat slecht. Hij was vaak moe, prikkelbaar en depressief. Als hij in zo’n episode zat kon hij ook agressief worden en ik was altijd het doelwit. Na de scheiding vertrok mijn vader naar het buitenland en toen mijn moeder overleed, was het duidelijk dat hij niet voor mij en mijn broertje en zusje kon zorgen.

Toen mijn moeder ook wegviel, voelde ik meteen een enorm gemis, misschien ook omdat ik nu ineens helemaal geen ouderfiguren meer had. Het voelde alsof ik nergens bij hoorde en niemand had om op terug te vallen. Een van de dingen die ik nu, twaalf jaar later, het moeilijkst vind aan dat ze er niet meer is: dat we nooit meer ruzie kunnen maken. Waar de ruzies in mijn puberteit met haar vaak gingen over kleine dingen (spijbelen, te laat thuiskomen, zakgeld) zou ik het nu graag over wezenlijke dingen willen hebben met haar, zoals de woede die ik vaak voel als ik aan haar denk.

Het is pijnlijk en vervreemdend om woede te voelen voor iemand die dood is, omdat je het nooit meer over de dingen achter die woede kunt hebben. Het schuurt als vrienden ruzie hebben met hun ouders en dingen zeggen als: ‘Het voelt alsof ik geen ouders meer heb.’ Ik wil niets afdoen aan hun verdriet of boosheid, maar zo’n opmerking voelt als een stomp in mijn maag en ik denk altijd: wees blij dat je tenminste nog de kans hebt om erover te praten met elkaar. Het is een zekerheid dat ik het nooit meer met mijn moeder kan hebben over de dingen waarin zij voor mijn gevoel tekort schoot. Bijvoorbeeld dat ze niet voor me opkwam als mijn vader zijn agressie op mij uitte.

Vaak was ze niet thuis als mijn vader me sloeg, maar ze wist er natuurlijk wel van. Ik herinner me een keer dat ze er wel bij was: mijn vader gooide tijdens een woordenwisseling een speelgoedautootje met razende snelheid naar mijn hoofd. Het raakte mijn neus en zorgde voor een blauw gezicht en een blijvende bobbel. Overstuur verliet ik samen met mijn moeder het huis. Ze beloofde dat ze een scheiding zou aanvragen, maar later die dag gingen we weer terug. Jaren heeft ze het laten gebeuren en me niet in bescherming genomen. Mijn ouders waren ondanks alles elkaars grote liefde, maar zou de liefde en veiligheid van je kinderen niet groter moeten zijn dan dat? Dat is een vraag waar ik nu mee worstel, net als: waarom heb je me nooit laten merken dat het niet mijn schuld was?

Kort na mijn moeders dood was er boosheid, maar dat was een meer ‘logisch’ soort. Ik was kwaad op haar, maar het was meer kwaadheid uit gemis, ik vond het oneerlijk dat ik als enige van mijn vriendinnen geen moeder meer had. Dit is een soort gelegitimeerde ‘ik mis je’-woede waar je vaker over leest in boeken over rouw en die je ziet in films en series. We hemelen overledenen graag op, lichten na hun dood vaak vooral de positieve eigenschappen van hem of haar uit. Niets dan goeds over de doden. Het is een mooie gedachte, maar vaak niet helemaal realistisch. Doordat ik overal om me heen zag en hoorde dat ik mijn moeder moest eren en vooral moest uiten hoe erg ik haar miste en van haar hield, lukte het me lange tijd niet die andere boosheid te erkennen.

Door middel van verschillende therapieën kwam ik er pas een paar jaar geleden achter dat ik niet alleen boos ben op mijn vader voor zijn gedrag en acties, maar ook op mijn moeder. Eerst schaamde ik me daarvoor, maar dankzij de gesprekken die ik voerde met mijn therapeuten begon ik in te zien dat deze woede best logisch was. Zij lieten me inzien dat ik het recht had om boos te zijn en dat er veel meer kinderen van overleden ouders dealen met dit soort moeilijke gevoelens.

Maar met alleen mijn boosheid erkennen en toelaten was ik er niet. Ik kreeg last van nachtmerries en was vaak prikkelbaar. De woede nam mijn hoofd en lijf regelmatig over. Een therapeut die ik zag in die tijd zei: “Schrijf je moeder brieven. Dan wordt je woede tastbaarder en hoef je het niet alleen te dragen.” In eerste instantie was ik sceptisch. Ik dacht: hoe gaat dit helpen? Het voelde te romantisch, als een soort Hollywoodfilm: ga dit maar doen meisje, dan kom je nader tot jezelf en nader tot je moeder. Dan vind je die acceptatie wel. Ik schopte een tijdje aan tegen het idee, maar merkte dat als ik níets concreet deed met mijn woede, ik me ook niet beter ging voelen. Dus een paar maanden geleden begon ik toch maar te schrijven.

Het begon met korte zin die bestond uit ‘Hey mam. Hier ben ik dan.’ Het voelde nog steeds onwennig, maar ik zette door. Sindsdien schrijf ik haar vaker. Soms een kreet, soms bladzijden vol. Wat ik inhoudelijk schrijf doet er eigenlijk niet toe, vaak herhaal ik gedachten en soms schrijf ik alleen een brij van woorden op. Maar de therapeut kreeg gelijk: het helpt om iets heel tastbaars te doen, telkens dezelfde handelingen te verrichten en de woede toe te laten op papier.

Ik heb nog geen echte rust of acceptatie gevonden, en misschien zal ik op een bepaalde manier altijd boos blijven op haar. Maar door de woede op papier te uiten, merk ik dat ik me minder verkrampt en alleen voel met mijn boosheid. Ook merk ik dat er weer ruimte in mijn hoofd komt voor de fijne herinneringen aan haar en onze tijd samen. Dan zie ik haar in gedachten op een regenachtige dinsdagmiddag op het schoolplein staan in een overdreven fleurige lapjesjurk, dansend met een willekeurige schoolpleinvader. En hoe ze me dan meesleurde naar de auto en vrolijk zei: "Kom, we gaan naar het strand. Even die grijze wolken wegjagen en tegen de wind in beuken." Mijn moeder was een moeilijk én een geweldig mens. Soms mis ik haar aanstekelijke lach en levensvreugde, en soms wou ik dat ze er nog was zodat ik haar de huid vol zou kunnen schelden. En dat is oké – ik weet nu dat de woede die er nog is, mijn liefde voor haar niet kleiner maakt.